‘Er is niks’ — een non-fictieroman … een leesverslag
Over de non-fictieroman van Elisabeth Lucie Baeten
Op mijn terras, in de schaduw, met een kruik koud water, bij een temperatuur die tegen de dertig graden aanschurkt, lees ik Er is niks: een non-fictieroman van Elisabeth Lucie Baeten, auteur, scenarist en onlinemediafenomeen.
De wind blaast door de bladzijden en op de achtergrond leveren werklieden een luidruchtige race tegen de klok om een nieuwbouw af te krijgen vóór het bouwverlof van half juli.
Een potentieel overprikkelende setting, en toch las ik dit boek in één ademtocht uit. Het laat zich niet in één hokje duwen: het beweegt heen en weer tussen de rauwe medische werkelijkheid en de dwingende verwachtingen waaraan we ons menen te moeten aanpassen.
Een titel die eigenlijk een verwijt is
De titel is geen understatement, maar een aanklacht. Er is niks is wat Baeten keer op keer te horen krijgt van artsen die haar zeer reële, fysieke pijn wegwuiven. “Er is niks écht mis. Je hebt gewoon stress.” Het verdict dat de auteur jarenlang te horen krijgt, en dat de titel zijn wrange lading geeft.
Als er op een scan, in een bloedtest, met een klinische blik, niks te zien is, dan is er blijkbaar niks aan de hand — en dus zit het “tussen de oren”. Die redenering, dat de afwezigheid van een verklaring hetzelfde is als de afwezigheid van een probleem, loopt als een breuklijn door het boek. Wie zelf ooit in een spreekkamer heeft gezeten met klachten die niet in een protocol pasten, herkent die denkwijze. Niet onbegrip van de samenleving of eigen gevoelde pijn is het pijnlijkst. Niet gezien worden is de ergste soort pijn, bovenop de pijn zelf.
Het lichaam dat niemand gelooft
De fundering van dit relaas is verrassend lichamelijk. Baeten schrijft jarenlang gebukt te gaan onder slokdarm-, maag- en darmklachten, een fistel en uiteindelijk adenomyose — door haarzelf droogjes omschreven als de honkvastere zus van endometriose.
Ze beschrijft hoe ze zich tijdens onderzoeken gereduceerd voelt tot een voorwerp op een tafel, en hoe de erkenning telkens uitblijft. Dat maakt het boek eerst en vooral een verslag van een medische lijdensweg, en pas heel laat een boek over autisme. Die volgorde is geen toeval: de klachten waren er lang voordat er een woord voor bestond, en het uitblijven van erkenning bracht haar minstens zo veel schade toe als de klachten zelf. Misschien is autisme ook maar één van de verklaringen, of wordt het boek geschreven vanuit een manier van denken die op het einde, niet echt onlogisch volgens mij, bevestigd wordt. Ik vind trouwens niet dat Baeten alles vanuit haar autismediagnose beschrijft, integendeel, ik had zelfs even de indruk dat de autismediagnose buiten het boek zou vallen.
verlies als onderstroom
Onder de medische verhaallijn ligt een voortdurend terugkerend verlies. De vroegtijdige dood van haar achttienjarige nicht Katrin is het trauma dat het hele boek kleurt. De confrontatie met die definitieve eindigheid slaat om in acute angst en chronische hyperventilatie.
Baeten legt geen mechanisch verband tussen rouw en lichaam, maar laat de lezer voelen hoe het één in het ander overloopt — hoe verdriet zich nestelt in een borstkas die niet meer wil ademen. Zelfs haar taal voor die neerslag is veelzeggend en licht spottend. ‘Wanneer ze schrijft over de depressie die zich na Katrins dood installeert, klinkt ze veelzeggend en licht spottend: “Neerslachtigheid… Een vreselijk woord, dat doet denken aan het weerbericht.”
Dubbelstem: schitteren terwijl je instort
Het sterkste van dit boek is de kloof die het blootlegt tussen de buitenkant en de binnenkant. Baeten leeft in wat ze zelf een soort dubbelstem noemt.
Terwijl ze postoperatief vergaat van de pijn en op morfine draait, dwingt ze zichzelf in een strakke tailleriem om signeersessies te doen en op televisie te verschijnen. Op een moment dat therapie en rust het verstandigere pad waren, doet ze mee aan Dancing with the Stars. “Jullie weten ook dat ik voor de optie met de meeste glitters ben gegaan.”
Dat voortdurende camoufleren, dat scannen van wat anderen van haar verwachten, vreet al haar energie op. Voor veel autistische lezers zal dit het meest herkenbare deel zijn: de uitputting die niet uit de taken zelf komt, maar uit de permanente vertaalslag naar een buitenwereld die ander gedrag verwacht dan wat vanbinnen leeft.
De cottage: stilte als openbaring
Er is één plek waar het even stopt. In een afgelegen Engelse cottage, ver van mensen en prikkels, voelt de auteur naar eigen zeggen voor het eerst in haar leven fysieke ontspanning.
Ze omschrijft het als een lang gekoesterde wens: een week zonder mensen, zonder vragen, zonder geluid dat ze niet zelf gekozen heeft. Die episode is veelzeggend. Niet een therapie of een pil brengt rust, maar de simpele afwezigheid van sociale eisen aan zichzelf opgelegd. Het lichaam dat overal elders in hyperalerte stand stond, komt eindelijk tot bedaren.
Autisme, pas in de epiloog
Opvallend genoeg valt het woord autisme pas rond de epiloog. Na een diagnostisch traject krijgt Baeten de diagnose autismespectrumstoornis, samen met de bevestiging van haar hoogbegaafdheid. Ze beschrijft treffend hoe weinig spectaculair dat late inzicht binnenkomt. “Ik val niet van mijn stoel van verbazing, niet het minst omdat ik niet in staat ben verbazing te voelen.”
In de tekst werkt de diagnose als een laat inzicht dat met terugwerkende kracht een rode draad door haar leven trekt: de zintuiglijke overgevoeligheid, de eenzaamheid, de drang om elke sociale situatie analytisch uit te pluizen, de lichamelijke onrust. Knap gedaan — maar de constructie draagt ook een risico in zich, en dat brengt me bij mijn persoonlijke bedenkingen bij dit boek.
Drie persoonlijke bedenkingen bij dit boek
Als autistische volwassene met veel verschillende fysieke aandoeningen, lees ik dit boek met waardering én met een kritische blik. Wat me eerst opvalt, is dat Baeten twee makkelijke uitwegen weigert. Ze zet autisme niet weg als louter defect, maar ze bejubelt het evenmin als enkel “een andere manier van denken”. Ze toont onverbloemd de zware kant — de neurologische en fysieke kwetsbaarheid — zonder de verantwoordelijkheid van een omgeving die haar decennialang niet accommodeerde uit beeld te laten verdwijnen. Dat evenwicht is zeldzaam en het siert haar. Toch heb ik drie bedenkingen.
De eerste betreft één woord. Wanneer de diagnose valt, concludeert Baeten dat haar hele sociale vaardigheid — het feilloos weten hoe te zitten, wanneer te knipperen, wat te zeggen — niet echt van haar is. “Dat is wie ik dacht te zijn. En nu blijkt dat allemaal fake.” Over het besef dat haar aangeleerde sociale gedrag niet vanzelf kwam.
Haar psycholoog corrigeert haar meteen: dat het aangeleerd en doordacht is, maakt het niet minder echt, alleen ontzettend vermoeiend. Maar in de emotionele nagalm van het boek blijft het woord “fake” het zwaarst wegen, en net daar heb ik toch een bedenking bij.
Dat sociaal gedrag via analyse verloopt in plaats van vanzelf, maakt het geen leugen en de auteur geen bedrieger. Wie het maskeren gelijkstelt aan een vals zelf, stuurt een pijnlijke boodschap naar autistische lezers die hun eigen aanpassingen niet als bedrog ervaren, maar als overleven. Het boek laat die spanning open; ik had de weerlegging graag zwaarder zien doorwegen dan de zelfbeschuldiging.
Een tweede bedenking gaat over wat het boek níét bevraagt. Baeten vindt haar psycholoog via een zoektocht naar bekende mensen met een burn-out, boekt een week in een Engelse cottage en beweegt zich in een wereld van tv-studio’s en signeersessies. Haar weg naar een diagnose is laat, maar uiteindelijk relatief vlot en betaalbaar.
Voor de meeste autistische volwassenen ziet dat er vermoedelijk anders uit: jarenlange wachtlijsten, afgewezen aanvragen, of een leven zonder dat het woord ooit valt. Die ongelijkheid — wie toegang krijgt tot herkenning en wie niet — blijft grotendeels buiten beeld. Dat is geen verwijt aan haar eerlijkheid, wel een grens aan wat dit ene verhaal kan tonen. De machinerie rond diagnose en erkenning bedient nu eenmaal niet iedereen even gul.
De derde bedenking raakt de opbouw zelf. Door de diagnose helemaal achteraan te plaatsen, krijgt autisme onvermijdelijk de vorm van een plotwending: de verrassende sleutel die achteraf alle deuren opent. Dramatisch werkt dat sterk.
Maar het duwt het boek ook richting een idee dat Baeten elders juist weerstaat — dat één verklaring een heel leven ordent. Haar complexe voorgeschiedenis, met zware rouw en de gevolgen van echte chirurgische missers, dreigt zo achteraf aan die ene kapstok te hangen. Niet alles wat een autistisch iemand overkomt, is een uiting van autisme, en dat onderscheid is voor autistische lezers een zaak van erkend worden in de volle breedte.
En dan is er de humor. Baeten grijpt gretig naar ironie en popcultuur — Friends en House M.D. – keren voortdurend terug als houvast en als gedeelde taal met Katrin.
Zelfs het moment van de diagnose ontsnapt niet aan de grap: ze schrijft dat ze nauwelijks een wenkbrauw zou hebben opgetrokken, al was de psycholoog met een jetpack komen aanvliegen om als Liza Minnelli in glitterpak te onthullen dat ze autisme had. Het is een herkenbaar overlevingsmechanisme en het maakt de donkerste passages draaglijk. Alleen wordt de ernst van het onderliggende trauma zo af en toe net iets te snel weggelachen, voordat ik als lezer de tijd krijg om erbij stil te staan.
Waarom je dit boek moet lezen
Ondanks de verzengende hitte en het lawaai op de achtergrond hield Er is niks mijn aandacht moeiteloos vast. Het is een integere, goed opgebouwde getuigenis die geen mooi eindbeeld belooft. Er is geen genezing, geen loutering, geen gejubel, geen keurig dichtgeknoopt slot — er is een nuchtere erkenning van de eigen grenzen, en dat is meer waard dan welke troostende afronding ook.
Mijn voorbehouden doen niets af aan die waarde; ze zijn eerder het gesprek dat een eerlijk boek uitlokt. Wie wil begrijpen hoe overprikkeling, de eenzaamheid van het maskeren en het medisch ongeloof in elkaar grijpen, vindt hier een verslag dat het scherp en eerlijk onder woorden brengt. Een aanrader, juist omdat het niet troost maar toont.
Elisabeth Lucie Baeten — Er is niks: een non-fictieroman. – Uitgeverij Pelckmans, 2026. Verkocht in elke slimmere boekhandel.

Mooie recentie !
Je hebt je mening goed gestaafd
… reposted this!
… reposted this!
… reposted this!
… reposted this!
… reposted this!
… reposted this!
… reposted this!
… reposted this!