Geen woorden voor … drempels in mijn leven

Op sommige momenten bekruipt me de gedachte dat de erkenning van en het bestaan als volwassene draait om taal. Om onze positie in de wereld te vinden, moet er gepraat en geschreven worden. De juiste woorden onthouden, ze gepast weten op te voeren en ze vertalen van de ene context naar de andere.

Problematisch

Mijn verhouding tot woorden is op z’n zachtst gezegd altijd ‘problematisch’ geweest. Hoewel ik tegelijk ook een hartsgrondige hekel heb aan dat veelgebruikte woord en haar afgeleiden, zoals problematiek en probleem. Meestal is het een maatschappelijk verschil dat ter discussie staat en opgelost moet worden. Een brandend en opflakkerend verschil.

Of het gaat om een moeilijke, verdrietige omstandigheid of kwestie. Misschien komt ’t omdat ik altijd al een probleemgeval ben geweest. Blijkbaar nog steeds want van de vierendertig grote problemen die de Dikke van Dale opsomt, erken ik ze bijna allemaal. Geen probleem met probleeminzicht bij deze jongen. Al snel ben ik tot de conclusie gekomen dat alles staat of valt met de al dan niet problematische definitie. En die heb ik in geen enkele probleemsituatie verzonnen. De anderen wel.

In mijn omgang met woorden heeft het om te beginnen een hele tijd geduurd vooraleer ik besefte wat ermee te doen. Laat staan dat ik te weten kwam, dat mij zonder woorden werd verteld wat de bedoeling is van woorden, zeker van de woorden van de anderen. Daar heb ik lange tijd naar staan kijken, hoe de anderen bezig waren met woorden. Hoe ze ervaringen konden delen met woorden. Terwijl ik daarin schromelijk tekort schoot (en nog steeds tekort schiet).

Afkeer van het woordenspel

Het vroegste dat ik me herinner is dat ik afkeer kreeg van het woordenspel. Een immer klaterend, omhoog stuwend, neerstortend, heen en weer flitsend woordenspektakel. Zwijgend, stomverbaasd, later zenuwachtig, nog later stikjaloers en ook verdrietig en boos … stond ik lange tijd aan de zijlijn te staren, te gapen hoe anderen er meteen mee weg waren. Woorden waren overdonderend. En woorden bleken heel erg belangrijk te zijn zonder dat ik het snapte en ze kon produceren. Want hoe begin je en eindig je een woord zonder dat er iets sociaal bij moest ?

Nog wat later, in het revalidatiecentrum als peuter, kleuter en schoolkind, ging ik me fascineren voor woorden. De stem van de spraaktherapeute – dat woord kende ik pas véél later – vond ik prachtig. Ze riep allerlei beelden op met haar stem. Kleuren ook, en geuren, een liedje op de radio, een schilderij met rood, blauw en geel dat thuis aan de muur hing. Heel anders dan de bruine kleuren van de stem van de directeur. Zo gefascineerd was ik, dat ik niet lette op haar wanhopige pogingen mij aan het lachen en aan het spreken te krijgen. Ik zal wel gedacht hebben: laat mij gewoon genieten. Wie weet.

Tegenwoordig fascineren woorden me meer om hun kleur, hun geluid en hoe ze zich vormen in een mond, hun weg zoeken in de ruimte en verdrinken in een andere mond. Starend naar de golvende beweging van lippen, bedwelmd door de klanken en het ritme, wegdromend na een of andere associatie met een ver verleden … ik moet me voortdurend straffen om bij het gesprek te blijven.

Engelachtige stem ontdekt de hemel

Als het even te veel wordt, droom ik daarom weg bij een van de engelachtige stemmen van een cd van de blindenbibliotheek. Momenteel leest ene Margot mij ‘de ontdekking van de hemel’ voor. Het verhaal zelf is natuurlijk ook niet mis. Hoewel het er niet echt toe doet nu, en ik de roman van al voldoende ken om geen verrassingen mee te maken. Maar de stem, de uitspraak, het ritme, de articulatie van elk nieuw woord … geen toepasselijker titel mogelijk voor dit soort sensatie als die van de turf van Harry Mulisch.

Mijn woorden zijn echter niet zozeer gebruiksvoorwerpen maar op de eerste plaats verzamelobjecten. Ik ben een woordverzamelaar. Dat ergert sommige mensen. Of ze begrijpen het niet. Anderen lijken ze vooral te zien als instrumenten in een sociaal spel, mij lukt dat niet. Of toch erg moeilijk.

Het liefst zou ik woorden in een kastje zetten, mijn dagen doorbrengen door ze te bekijken en ze af en toe volledig te ervaren. Zoals een jas die ik een paar keer per dag aantrek om te voelen hoe zacht ze is maar dan veilig terug hangen. Zonde om dat gevoel te laten contamineren door de blikken van anderen op die jas op een feestje of in een of andere openbare ruimte.

Vindplaatsen van woorden

Geschikte vindplaatsen voor woorden zijn er niet zo veel meer. Meestal ga ik op zoek in boeken, blader ik uren in het woordenboek, luister ik naar de woordprogramma’s op een rustige radio, of kijk naar dvd’s over literatuur. Daarmee bouw ik in mijn privéleven een wereld op waarin ik me goed voel.

Het lijkt of ik ze steel van anderen maar eigenlijk red ik ze, geef ik ze hun leven terug, zonder de context echt goed te beseffen, bouw er een wereld mee op die mij beschermt en doet goed voelen, probeer zo goed als mogelijk wat van binnen zit te vertalen naar een niet te schrikwekkend beeld voor anderen.

Waar ik dan weer een afkeer van heb, is die grijze, monotone alledaagse dialoog, die smog die zich vormt tussen pendelaars tijdens de piekuren. De waarde van gesprekken over sport, het becommentariëren van uitslagen, of het geroddel over wat er gebeurt een verdiep hoger of een afdeling verder … ontgaat me, wellicht door een genetische oorzaak.

Woordverzamelaar

Zoals Jean-Baptiste Grenouille in Das Parfum exquise geuren verzamelt omdat hij zelf geen geur heeft, verzamel ik enkel woorden van hoge kwaliteit omdat ik zelf woordeloos ben. Als ik spreek is het enkel om andermans woorden te proeven. Misschien is het daarom dat ik af en teveel klink als het andere geslacht.

Ik kies ook alleen de mooiste woorden, de meest echte, zuivere, authentieke. Alleen die woorden die echt zeggen wat ik bedoel. Die passen bij het ritme van mijn adem en de snelheid & de geur van het bloed dat door mijn aderen stroomt. Geen grijze, dode, sissende, morrende woorden.

Misschien is het ook daarom dat ik een luisterend oor lijk te hebben de ene keer, als ik de congruentie tussen woord & lichaam van de spreker observeer en vervolgens analyseer, en een volgend moment duik in mijn bibliotheek van woorden in welke sector van mijn geheugen ik ze kan situeren. Of ik fluister ze of ik schrijf ze op, vaak stiekem, in een notaboekje, bewaar ze in kasten, bind ze in boeken in, die ik vervolgens koester.

Handicap

Mijn fascinatie, passie, preoccupatie, fiep … noem ’t zoals je wil … voor woorden is in deze samenleving helaas een handicap.

Mensen beschouwen iemand die goed kan praten wel als een volwaardig burger, maar als dat zich uit samen met contextblindheid en alle andere beperkingen die voortvloeien uit autisme, betekent dat in de meeste gevallen een extra handicap.

Als woorden bovendien niet passen bij iemands présence of morfologie of lichaamsuitstraling, is dat nog een extra handicap. Dan lijkt bij hen een gevoel van bedrog & woede te overvallen. Alsof ze bedrogen zijn door de pose van een krankzinnige.

Sommige mensen met autisme hebben dat daarbovenop ook nog niet door, zijn zich daar niet van bewust. Slechts als hun omgeving of een dappere professionele ondersteuner het hen meermaals gezegd heeft, en dan nog, dringt het tot hen door.

En zo is het ook bij mij maar vele jaren te laat tot mij doorgedrongen en ben ik geworden tot wie ik ben. Een savant in woorden, een verzamelaar van zinsneden die ik te pas en te onpas te grabbel gooi. Stilaan probeer ik die taalbeperkingen te erkennen en in deze blog te verkennen.

Een soort messcherp zwijgen

Om eerlijk te zijn had ik liever niet willen spreken. Misschien was ik dan geworden zoals mijn goede vriend Wolf Vandereecken, autistisch en verblijvend in een afgelegen kleine en streng bewaakte wooneenheid in de bossen, die op zijn tweewekelijkse wandeling rond het natuurdomein in de buurt feilloos alle mogelijke geluiden kan detecteren, ze toewijzen aan de juiste bron en er een verhaal bij fluisteren dat zo waar is dat het stil wordt.

Van die stilte hou ik wel, teruggetrokken en muisstil bekijken van woorden als een diamantair zijn ‘steentjes’. Zonder uitspraken te doen. Waardig en bedaard.

Soms kan het niet anders dan uit die stilte te komen. Jammer genoeg is de dwang om te spreken en sociaal te zijn nog te groot. Een zonde van de woorden vaak. Liever bewonder ik ze dan ze te gebruiken. Te meer omdat ik niet het talent heb van een spreker met een fluwelen tong, integendeel, noch het zelfvertrouwen van een kritische geest.

Het enige wat me wel lukt is af en toe, als men mij te snel aan het praten wil krijgen, messcherp uithalen en de vinger op de wonde leggen van arme drommels (meestal hulpverleners met weinig inzicht). Om vervolgens weer in trieste stilte, pijn en spijt te verzinken. Een soort gewonde implosie na een gedwongen eruptie. Het zijn bovendien ook nooit mijn woorden, maar deze geplakt en geknipt uit andere situaties waar ze hun doel dienden. Dit is helaas ook autisme.

Echt maar anders

Er is al eens gezegd dat woorden een teken van intelligentie zijn. Volgens mij is dat niet waar in mijn geval. Het duurt wel een tijd vooraleer iemand door heeft dat ik gewoon woorden verzamel als sigarenbandjes, en in mijn kamertje die netjes naast elkaar zet. In een rijtje. En ze af en toe gebruik om mee naar de bakker te gaan. Of een tekstje te schrijven om te zien of andere mensen nog leven en mijn bijdrage te leveren aan de samenleving. Dat doet niets onder aan de echtheid, maar wel aan mijn ‘schrijftalent’ of begaafdheid. Dat uitleggen, dat is vaak erg moeilijk.

In onze samenleving is het lang zo geweest dat mensen die hun standpunt goed konden uitleggen geloofwaardiger overkwamen. Of dit standpunt nu authentiek, congruent of in sommige gevallen waar was, deed er eigenlijk niet toe. Of minstens: wie een armoedig taaltje gebruikte, was sowieso al uitgeteld. Ook nu nog is dat zo.

Een verwarrend conflict

Onlangs had ik bijvoorbeeld een conflict in de trein. Een verwarde man beweerde dat ik zijn ticket had gestolen en kwam met de conducteur aandraven. Hoewel ik bijna woordeloos werd van de beschuldiging, en lichtjes wit werd, heb ik mijn verhaal gedaan op een ordelijke manier, zonder te veel franjes, en niet verward. Meteen had ik een voorbereid sjabloon voor conflictsituaties op de trein in mijn geheugen gedownload.

De andere man was wel verward, kon me bijna villen maar werd van de trein gezet. Een paar stations verder zag ik zijn ticket een paar plaatsen verder op de grond liggen. Had hij zijn verhaal rustig gedaan, dan had ik misschien zelfs aangeboden mee te zoeken. Was ik zelf aan het stotteren geraakt, dan had de conducteur mij niet geloofd.

Onverstaanbaarheid

Het meest opvallend in de wereld om me heen, is de onverstaanbaarheid van de woorden. Het verbaast me elke dag opnieuw dat mensen in deze tijd überhaupt nog woorden gebruiken. Voor wie in staat is de context te lezen, voor wie volledig contextgevoelig is, moet het toch volstaan om daaruit af te leiden wat de ander, de anderen, bedoelen en van plan zijn ? Tenminste, die pretentie straalt er toch van af.

Mensen zijn volgens mij echter lang niet zo contextgevoelig als we zouden willen geloven. Daarom nog niet zo context blind of bijziend in het erkennen van de eigen of andermans context als mensen met autisme, maar minstens bijziend of slechtziend. En dat weten ze, dat leidt tot de onzekerheid waardoor ze elke dag opnieuw de nadruk erop leggen toch te kunnen communiceren, zich ervan te vergewissen dat men elkaar verstaat.

Elke dag proberen mensen een gat bij elkaar te maken. En dat gat noemen ze dan contact. Terwijl ik dat pijn noem. Wie een gat in mij maakt doet mij pijn. Maar mensen lijken van allerlei pijn te houden, dat lijkt het leven zelve te zijn.

Onzekerheid tegenover liefde

Dat getuigt volgens mij van onzekerheid van hun eigen bestaan, dat neurotypicals al eeuwen met een meerderheid in een virtuele realiteit leven. Zonder te beseffen dat steeds meer mensen zich uit die luchtbel afsplitsen. Die toename van de ‘outlanders‘ zal wellicht niet stoppen, en leiden tot meer en meer diagnoses. Tot de neurotypische aandoening zelf een diagnose zal zijn. Die evolutie maakt mensen bang en doet hen telkens nieuwe woorden uitvinden om met deze bedreiging om te gaan.

Tegenover deze onzekerheid probeer ik een rustige vastheid te behouden. Dag en nacht op tocht om woorden te rapen, te verzamelen, in containers te steken, te benoemen. Dag en nacht uitzaaien op witte velden, mijn liefde ermee uiten en delen, mijn wereld ermee maken en vermaken, en af en toe naar de bakker gaan. Een mens moet immers ook eten. Van een woordeloos leven soms. Want het laatste woord komt altijd toe aan het lichaam, dat van mij en wie mij lief is. Van liefde en van voedsel. En daar zijn geen woorden voor.

 

De zesde van elke maand probeer ik telkens op een drempel in te gaan en hoe ik het tot iets positiefs of bruikbaars probeer te maken. Dit draait het rond woorden.  Soms schieten woorden tekort om ervaringen te delen. Dat ervaar ik elke dag. Vaak lijken woorden ook een andere functie en betekenis te hebben dan de mensen om me heen. Dat vergemakkelijkt de communicatie niet, maar toch blijven woorden me fascineren. Op een manier waar geen woorden voor zijn. 

2 Comments »

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s