Het verhaal van Monique

Een oudere vrouw zit ontspannen op een bed in een lichte kamer, met een kopje thee en boeken om haar heen. Achter haar staat een schildersezel met een canvas.
(c) Sam Peeters, 2026

Mijn theekopje staat een vingerbreed van de rand van de vensterbank. Elke ochtend. Robert schoof het vroeger weleens een stukje op, gewoon om te kijken hoe lang ik het volhield. Niet lang.

Hij is nu elf jaar dood. Twaalf in maart. Het kopje staat er nog steeds.

Als we vroeger op zondag familie over de vloer kregen, zat ik in de linnenkast. Dan zaten er twaalf man in onze kamer, de radio aan, en mijn oom Henk die zo lachte dat je het in de keuken nog hoorde. Ik zat tussen de lakens tot iemand me kwam halen. Meestal mijn moeder. “Monique toch. Wat moeten de mensen wel niet denken?” Geen idee wat de mensen dachten. In de kast rook het naar zeep en vroeg niemand iets, meer wist ik niet.

Dat ik autistisch ben, weet ik pas sinds mijn eenenzeventigste. Een psychiater in Utrecht heeft het me verteld, een aardige jonge vrouw. Ze had sokken met kersen erop, dat weet ik nog. Thuis ben ik in de auto blijven zitten, op de oprit, tot het donker werd. Ik was niet verdrietig of zo. Ik zat alles terug te spoelen. Dat duurt even, met zo’n heel leven.

Robert vloog bij de KLM, als steward. Kwam hij terug van een lange vlucht, dan lag ik vaak boven met de gordijnen dicht. Hij zette zijn koffer in de gang en kwam bij me op de rand van het bed zitten. Een keer zei hij: “Pas op dat je jezelf niet inmetselt. Straks weet niemand meer dat je er nog bent.” Ik heb die hele avond niks meer tegen hem gezegd. Achteraf had hij gewoon gelijk, maar dat heb ik hem nooit verteld.

Ik ben zevenenzeventig nu en het gaat allemaal wat minder. De supermarkt op zaterdag doe ik niet meer. De bel van de buren, iemand die in het trappenhuis staat te stofzuigen, de tv van hiernaast: vroeger ging dat langs me heen, nu blijft het in mijn hoofd zitten. Op een slechte dag zet ik de bel uit en laat ik de gordijnen dicht. Maar nooit twee dagen achter elkaar, dat heb ik met mezelf afgesproken. Als ik eenmaal binnen blijf, kom ik er niet meer uit. Zo ken ik mezelf wel.

In de straat zie ik wat er met de anderen gebeurt. Meneer Visser van nummer veertien moppert over alles. De gemeente, de jeugd, de prijs van een busticket, terwijl hij nooit met de bus gaat. Mijn buurvrouw loopt op dinsdagochtend naar de glasbak, altijd vroeg, met een tas die rinkelt. Voor iemand alleen zijn het er veel. Jeanine van drie hoog zei laatst bij de bakker dat ze haar wat haar betreft mogen komen halen. Ze lachte erbij. Ik geloof dat ze het half meende. Haar broer verft zijn haar en loopt op van die witte sportschoenen, en als de dokter over zijn hart begint, hoort hij het niet.

Ik ga daar niet over oordelen. Ik heb zelf ook avonden gehad met een pak stroopwafels voor de tv, en de volgende dag wist ik niet meer wat ik gekeken had.

Wat voor mij helpt, is kunst. Ik zeg het maar zo, al klinkt het deftiger dan ik bedoel.

Twee keer per jaar ga ik mee met een busreis. Florence, Wenen, in april Colmar. Alles is geregeld, hotel, tijden, alles. Ik zit voorin met mijn oordopjes. De eerste avond zeg ik tegen de reisleider dat ik ’s middags liever alleen eet. Die eerste keer keek ze me aan alsof ik iets raars vroeg, inmiddels weet ze het. Er zijn altijd een paar mensen in de groep die me een stijve tante vinden. Ik zie het ze denken. Prima.

In een museum is het stil, of in elk geval stiller. Ik kan twintig minuten bij één schilderij blijven staan. In Wenen stond er vorig jaar een man naast me, ook alleen, ook al een hele tijd. Na een kwartier of zo wees hij naar een hondje links onderin dat ik over het hoofd had gezien. Ik knikte. Verder niks. Ik moet er toch nog vaak aan denken.

Op maandag heb ik kunstgeschiedenis bij de volksuniversiteit, en sinds september ook een cursus over architectuur. Ik zit altijd op dezelfde plek, derde rij, bij de deur. Iedereen kijkt naar voren en het gaat over gebouwen, niet over heupen en kleinkinderen. Soms praat ik na met de docent, of met een man die alles weet van glas-in-lood. Een kwartiertje. Dan ben ik op.

’s Middags van twee tot vier schilder ik. Mijn ezel staat achter in de kamer, de penselen in potjes, op maat. Ik probeer dingen na te maken die ik op reis heb gezien, een kloostergang, licht door een raam. Vaak wordt het niks. In de berging staat een stapel doeken die niemand te zien krijgt. Maar als ik aan het mengen ben, ben ik nergens anders mee bezig. Dat is al wat.

Sommige weken lukt er weinig. Dan sla ik een les over omdat ik de bus niet trek, of staat de ezel drie dagen stil. Mijn nicht belt dan en ik zeg dat het goed gaat. Ze gelooft er niet veel van.

Morgen is het maandag. Mijn tas staat al bij de deur. Schrift, twee pennen. Eentje doet het namelijk niet altijd.

Geef een reactie