Autisme: een biografie … een leesverslag

Niels Springveld, Autisme. Een biografie — Atlas Contact, 2026, 672 blz.

Niels Springveld schrijft de geschiedenis van een begrip — en van zichzelf

Autisme. Een biografie is precies wat de titel zegt: de levensgeschiedenis van een woord. Springveld — historicus, schrijver en autist — begint bij Eugen Bleuler, die het woord ‘autisme’ begin twintigste eeuw voor het eerst gebruikte, en eindigt bij de neurodiversiteitsbeweging van vandaag. Het is een groot boek, 672 bladzijden, en het vraagt tijd. Maar het geeft ook veel terug.

Wat me meteen raakt, is hoe Springveld schrijft. Hij zegt al op de eerste bladzijden dat hij een anti-autismepil voor geen geld van de wereld zou innemen. Hij citeert een andere autistische auteur die autisme onlosmakelijk verbonden vindt met zijn menselijkheid. Dat is meteen de toon van het hele boek. Autisme is geen bijzaak. Het zit verweven in wie je bent. Autisme. Een biografie is precies dat: een boek dat zegt dat autisme geen eigenschap is die je van een persoon kunt losmaken en apart kunt leggen.

Springveld is historicus, schrijver en autistisch. Met dit boek doet hij iets wat weinig Nederlandstalige schrijvers hem nadeden: hij vertelt de volledige geschiedenis van het woord ‘autisme’, van de eerste keer dat het werd gebruikt aan het begin van de twintigste eeuw tot de huidige beweging voor neurodiversiteit. En hij doet dat ook persoonlijk. Hij is geen toeschouwer. Hij is zelf ook deel van het verhaal.

Het boek volgt de tijd, maar daartussen zitten persoonlijke stukken — zoals een rivier die soms buiten zijn oevers treedt. We lezen over Bleuler, Kanner en Asperger. Maar Springveld staat niet te lang bij hen stil. Hij heeft een goed oog voor vergeten mensen en moeilijke periodes. De vroege band tussen autismetheorie en eugenetica, de theorie dat koude moeders autisme zouden veroorzaken, de harde gedragstherapieën — hij behandelt ze nauwkeurig en zonder met de vinger te wijzen. Dat is zeldzaam.

‘Het woord autisme is een kleine 120 jaar oud, het syndroom zoals wij dat nu kennen zo’n 85 jaar. Dit boek is een geschiedenis van dat woord, van Bleuler tot nu.’

Wat dit boek anders maakt dan bijvoorbeeld NeuroTribes van Steve Silberman — die vergelijking zal zeker gemaakt worden — is dat Springveld zich sterk richt op Nederland. Hij schrijft uitgebreid over Ida Frye, over vroege Nederlandse diagnostiek, over de Nederlandse Vereniging Autimse en over het Nederlandse zorgbeleid. Hij laat rustig maar duidelijk zien dat de geschiedenis van autisme niet alleen in Amerika plaatsvond. Nederland en België speelden ook een rol. Er was kennelijk een boek voor nodig om dat duidelijk te maken.

Dan is er Springveld zelf. Als kind werd hij door zijn moeder ‘de jongste bejaarde van Nederland’ genoemd, omdat hij van lange, ouderwetse verhalen hield. Als student liep hij vast door overprikkeling en belandde bij de GGZ. Hij beschrijft hoe hij thuis van school terugkwam ‘murw van een dag vol prikkels’ en de rest van de dag ‘tot weinig meer in staat’ was. Als jonge volwassene kreeg hij een nieuwe diagnose — Asperger — en vond hij via een Amerikaans autismeforum voor het eerst het woord ‘neurodiversiteit’. Dat woord, schrijft hij, ‘zou zijn blik op zijn autisme radicaal herijken.’ Deze stukken zijn het hart van het boek. Niet omdat ze sentimenteel zijn — ze zijn het nadrukkelijk niet — maar omdat Springveld schrijft met droge humor en een eerlijkheid die je als lezer verbindt met het historische verhaal.

‘Neurodiversiteit sloeg dus niet alleen op een biologisch feit, maar was ook een politiek concept, het uitgangspunt van een mensenrechtenbeweging die zich sterk maakte voor iedereen met een afwijkend neurocognitief profiel.’

Het sterkste punt van het boek is hoe Springveld balanceert tussen het medische en het sociale model. Hij ontkent niet dat autisme echte problemen geeft. Overprikkeling, rigiditeit, burn-out, gevoeligheid voor prikkels — dat zijn geen abstracte begrippen, maar dingen die hij zelf heeft meegemaakt. Tegelijk verzet hij zich tegen de neiging om alle kenmerken zonder meer als fouten te zien die opgelost moeten worden. Het neurodiversiteitsparadigma was voor hem, schrijft hij, ‘zowel een baken van realisme als van idealisme’: realistisch omdat het problemen erkende, idealistisch omdat het hoop bood op een toekomst van gelijkwaardigheid. Die formulering is precies goed.

De toon wordt nergens een pamflet, en dat is zijn grote verdienste. Springveld heeft duidelijk sympathie voor de neurodiversiteitsbeweging, maar hij ziet ook haar zwakke punten. De neiging om autisme vooral als ‘talent’ te verkopen aan bedrijven krijgt er stevig van langs. Hij waarschuwt ook voor wat hij ‘Neurodiversiteit Lite’ noemt: een beweging die alleen de goed functionerende, productieve autisten meetelt, en mensen met zware zorgnoden stilletjes vergeet. Die spanning benoemt hij duidelijk. Dat maakt het boek geloofwaardiger dan elk ‘autisme-is-een-superkracht’-boek dat ooit is geschreven.

Ook bekende, goedbedoelde uitspraken ontkomen niet aan zijn pen. De termen ‘hoogfunctionerend’ en ‘laagfunctionerend’ krijgen een grondige behandeling. Springveld citeert de autistische schrijver Gunilla Gerland, die het label ‘hoogfunctionerend’ vergelijkt met de uitroep ‘het smaakt toch lekker’ als een cake helemaal is ingezakt: een compliment dat eigenlijk geen compliment is. Hij duwt zulke zinnen rustig maar scherp terug naar waar ze thuishoren. En ‘We zijn allemaal wel een beetje autistisch’ ontleedt hij niet als een grote morele fout, maar als een taalmechanisme: een manier om de specifieke last van autistische ervaringen kleiner te maken. De boodschap die erin zit is altijd dezelfde: stel je niet aan, iedereen heeft wel wat. Als lezer die ze maar al te goed kent, is het fijn om eindelijk iemand te zien die er niet omheen loopt.

Springveld schrijft helder, met lange maar goed opgebouwde alinea’s. De afwisseling tussen persoonlijke herinneringen en historisch onderzoek vraagt aandacht. Je gaat van een persoonlijk verhaal naar een dicht stuk bronnenmateriaal, van een GGZ-praktijk naar een theoretisch begrip. Voor lezers die een vlot en rechtlijnig boek zoeken kan dat vermoeiend zijn. Maar dat is ook niet het boek dat dit is. Autisme. Een biografie is een groot en gelaagd boek dat ergens tussen historisch overzicht, tijdsbeeld en levensverhaal hangt — en in geen van die categorieën vastloopt. Dat is knap.

Voor wie is dit boek? Voor autistische lezers die zichzelf en hun geschiedenis in een groter verhaal willen plaatsen. Voor ouders en hulpverleners die bekende ideeën en praktijken eens goed willen bekijken, zonder dat hun inzet wordt belachelijk gemaakt. En voor iedereen met interesse in psychiatriegeschiedenis, filosofie of de politiek van diagnoses. Het is geen boek dat je ‘even tussendoor’ leest. De omvang, de gelaagdheid en de thema’s vragen tijd en aandacht. Maar voor lezers die niet willen weten van doemdenken én van overdreven superkrachtretoriek is Autisme. Een biografie een bijzonder waardevolle aanwinst in het Nederlandstalige landschap. Het had er eerder moeten zijn.

Niels Springveld, Autisme. Een biografie — Atlas Contact, 2026, 672 blz. (ook bij Bol.com en andere online boekhandels)

1 Comment »

  1. Dit is precies het soort informatie waar ik naar op zoek ben. Dat betekent overigens niet dat ik er al klaar voor ben om 672 pagina’s door te spitten, maar dit boek komt zeker op mijn verlanglijstje. Applaus voor deze recensie.

    Geliked door 1 persoon

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *