Het Laatste Woord

Het laatste woord willen hebben. Doorgaan tot het einde, of minstens tot het gelijk. Altijd denken het antwoord te hebben. Zodra iemand er anders over denkt de mening van een ander als een aanval zien en niet langer vatbaar zijn voor een redelijk gesprek.

Of minzaam doen en op ‘beleefde wijze’, soms gespekt met citaten van wetenschappers & filosofen, uitleggen waarom de ander zich laat misleiden, een mening laat inpraten die niet de juiste is.

Het laatste woord … autistisch ?

Er is veel waar ik aan kan wennen maar niet aan mensen die het laatste woord willen hebben. Ook bij mezelf probeer ik ’t vermijden, zo sterk zelfs dat ik sommige gesprekken afbreek of anderen gelijk geef, uit schroom dat het zou lijken of ik het laatste woord zou willen hebben.

Het laatste woord zou nochtans veel toegeschreven worden aan mensen met autisme. Meer zelfs, het zou, volgens het Nederlandse Landelijk Netwerk Autisme, een van de vormen van sociaal onaangepast taalgebruik zijn en geassocieerd worden met autisme.

Blijven hangen in het eigen verhaal

Onder die term valt bijvoorbeeld beperkte wederkerigheid in het gesprek, moeite om bij het onderwerp te blijven, verstrekken van informatie die niet afgestemd is op de luisteraar, afwijkende communicatievormen of stijlen, blindheid voor sociale codes in gesprekken, blijven hangen in het eigen verhaal en er niet in slagen het eigen handelen te sturen met innerlijke taal.

Voortdurend het laatste woord willen hebben zou ressorteren onder ‘blijven hangen in het eigen verhaal’, naast eindeloos en grenzeloos discussiëren, steeds verbale strijd voeren vanuit persoonlijke perceptie, en alsmaar doorgaan over één detail, los van sfeer, situatie en/of persoon. Allemaal erg herkenbaar in mijn geval, vrees ik, maar ik probeer er iets aan te doen.

Het laatste woord op publieke fora

Toch komt het laatste woord willen hebben volgens mij ook vaak voor bij anderen, niet-autistische mensen.

Zo zijn er de meer (verbaal) begaafde mensen met een moeilijk temperament die tevens de onhebbelijkheid hebben voortdurend de daden van anderen te analyseren en inconsequenties in denken en handelen scherp aan te tonen.

Maar de chronisch ontevredenen hoeven niet voor hen onder te doen. Zij uiten zich op fora of in kroegen waar maatschappelijke alcoholgebaseerde drugs verkocht worden.

Tijdens het verbruiken wentelen ze zich in onmogelijke discussies over ridicule thema’s, vaak uit de (partij) politiek of naar aanleiding van een of ander bizar wetenschappelijk onderzoek. Ze gooien alles door elkaar en als ze al tot een analyse komen, is die amper zinnig en leidt dit, altijd toevallig, lijnrecht naar hun eigen gelijk en naar de intellectuele oneerlijkheid of fysieke luiheid van anderen.

De minder snuggere proberen door reacties op online krantenartikelen of blogs hun gram te halen, of schrijven ze eenvoudigweg zelf. Hetzij op blogs, waarbij ze dan, in tegenstelling tot uw dienaar, alle reacties wissen die hen niet zinnen of die hen niet het laatste woord gunnen. Hetzij als journalist en dan worden er dan nog voor betaald ook.

Een derde groep mensen die altijd het laatste woord willen hebben vind ik nog lastiger om mee te gaan.

Het zijn vaak mensen die moeilijk met (legitieme) kritiek om kunnen of geprikkeld reageren op advies dat niet past in hun kraam. Het zijn evenmin enthousiastelingen van organisatorische of huishoudelijke democratie.

In het gezelschap van zulke mensen heb ik weinig zin te discussiëren omdat het meestal toch eindigt met een of ander autoriteitsargument of termen als ‘respect’ of ‘verantwoordelijkheid’ (die zij uiteraard invullen naar eigen goeddunken).

Manieren om het ergens niet mee eens te zijn

Over het algemeen vind ik het niet gemakkelijk om het op een ‘gepaste’ manier ergens niet mee eens te zijn.

Mijn eerste reactie is stil te laten weten dat ik het niet eens ben, en dan te zwijgen en me neer te leggen als een meerderheid mijn idee niet genegen is. In het geval het onderwerp me erg persoonlijk aangaat, neig ik tot het andere uiterste, volhardend in discussie gaan.

Als ik echt veel energie heb, doe ik ’t natuurlijk volgens het boekje, meer informatie vragen, zelf verduidelijken waar ik naartoe wil. Maar rationele argumenten volstaan meestal niet. En soms klopt mijn analyse ook niet, iedereen kan zich vergissen. Al stoort ’t sommige mensen dat elke betrokkene zijn of haar mening geeft, dat duurt te lang en zou wel eens hun kromme gedachten aan het licht brengen.

Autistische aspecten aan het laatste woord willen hebben

Het laatste woord willen hebben wijst volgens mij wel op een aantal autistische kenmerken.

Starheid of vastberaden, egocentrisme (vooral je eigen standpunt zien), moeite met begrenzen (geen punt zetten, doordrammen) en denken in termen van recht & onrecht waardoor het gesprek of de discussie emotioneler wordt zijn daar enkele van.

Ook het gevoel te vechten tegen de bierkaai lijkt bij veel mensen met autisme een drijfveer om het laatste woord te willen hebben. Dat gevecht gaat dan vooral om wat zij belangrijk vinden.

Misschien is het een combinatie van fixatie op het inhoudelijke – en taakaspect enerzijds en anderzijds een contextblindheid voor het procesaspect en de sociale signalen van de omgeving, dat het genoeg geweest is. En daarnaast de overtuiging niet aardig gevonden moeten worden door anderen, zolang je maar gelijk krijgt op inhoudelijke principes.

Ook wat Uta Frith beschrijft als het ontbreken van een ‘innerlijke directeur’ komt volgens mij voor bij mensen die het laatste woord willen hebben. Als die sturing van binnenuit, die zelforganisatie, een beperking is, wordt het moeilijk om niet in extremen te vervallen.

Dat komt uiteraard ook bij anderen voor. Geen enkele vorm van menselijk gedrag is mensen met autisme vreemd, alleen komt ’t bij anders in een andere vorm, gradatie, uiting en dimensie voor.

Geen maat kunnen houden in wat enthousiasmeert

Volgens mij komt ’t vooral tot uiting in een beperking tot maat houden, de schaduwkant van gedrevenheid. En het gaat ook samen met moeite om afstand te nemen tegenover wat enthousiasmeert, moeite met temperen, zeker tegenover wie als bovengeschikte onterecht autoriteit pretendeert.

Als ik zelf de neiging voel om het laatste woord te moeten hebben gaat dat samen met een opwinding, zenuwachtigheid omdat er iets op het spel staat, een belangrijk principe of een reputatie op een bepaald kennis – of vaardigheidsgebied. Zeker bij gesprekken die emotioneel geladen zijn, waarbij het gaat om ideeën waarmee ik me volledig identificeer. In zulke situaties voel ik me snel afgewezen, niet beluisterd en alleen staan. Soms is dat een onterecht gevoel van mij, maar zelfs in dat geval geven mensen zelden duidelijke signalen dat ze begrepen hebben wat ik gezegd heb.

Mettertijd een keuze voor het adagio ‘choose your battles’

Mettertijd ga ik steeds minder in zulke discussies mee, want het is verloren energie, en ik heb er vaak spijt van het laatste woord gewild te hebben. Of ik hanteer het adagio ‘choose your battles’ en op langere termijn te denken. En niet te denken dat mensen mij onrecht aandoen.

Mettertijd vind ik aardig gevonden worden en de relaties met anderen ook veel belangrijker dan inhoudelijk of principieel gelijk krijgen. Mettertijd heb ik mijn focus van functioneren met mezelf als centrale punt naar het functioneren van en met anderen verlegd. Het heeft mijn leven veel vergemakkelijkt.

Een andere kijk op de situatie

Als mij nog verweten wordt het laatste woord te willen hebben, is dat vooral omdat ik een andere kijk op allerlei situaties heb dan anderen, vooral dan neurotypicals. Wat ik als belangrijk beschouw wordt doorgaans door neurotypicals als kommaneukerij of onzin beschouwd.

In tegenstelling tot sommigen beweren gaat het niet volgens mij niet om een machtskwestie, maar om conventies waar mensen met autisme, zoals ik, van afwijken, elk op hun eigen manier. Het belang van de inhoud valt altijd in het niets tegenover het belang van gedragsnormen die neurotypicals als meerderheid opleggen.

Gelijk willen krijgen zonder de gedragsnormen te respecteren is dus verloren energie en wordt als storend ervaren. Bovendien zijn mensen met autisme verantwoordelijker voor wat ze belangrijk vinden, en willen ze daarin heel consequent zijn. Terwijl neurotypicals consequentie eigenlijk niet interesseert.

Opinies, chimpansees en neurotypicals

In situaties en discussie waarin ik vind dat mijn opinie belangrijk is, geef ik ze meestal in een eerder stadium te kennen, dus voordat er consensusvorming gebeurt. Soms zet ik ’t op papier, of probeer in een gesprek vooraf te peilen wie welke mening heeft, en met wie ik een coalitie kan sluiten.

In de sociale vaardigheidstraining leerde ik immers dat chimpansees alleen overleven als ze coalities sluiten. Aangezien chimpansees en neurotypicals veel gemeen hebben (en autisten iets minder door het genetische aspect van autisme) lukt dat meestal.

Nadat de consensus bereikt is, probeer ik mijn mond te houden, en mee te gaan in de coalitie. Dat is moeilijk, maar soms is voor het een of twee na beste te gaan toch nog meer dan de moeite waard. En, heb ik geleerd uit verhalen over chimpansees, de coalitie breken kan leiden tot levend gevild worden.

Het lastige is wel te zien wanneer de consensus over wie gelijk heeft zich vormt en wanneer ze gevormd is. Het kan best zijn dat niemand erom maalt zijn energie te steken in het ter discussie stellen van iets vanzelfsprekend.

Vergaderen … lastig

In een vergadering van veel personen wordt het nog lastiger. Samen komen met een groep mensen die elk hun eigen agenda hebben, meestal niet zeggen wat ze eigenlijk bedoelen, bezig zijn met een proces dat al een hele tijd aan de gang is, en leidt naar wat soms al beslist is door enkele deelnemers.

Het is, in elk geval voor mij, ook in een ‘goede georganiseerde vergadering’ nooit echt duidelijk of agendapunten ter informatie zijn, of er gevraagd wordt om feedback, of ze bedoeld zijn om te inventariseren of tot een concrete beslissing te komen.

Het is evenmin eenvoudig om tegelijk de inhoudelijke informatie te volgen, de motieven van de deelnemers, de intentie van hun boodschappen, de verhouding van de deelnemers tegenover elkaar en tegenover wat ze elk op hun gebied hebben gedaan, het doel van het onderwerp en de veranderingen in de spelregels en machtsverhoudingen te overzien. Wat wel verwacht wordt van wie in een vergadering deelneemt, en zeker van wie ze voorzit.

Net als in gesprekken met meerdere personen loop ik achter de feiten aan, breng ik mijn inbreng te laat, wordt ik verrast door het tempo of verdwaald wanneer voor de zoveelste keer een zijweg wordt ingeslagen. Volgens mij heeft dat te maken met contextblindheid, een blinde vlek over het detecteren van wat plaats vindt, en snelheid van informatie verwerken, om in te spelen op die steeds wijzigende context.

Vragen naar overzicht of een samenvatting als er beslist is

Op momenten dat ik me verdwaald of verrast voel, stel ik meestal de vraag naar een overzicht of, als er een consensus buiten mijn inbreng is of als er een besluit blijkt genomen te zijn, een samenvatting van wat beslist is. Het hangt van de soort vergadering af, en of het besluit erg afwijkt van mijn opinie, of ik dan nog mijn mening laat horen.

Het vertraagt immers het proces van vergaderen, en meestal ben ik wel blij met het genomen besluit. Als er een besluit genomen is waar ik niet mee eens ben, voelt ik wel een drang (dwang) om toch nog tussen te komen. Als ik dan zwijg, dan zit er een flinke tijd nadien nog mee. Het is dus vaak sterker dan mezelf. Iemand noemde het onlangs mooi ‘een bovenpersoonlijk, heilig moeten zelfs’.

Of … gewoon niet meer deelnemen

Als te vaak voorkomt dat ik niet wordt aangesproken of niet aan bod kan komen, betekent dit vooral dat ik daar niet op mijn plaats zit, en ga ik niet meer naar de vergaderingen.

Het is immers de taak van een voorzitter en van wie de vergaderingen organiseert om iedereen in de bijeenkomst aan bod te laten komen. En het heeft geen zin om ergens aanwezig te zijn waar het zonder mij kan. Mezelf bereid tonen tot inbreng, duidelijkheid vragen, en vervolgens beslissen wat ik ermee wil, vind ik mijn voornaamste verantwoordelijkheid in vergaderingen die ik bijwoon.

Autistisch gedrag, betweterij of gewoon lastig karakter ?

Is de indruk van sommige mensen dat altijd het laatste woord willen hebben autistisch gedrag inhoudt dan juist ? Toch niet helemaal en niet altijd. Zelf heb ik vooral moeite om me in een gesprek te meningen omdat ik qua timing meestal net of veel te laat ben. Tussen het moment dat ik een behoefte ervaar om in een gesprek iets te zeggen en het ogenblik dat ik mijn antwoord geformuleerd heb is het ‘momentum’ immers allang voorbij.

Heeft ’t dan meer te maken met betweterij ? Misschien wel. Als pur sang betweter, weliswaar zonder Asperger, oefen ik wel graag in het gelijk geven. In die zin is altijd het laatste woord willen hebben niet zozeer autistisch, vermoed ik, maar eerder iets dwangmatig. Het is dus een groeiproces.

Naast een stukje contextblindheid en wat dwangmatigheid is het laatste woord willen hebben volgens mij ook tenslotte ook een stuk ongeduld. Ongeduld om evoluties te zien, bij mensen of in organisaties die uiteindelijk, op langere termijn, toch komen waar het gelijk zich bevindt.

Van gelijk willen krijgen naar minderheidsinvloed die leidt tot groei

Het is dus eerder de kunst energie te sparen voor de marathon. Het is ook de kunst de (eerder destructieve) vraag ‘ik krijg geen gelijk en wil ’t omdat ik gelijk heb’ te activeren tot ‘ik heb op dit moment een minderheidsstandpunt dat het geheel verbetert, hoe kan ik mijn ervaringen delen met anderen zodat het ook deels of helemaal ingang vind bij wie beslist ?’.

Dat heet minderheidsinvloed in een geleidelijk evoluerend groeiproces, zowel tussen personen als binnen systemen, en is volgens mij het andere uiterste is van telkens het laatste woord willen hebben. Want zit de grote verandering net niet in ontelbare kleine veranderingen ?

4 Comments »

  1. Als soms de twijfel toeslaat in verband met wie en wat ik ben. Dan wordt door het lezen van Tistjes blog die twijfel altijd weggenomen ,om dan weer te eindigen in een diepe zucht………..

    Like

  2. Wij hebben een excuus als het gaat om “het laatste woord hebben”, vanwege alles wat je opgesomd hebt en dat zijn dan nl. onze beperkingen die vast hangen aan het autisme.

    Maar welk excuus hebben die ontelbare nt-ers?

    Dat van die chimpansees deed me glimlachen. Ik heb altijd wel gedacht dat wij niet van die groeps’apen’ afstamden. Eerder van orang-oetangs, volgens mij. Die leven hoofdzakelijk heel hun leven alleen. Geen drang naar groepsgebeuren.

    Groetjes

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s