Autisme en psychotherapie

 

 

Er wordt al eens, onterecht, gezegd dat autisme synoniem is aan moeilijkheden. Mensen met autisme hebben er, en hun omgeving heeft er ook,  maar wie er eerst was, is vaak een discussie van de kip of het ei. Een in wezen boeiende discussie die echter voor nogal wat conflicten kan zorgen. En tot zorgen.

Wie een te chaotisch leven leidt, ondermeer door zorgen, kan ondermeer terecht bij een psychotherapeut.  Wie in de mogelijkheid is om bij vrienden terecht te kunnen, of geen zorgen heeft, kan zijn geld beter aan nuttiger dingen besteden.

Mensen (met autisme) kunnen zorgen hebben over zichzelf, over anderen, over hun relatie, of over hun gezinssituatie.  Ofwel stappen ze zelf naar een therapeut die individuele therapie geeft. Ofwel gaan ze als koppel naar een relatietherapeut.  Een andere mogelijkheid is met het hele gezin op gezinstherapiete gaan.

Moeilijkheden in het leven van iemand met autisme kunnen uit diverse hoeken komen.

De meest zichtbare hoek is het gedrag. Mensen hebben het moeilijk met hun eigen gedrag. Ze komen in ruzie, hebben het gevoel dwangmatige handelingen te stellen (in huis of daarbuiten), of hun omgeving merkt vreemd gedrag op.

Mensen kunnen zorgen hebben door gedachten die ze niet controle hebben, die te chaotisch worden, en niet georganiseerd raken, of dwangmatig zijn.

Een derde mogelijkheid is dat gevoelens een zorg zijn, bijvoorbeeld omdat mensen zich triestig voelen of een gevoel hebben dat ze niet kunnen plaatsen maar dat onaangenaam is. Handelen, voelen en denken zit meestal in elkaar verweven.

Mensen met autisme hebben vaak ook last van een vierde element, namelijk de context. Peter Vermeulen beschouwt contextblindheid als een van de voornaamste beperkingen binnen het autisme.

Contextblindheid houdt in dat iemand moeilijker of niet in de mogelijkheid is om op gevoel, met de ellebogen aan te voelen wat in een bepaalde situatie op het werk, binnen het gezin of in eender welke organisatievorm wel of niet hoort, wat wel en niet past.  Eens de context duidelijk is, en gedrag en context bij elkaar passen, zijn heel wat zorgen opgelost.

Wie opteert voor psychotherapie kan terecht bij een aantal ‘psy’s’.

Vooreerst is er de psycholoog. Een psycholoog is iemand met een universitaire opleiding, licentiaat of master in de psychologie.   Psychologen hebben wetenschappelijke kennis over het gedrag, het gevoel en de gedachten van mensen. Ze hebben een voornamelijk theoretische opleiding, met een klein stukje praktijkervaring, maar zijn niet geschoold om gesprekken te voeren. Psychologen kunnen zich aansluiten bij de Belgische Federatie van Psychologen. Sommigen zit het in het bloed om gesprekken aan te knopen, aan te voelen wie wat nodig heeft, en welk tempo aangehouden moet worden bij welke cliënt. Andere psychologen leren het nooit.  Wie naar een psycholoog gaat, heeft in elk geval de zekerheid dat het gaat om een persoon met een beschermd beroep die minstens een universtaire studie achter de rug heeft. Sommige psychologen volgen nog een extra opleiding psychotherapie waarbij ze zich toespitsen op het stimuleren van persoonlijke verandering door gespreksvoering.

Een tweede ‘psy’ is de psychiater. Een psychiater heeft een universitaire opleiding in de geneeskunde met een specialisatie in de psychiatrie. Het gaat dus om een arts die gevestigd en ook als dusdanig erkend is.  Een psychiater heeft wetenschappelijke kennis over de link tussen organische en psychische processen. Hij heeft zich in de loop van zeven jaar geneeskunde, vijf jaar psychiatrie en mogelijks drie jaar bijkomende studie psychotherapie toegelegd op de link van het menselijk lichaam en de geest. Hij is dus in staat te weten welk medicatie invloed kan hebben opdat een mens zich beter zou kunnen voelen of zich rustiger zou kunnen gedragen. Wie naar een psychiater gaat, heeft dus zeker iemand met een universitair diploma van arts voor zich, en iemand die een beschermd beroep uitoefent, net als de psycholoog.  Deze psychiater hoeft echter geen opleiding van psychotherapeut gevolgd te hebben. Hij kan uit zichzelf voldoende vaardigheden hebben om goede gesprekken te kunnen voeren, of therapie te geven, maar evengoed is hij barslecht op dat vlak en voelt hij mensen niet aan.

Een derde ‘psy’ is de psychotherapeut. Dit is geen beschermd beroep. Iedereen, ook de plaatselijke zelfstandige ijzerhandelaar, kan zich dus psychotherapeut noemen en als dusdanig zijn brood verdienen.  Ook wie een kortlopende opleiding heeft gevolgd, kan voorlopig deze titel nog dragen. Er bestaan wel post-academische opleidingen psychotherapie waar de psychotherapeut-in-spé kennis verkrijgt over hoe die mensen kan helpen verandering te bekomen in hun gedachten, gevoelens en gedrag.

Psycholoog en psychiater kunnen maar hoeven geen psychotherapeut te zijn, en zijn het dus niet automatisch. Een psychotherapeut kan een psycholoog of psychiater zijn, maar evengoed ook niet. Zo kan een maatschappelijk assistent zich psychotherapeut noemen, Of een filosoof kan een filosofische praktijk opstarten waarbinnen hij psychotherapie bedrijft. Ook een huisarts kan zich psychotherapeut noemen.

Binnen dit domein van psy’s is het belangrijk te kijken naar mensen met een opleiding in menswetenschappen (psychologie, orthopedagogie, filosofie, maatschappelijk werk …) of geneeskunde, specialisatie psychiatrie. Een een  ergotherapeut kan dus veel moeilijker een goede psychotherapeut zijn omdat deze op het lichaam en de beweging eerder dan op de geest werkt.

Een psychotherapeut kan iemand zijn met een opleiding in de psychotherapie, maar de hulpverlener in kwestie kan vanuit zichzelf al voldoende aanvoeling en vaardigheden hebben om een goede psychotherapeut te zijn. Het kan ook iemand zijn met kennis van autisme, maar opnieuw is het belangrijker dat de hulpverlener een open attitude heeft en voldoende communicatieve vaardigheden om met mensen met autisme om te gaan. Het risico van kennis van autisme of van pretentie van die kennis is dat de hulpverlener zich gaat blind staren op bepaalde idée fixes over autisme, bepaalde clichés, waarbinnen sommige mensen met autisme, die wel hulp nodig hebben, niet altijd volledig passen. Een goede psychotherapeut voor mensen met autisme hoeft dus niet noodzakelijk een tistjestherapeut te zijn.

De prijs die een psychotherapeut vraagt is afhankelijk van de setting. Een zelfstandig therapeut zal logischer wijzer meer vragen dan een therapeut die werkt binnen een centrum geestelijke gezondheidszorg (CGGZ).  Zelfstandige therapeuten vragen tussen 25 en 50 Euro. Een individueel gesprek kost gemiddeld 30 tot 35 euro. Vaak wordt er hier niets van terugbetaald door de mutualiteit (tenzij Euromut), wanneer het gaat om een gesprek met een maatschappelijk werker of iemand die een menswetenschappelijke opleiding heeft gevolgd. Psychiaters vragen meer maar er is tussenkomst van de mutualiteit. Het voordeel van een zelfstandig therapeut is de beschikbaarheid en flexibiliteit van afspraken, en vaak ook het gevoel dat er diepgaander wordt ingegaan op de probleemoplossing.

Wie naar een CGGZ stapt wordt meestal een vast bedrag van 5 tot 10 euro aangerekend. Bij een CGGZ is men zeker dat men geholpen wordt door iemand met een degelijke basisopleiding, die vaak werkt binnen een multidisciplinair team met een organisatie achter zich. Het nadeel van een CGGZ is dat de personen in kwestie op vaste uren werken en beperkter bereikbaar zijn, en de diepgang van de gespreksvoering durft al eens beperkter te zijn.

Hoe vaak iemand op gesprek gaat, wordt afgesproken samen met de therapeut en is afhankelijk van de zorg, het budget dat iemand heeft of wil uittrekken, de werkwijze van de therapeut en allerlei gegevens uit de context zoals gezin, werk, hobby’s … Het is belangrijk dat de cliënt zich niet laat pushen om te vaak of te sporadisch te moeten komen. Wie zich beter voelt bij één keer per maand, mag gerust aangeven dat dit voor hem het best ligt. Problemen worden niet sneller opgelost omdat men meerdere keren per maand of per week naar de therapeut gaat. De werkelijke stappen worden immers buiten de praktijk van de therapeut gezet.

Een individuele sessie kan een uur of iets langer duren. Bij kinderen zal een therapeutische sessie wellicht iets korter zijn. Bij relatie – of gezinsgesprekken kan er anderhalf uur uitgetrokken worden. De duur van de therapie op zich hangt af van de evolutie die iemand maakt, de tevredenheid over die evolutie, de inschatting van de therapeut en allerlei randevenementen.

Wie in psychotherapie gaat, doorloopt meestal een aantal fasen.

Een eerste fase bestaat uit de kennismaking in een aantal gesprekken en de eerste verkenning van de vraag of zorg.

Eens min of meer duidelijk wordt wat de vraag of zorg is waarmee de persoon die zich aanmeldt komt, en of er een reden of motivatie is om verder in gesprek te blijven, wordt de therapie echt opgestart. Dit gebeurt in een reeks therapeutische gesprekken.

Tussenin gebeurt er af en toe een evaluatie. De meest voor de hand liggende evaluatie is de vraag of de persoon die in gesprek is bij de therapeut een nieuwe afspraak wil.  Wie zegt ‘oh nee, weer terug komen’, geeft al te kennen dat de therapie niet naar wens verloopt.  Wie af en toe de afspraak mist, of zich ziek meldt, geeft ook tekenen dat de therapie mogelijks een sleur wordt, wat geen goed teken is.

Wanneer de therapeut vraagt of er met de gesprekken in het leven buiten de therapie iets kan gedaan worden, iets nuttigs, iets dat werkelijk bijdragt tot de kwaliteit van leven, iets dat een meerwaarde is, kan ook gezien worden als een evaluatie.

De cliënt, die in gesprek is, kan het nut van de therapie of de tevredenheid uiteraard alleen zelf bepalen. De cliënt kan de therapeut op elk moment zelf evalueren. De cliënt is tenslotte degene die de eindbeslissing heeft over het al dan niet verder zetten van de therapie, niet de therapeut of de omgeving van de cliënt. Als er bijvoorbeeld al jarenlang geen vertrouwen is tussen de cliënt en de therapeut, is er alle reden om van therapeut te veranderen.

Binnen een psychotherapeutisch gesprek bestaat er meestal een bepaalde structuur. Een gesprek begint meestal met de acclimatisatie, de ’small talk’, de verwelkoming van de cliënt. Een volgende stap is bepalen waarover het zal gaan in het gesprek, het gespreksthema. De aanleiding kan een vervolg zijn op vorige gesprekken, een taak die uitgevoerd is in het dagelijks leven, iets dat de cliënt geprobeerd heeft, een stap die gezet is, of een denkopdracht over alternatieven voor een situatie die op dat moment een zorg is. Op het einde van het gesprek komt het dan tot een conclusie of een afronding. Mogelijks geeft de therapeut de cliënt dan nog een opdracht mee of een doordenkertje voor thuis.

De meest voorkomende technieken om cliënten te helpen zijn vragen stellen, opdrachten mee geven of suggesties voor alternatieven aanreiken, waar de cliënt kan aan de slag mee gaat. De therapeut gaat dus op weg met de cliënt, maar het is de cliënt is die de weg bewandelt en uitstippelt. De therapeut geeft mogelijkheden aan, en wijst op mogelijke beperkingen van bepaalde wegen die de cliënt zelf zou willen bewandelen. Therapie is idealiter een samenwerking, maar de cliënt bepaalt uiteindelijk zelf welke weg het uitgaat.

Binnen de psychotherapie bestaan er verschillende stromingen, scholen en therapieën.

Voor mensen met autisme is het belangrijk dat ze zich kunnen voorbereiden op het therapeutisch gesprek. Hun informatieverwerking verloopt anders, ze hebben het minder van de spontane interactie met de therapeut.

Als dusdanig zijn vormen van psycho-analyse en hypnotherapie (niet te verwarren met hippotherapie) minder geschikt, omdat verwacht wordt dat de cliënt hier ongedwongen, spontaan en vol vertrouwen zich bloot geeft, wat bij autisme per definitie moeilijker ligt.  Via een regelmatig gesprek – tot enkele keren per week – wordt verwacht dat de cliënt inzicht verwerft in zichzelf. Mensen met autisme gaan echter eerder gebaat zijn met een lagere frequentie aan gesprekken, maar wel de kans om opdrachten uit te voeren en die voor te bereiden en te kunnen bespreken. De onvoorspelbaarheid en de onduidelijkheid van de psycho-analyse is daarnaast nog een bijkomend nadeel.

In de cliënt-centered therapie draait het meer rond gevoelens.  De cliënt wordt gevraagd zijn verhaal te vertellen, en de gevoelens achter dit verhaal te onderzoeken.  De psychotherapeut zal hier voornamelijk luisteren, en vragen aan de cliënt om zijn problemen uit te spreken en ondertussen ook autonoom hierover na te denken. De cliënt-centered therapie ligt net als de psycho-analyse moeilijk bij mensen met autisme, omdat hier de spontaneïteit en de uitdrukking van gevoelens zonder voorbereiding of terugval centraal staat. Ook bij gestalttherapie zal een autistische persoon het lastiger hebben, omdat deze nauw aanleunt bij de cliënt-centered en de psycho-analytische therapie.

Cognitieve therapiegedragstherapiesysteemtherapie en contextuele therapie zijn wellicht de meest geschikte therapieën die rekening houden met de specifieke eigenschappen van mensen met autisme.

Gedragstherapie kijkt, zoals de naam al zegt, naar het gedrag en op basis van wat we doen naar ons denken.  Wanneer gedrag ons onwelzijn bezorgt, komt dat meestal door een denken dat niet samen valt met wat we willen. Dit gedrag kan terug afgeleerd worden door een andere manier van denken aan te leren of ons hiervan bewust te worden.

Systeemtherapeuten en contextueel therapeuten, beiden aan elkaar verwant, kijken naar de problemen in relatie tot de context en de omgeving (het systeem). Het leven van iemand met autisme is meestal vooral een probleem door de omgeving waarin deze persoon leeft. Het probleem van autisme zit vaak in het samen leven en de situatie. Autisme is dan ook niet voor niets hoofdzakelijk contextblindheid.

De contextuele therapie probeert de context duidelijker te maken voor alle actoren binnen deze context, zodat ze zelf kunnen beslissen of ze met elkaar verder willen of niet. De systeemtherapie geeft inzicht in hoe de relaties met mensen die men nodig heeft kunnen verbeteren, en waar er mogelijks energieslopende relaties afgebouwd kunnen worden. Dat betekent niet dat alle therapeuten in deze richting geschikt zijn in de omgang met dergelijke mensen, maar de therapie heeft alvast meer affiniteit met de cliënt en zal minder tot weerstand leiden.

Mensen kunnen een therapeut vinden van horen zeggen (via via), via de huisarts of het Centrum voor Leerlingenbegeleiding, vanuit de Gouden Gids, via Therapeuten.be, via de Belgische Federatie voor Psychologen, via de Sociale Kaart Autisme, via de Autismetelefoon of door contact op te nemen met Autisme Centraal.

Specifiek voor mensen met autisme die een therapeut contacteren, kan het nuttig zijn om bij de aanmelding al te zeggen dat ze een (vermoeden van) autisme hebben. Het is uiteraard aan de cliënt zelf om dat te doen, niet aan de omgeving. Het kan wel helpen, omdat de therapeut dan meer aandacht zou moeten besteden aan het tempo aanpassen, op papier zetten en duidelijk zijn in communicatie.

Het kan ook handig zijn om vooraleer men op gesprek gaat, telefonisch contact op te nemen en te vragen naar de opleiding, de kostprijs en de werkwijze van de therapeut, om zo al een eerste selectie te maken.  Een eerste verkenning hoeft ook niet meteen een vervolg te hebben. Wie twijfels heeft over de eerste gesprekken, en het gevoel heeft dat het moeilijk zal klikken met de therapeut, kan ondertussen gerust op zoek naar een andere. Na 5 tot 500 gesprekken kan men gerust overschakelen. Een therapeut waar men zich niet 100% goed voelt, heeft weinig zin.

Het is ook belangrijk dat mensen (al dan niet met autisme) het zeggen wanneer de therapeut te snel gaat, wanneer de vragen te moeilijk zijn of gewoonweg onbeantwoordbaar op het moment zelf, wanneer het nut van de vragen of zelfs het gesprek niet duidelijk is. Het kan onderdeel zijn van de therapie te spreken hoe de cliënt het maximum uit de therapie kan halen.

Het is belangrijk op elk moment te zeggen hoe je over een bepaalde situatie, over de therapie, over de therapeut, over de gespreksomgeving, over wat dan ook … denkt, waarneemt. De therapeut is in principe blind voor wat er binnen de cliënt gebeurt, gist ook maar vanuit zijn eigen denken, hoewel hij dat iets beter zou moeten kunnen vanuit zijn opleiding. De therapeut doet zijn best maar kan maar werken op aangeven van informatie van de cliënt. Een therapeut kan ook de problemen niet oplossen, hij kan wel mee helpen zoeken, zoektechnieken aanreiken en mogelijke wegen aangeven. Het is de cliënt zelf die de knopen doorhakt en beslissingen neemt (of net die uitstelt).

Als besluit kunnen we nog eens herhalen dat autisme niet een reden kan zijn om in therapie te gaan. Het zijn de zorgen die de persoon, de cliënt, heeft, die eventueel kunnen voortvloeien uit het autisme, die een reden kunnen zijn. Wanneer de omgeving meer zorgen heeft dan de cliënt zelf, is dat een reden voor de omgeving om op zoek te gaan naar ondersteuning, en kan dat geen reden zijn om de cliënt op therapie te sturen, vermits dit alleen maar geld zal kosten en geen resultaat of een negatief resultaat zal hebben.

De nota’s zijn gebaseerd op een lezing van Thomas Fondelli, psychotherapeut en medewerker Autisme Centraal, bij de Pass-afdeling Beveren-Waas. Het artikel verschijnt met aanvullingen van Thomas Fondelli in een van de volgende nummers van het tijdschrift Autisme van Autisme Centraal.

1 Comment »

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s