Een citaat van Gail Saltz in The Power of Different: the link between disorder and genius (Flatiron Books, 2017) over de plaats die schema’s en andere hulpmiddelen innemen en de 20/80-regel in verband met evenwicht tussen problemen en beperkingen aanpakken en sterktes en talenten (helpen) ontwikkelen.
Je mag gerust zijn: de soep wordt niet zo heet gegeten als hij opgediend wordt. Al sinds een jaar of twintig krijg ik die tegeltjeswijsheid regelmatig te horen. Maar klopt dat wel? In deze blog ga ik verder in op deze ‘wijsheid’ en waarom ik er mijn twijfels bij heb.
Het is telkens een eer en plezier te mogen spreken voor een groep geïnteresseerde mensen met allerlei vormen van betrokkenheid met (mensen met) autisme. Zo sprak ik onlangs voor een regiowerking van de Vlaamse Vereniging Autisme rond het onderwerp ‘autistisch denken’. Vanuit het perspectief van geïnteresseerde liefhebber met ervaringen en enige kennis. Op vraag van het publiek geef ik hieronder de presentatie, en een korte samenvatting van wat gezegd is.
Vlak na de aankondiging van een voordracht die ik geef voor een regio van de Vlaamse Vereniging Autisme, rond ‘autistisch denken’, stuurde Joris, geabonneerd op Tistje, mij een mail. Joris schreef dat hij zelf autisme heeft, en de aankondiging heeft gelezen. Vooral de laatste zin, of mensen met autisme anders denken dan mensen zonder autisme, integreert hem. ‘Ik kom wel eens tegen dat je als autist een andere blik op de samenleving zou hebben, kritischer zou zijn, en daardoor buiten de hokjes zou denken. Of dat ik door mijn autisme ‘anders’ zou zijn. Maar wat wordt daar dan mee bedoeld? Als ik andere autisten ontmoet, merk ik daar ook niet echt iets ‘anders’ aan. Denken en zijn mensen met autisme echt zo anders? Hoe zie jij dat?’ In deze blog probeer ik daar een zo genuanceerd mogelijk antwoord op te geven vanuit eigen ervaring en verwijzing naar onderzoekers.
Een reactie op het opinieartikel van ene Izz ad-Din Ruhulessin (een nobele onbekende voor mij) dat gaat over wat hij neurodiversiteit en autisme noemt. In deze blog vanuit mijn eigen persoonlijke ervaringen (die uiteraard zijn wat we zijn) een poging om wat nuance aan te brengen.
Nummer vierenveertig in de reeks van 1000 vragen aan jezelf-blogs. Wat er meer gepast is in een urinoir: naar beneden kijken of een praatje maken met de persoon die naast je staat te plassen. Wat volgens mij een redelijk bedrag zou zijn van het losgeld mocht ik gekidnapt worden. Of ik veel hoogtepunten zou willen meemaken als dat zou samen gaan met veel dieptepunten. Met wie ik onlangs een leuk gesprek heb gehad. Als tijd geld is, wat dan de waarde van een dag is. Welk liedje ik voor het laatst heb gezongen. Of ik bij een kroegtwist de flessenwerper of de stoelkraker zou zijn. Of ik op het vliegtuig liever naast een obees persoon of naast een praatvaar zou zitten. Of ik wel eens een lange wandeling op mijn eentje maak. En tot slot wat ik zou bestellen voor mijn laatste avondmaal.
In het artikel ‘Just because I’m autistisc doesn’t mean I don’t empathize’ dat donderdag verscheen in de Chicago Tribune schrijft Alaina Leary hoeveel schade ze ervaren heeft van de ‘mythe’ dat empathie en autisme elkaars tegengestelden zijn. Ze beschrijft dat ze wel vaak niet weet hoe emoties, vriendschap, partnerschap in de juiste/passende mate en juiste/passende context te zien. In deze blog schrijf ik een vrije vertaling/eigen lectuur van het artikel.
Een kort leesverslag van het boek ‘Autisme is niet blauw. Smurfen wel: politiek incorrecte verhalen over autisme’ van Peter Vermeulen (Autisme Centraal). Waarin Peter Vermeulen onder andere de diagnostische inflatie hekelt en onder andere pleit voor een streven naar neuroharmonie: al de verschillende breinen met elkaar in harmonie brengen in functie van levenskwaliteit en geluk. Een vlot leesbaar, mooi gelayout, inspirerend en vaak humoristisch geschreven boekje.