Spring naar inhoud

Tag: boek

‘Ik kan zijn wie ik wil’

Onlangs ben ik uitgenodigd op de avondlijke voorstelling van het debuut van Peter Vercauteren, een man met autisme, Ik kan zijn wie ik wil (uitgegeven bij Houtekiet). Een verzorgde avond overigens, georganiseerd door Liberales in het Liberaal Archief in Gent, met receptie en een panel met ondermeer ook Cis Schiltmans(van de VVA), Saskia Grauls (moeder van een jonger kind met autisme) en Marleen Vanderpoorten (volksvertegenwoordiger). Enkel de zintuiglijke atmosfeer en vooral het licht in de zaal was ronduit verschrikkelijk. De mysterieuze titel In zijn debuut beschrijft Peter Vercauteren in 25 stukjes,… Read more ‘Ik kan zijn wie ik wil’

Brein bedriegt

Brein Bedriegt is geschreven door orthopedagoog Dr. Peter Vermeulen en geef een mooie introductie in het autistisch denken & gedrag. Het boek is vlot leesbaar, ligt goed in de hand en telt elf hoofdstukken en 127 pagina’s. Onlangs is een opgefriste editie verschenen.

In ‘als brein bedriegt’ wordt ingegaan op het bedrog dat veel mensen ervaren als het gaat om autisme (h)erkennen. Mensen met autisme zijn meesters in het camoufleren en compenseren van hun beperkingen, waardoor hun mogelijkheden ook af en toe in de mist gaan.

‘Als autisme niet op autisme lijkt’, het tweede hoofdstuk, gaat dieper in op dat vat van tegenstrijdigheden, dat mysterie, dat ‘autisme’ is voor sommige mensen. Dat louter autisme is dan ook niet direct zichtbaar of herkenbaar. Wie autisme herkent, ziet meestal de ‘co-morbide’ of toegevoegde beperkingen. Het komt voor op alle intelligentieniveau’s.

Een andere reden waarom louter autisme zo verwarrend is, ligt volgens Vermeulen in de criteria die we gebruiken om te beoordelen hoe goed iemand functioneert.

De verschillen met het beeld dat mensen hebben van ‘klassiek’ autisme, de compensatie en camouflage, het disharmonisch vaardigheidsprofiel, een grote continuüm van gedrag naargelang de stress & situatie … het is niet eenvoudig om autisme op te merken.

In zijn vierde hoofdstuk ‘als autisme Asperger’ noemt gaat Vermeulen dieper in op het Aspergersyndroom. Hij merkt op dat er meer gelijkenissen dan verschillen zijn met autisme, en vraagt zich af of onderscheid wel zo zinvol is. De auteur vergelijkt Asperger en Autisme met een eeneiige tweeling.

‘Als sociale relaties eerder intellectueel dan emotioneel zijn’, zoals ingeval van autisme dat niet op autisme lijkt, wordt het ingewikkeld. De stoornis in de omgang met anderen kan heel wat vormen aannemen, ook binnen één persoon.

Het is voor een aantal van deze mensen met autisme ook een evenwichtsoefening in energiebesteding aan sociale relaties en anderzijds toegeven aan de drang (en soms dwang) om geliefde interesses en activiteiten te doen. In ‘als interesses en activiteiten niet beperkt maar beperkend zijn’ gaat de auteur hier dieper op in.

Een langer hoofdstuk wijdt Peter Vermeulen aan de buitengewone benadering die het louter autisme vraagt. Vermeulen legt daarbij de nadruk op begeleiden, niet dirigeren. De auteur pleit dan ook voor een totaalbenadering en ondersteuning op maat. Het heeft volgens hem geen zin om op basis van details mensen met autisme te classificeren of te willen helpen. Dat noemt hij een ‘autistische zienswijze’.

“Is er wel een gewaardeerde plaats voor mensen met autisme en een normale begaafdheid in deze wereld” vraagt de auteur zich af aan het einde van dit boek. Vermeulen ziet (of liever: zag in 1999, toen dit boek uitkwam) het antwoord daarop vooral afhangen van de manier waarop de samenleving met de handicap die mensen met autisme hebben omgaat.