Het gebeurt wel eens dat mensen een aantal van hun eigen karaktertrekken in beschrijvingen over autisme herkennen. Mensen zijn te sterk geneigd daarin patronen te herkennen en tot een aantal merkwaardige afleidingen te komen. Dat zij (een beetje) autisme hebben. Dat iedereen (een beetje) autisme heeft. Ik probeer dat positief te bekijken: het betekent immers vaak ook dat iedereen een beetje gewoon is. En ik dus ook.
Mijn oudste kleinzoon is geen gewone jongen. Hij heeft geen taal. Hij is niet doof, hij kan wel woorden nazeggen, sommige woorden begrijpt hij ook wel, maar we weten niet of hij daarmee denkt zoals wij dat doen. Hij leeft in een eigen wereld, maar is geen ‘echte autist’, want hij toont allerlei soorten van positieve betrokkenheid op zijn omgeving. Wat hij wel is of heeft is nooit benoemd. Bunna Ebels – Hoving in Geschiedenis als metgezel: confrontaties met een vak 1950-2010 (Uitgeverij Verloren b.v.)