Het verhaal van Pim

Ik ben Pim. Ik werk in IT en management, en al mijn hele leven heb ik het gevoel dat ik draai op software die niet helemaal compatibel is met de rest van de wereld. Als kind kreeg ik geen diagnose. Dat was gewoon niet hoe het werkte in die tijd, zeker niet als je intelligent genoeg was om er een beetje doorheen te komen. Maar doorheen komen is niet hetzelfde als het goed hebben. Ik werd gepest. Ik voelde me voortdurend buitengesloten. En ergens onderweg begon ik te geloven dat er iets wezenlijk mis met me was.

De echte kentering kwam niet door therapie of zelfinzicht. Ze kwam door mijn kinderen.

Mijn twee zonen liepen al vroeg vast, op school en daarbuiten. Toen zij de diagnose autisme kregen, was dat alsof iemand een lamp aanstak in een kamer die ik mijn hele leven in het donker had doorkruist. Ik herkende hun paniek bij onverwachte veranderingen. Ik herkende hoe zintuiglijke prikkels hen overweldigden. Ik herkende de uitputtingsslag van het sociale decoderen. Het was mijn eigen jeugd, maar dan eindelijk zichtbaar. Kort daarna volgde mijn eigen diagnose.

Die diagnose bracht rust. Maar ook verdriet. Verdriet om alles wat ik jaren lang niet begreep van mezelf, en om alle energie die ik had verspild aan het proberen normaal te lijken.

Op het werk gaat dat trouwens nog steeds door. Kantoorpolitiek, onuitgesproken verwachtingen, de subtiele hiërarchie van wie je wel of niet mag tegenspreken in een vergadering: het blijft voor mij een taal zonder woordenboek. Ik los problemen op met logica en structuur. Dat werkt. Maar het heeft een prijs. Om te functioneren in een wereld die niet voor mijn brein gebouwd is, moet ik mezelf voortdurend camoufleren. En dat masker dragen put me uit op een manier die moeilijk uit te leggen is aan iemand die het niet kent.

Ik denk vaak in termen van energie. Niet figuurlijk, maar heel concreet. Elke prikkel kost iets. Fel licht. Een onverwacht telefoontje. Tegelijkertijd luisteren naar twee gesprekken. Kleine dingen voor de meeste mensen, maar voor mij zijn het betalingen die van een rekening gaan die niet onbeperkt is. Als ik niet plan, als ik geen herstelmomenten inbouw, loopt die rekening leeg. Dan crasht het systeem. Mijn routines zijn geen eigenaardigheid of koppigheid. Ze zijn het verschil tussen overeind blijven of niet.

Dat vraagt ook wat van mijn huwelijk. Mijn vrouw en ik schrijven elkaar vaak brieven, e-mails of sms’en als er iets moeilijks besproken moet worden. Mondeling overleg escaleert bij mij snel in overprikkeling. Schriftelijk kan ik nadenken, ordenen, antwoorden zonder dat alles door elkaar loopt. Dat klinkt misschien koud van buitenaf. Maar het is hoe wij elkaar bereiken.

Hetzelfde geldt voor hoe ik reageer in situaties die emotioneel beladen zijn. Toen mijn moeder onverwacht werd opgenomen in het ziekenhuis, heb ik via het personeel en via mijn vader discreet opgevolgd hoe het met haar ging. Ik heb haar niet gebeld, omdat ik haar rust niet wilde verstoren. Voor mensen die het standaard sociale script kennen, zag dat er ongetwijfeld afstandelijk uit. Voor mij was het zorg. Pure, praktische zorg. De kloof tussen wat ik voel en hoe dat eruitziet van buiten is iets waar ik mijn leven lang mee leer omgaan.

De moeilijkste en tegelijk meest waardevolle gesprekken voer ik aan de keukentafel, met mijn zonen.

Als een van hen vastloopt omdat er iets onverwachts is veranderd, of als de geluiden in een drukke ruimte aanvoelen als iets fysieks, ga ik naast zitten. Ik vertel hem niet dat zijn brein gewoon anders is, of uniek, of een gave. Ik zeg hem de waarheid: ik ken die pijn. Ik heb haar ook. We bespreken wat er in ons zenuwstelsel gebeurt zonder het mooier te maken dan het is, maar ook zonder ons daarvoor te schamen. We zoeken samen naar wat werkt. Wat helpt. Wat ons overeind houdt.

Soms, als we proberen te begrijpen hoe we passen in een bredere wereld, raken we ook aan concepten zoals neurodiversiteit. Maar we weten alle drie dat zo’n kader de overprikkeling na een zware schooldag niet wegneemt. Het is een manier om te denken over onze plek in de samenleving, niet een oplossing voor wat er aan het einde van de dag op ons bord ligt.

Wat ik geleerd heb, is dat mijn leven zich niet laat vangen in één verhaal. Ik weiger te doen alsof de maatschappij het enige probleem is en alsof mijn brein alleen maar een variatie is die beter geaccepteerd moet worden. Dat zou niet eerlijk zijn tegenover mezelf, en al helemaal niet tegenover mijn zoon, die autistisch is. Onze beperkingen zijn reëel. Ze vragen om concrete strategieën, om bewuste keuzes, om eerlijkheid over wat we wel en niet aankunnen.

Maar een wereld die rigide vasthoudt aan één manier van functioneren maakt het voor ons alle drie, op een andere manier natuurlijk, onnodig zwaarder. Dat zie ik ook. Elke dag.

De balans die ik probeer te vinden ligt ergens daartussenin: de realiteit onder ogen zien, en van daaruit, stap voor stap, bouwen aan iets dat houdbaar is voor ons allemaal, autistisch of niet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *