Het verhaal van Armand

(c) Sam Peeters, 2026

Ik ben Armand, 55 jaar, en ik heb autisme. Het blijft raar dat te zeggen, vind ik, zelfs na vier jaar. Die paar woorden – ik heb autisme – hebben mijn leven niet veranderd, maar ze hebben me eindelijk mezelf laten begrijpen. Tot mijn 51e dacht ik dat ik gewoon een ingewikkelde man was: te eigenzinnig, te rationeel, te weinig spontaan. Pas toen ik de diagnose kreeg, klopte iets dat ik al die jaren niet wou zien..

Als kind leefde ik vooral in mijn hoofd. Treinen, elektriciteit, schema’s, cijfers – dat was mijn taal. Mensen leken altijd iets te verwachten dat ik niet helemaal kon raden. Ik voelde hun stemmingen wel, maar kon ze niet benoemen. De stilte van een spoorlijn of het regelmatige gezoem van een transformator voelde veiliger dan de onvoorspelbaarheid van menselijke emoties. Mijn ouders maakten zich zorgen omdat ik “geen vriendjes” had. Leraren zeiden dat ik koppig was. In werkelijkheid probeerde ik enkel te overleven in een wereld die te luid, te fel en te chaotisch was.

In mijn vroege volwassenheid ging ik op in mijn werk als elektrotechnicus. In de fabriek, tussen motoren en kabels, voelde ik me op mijn plaats: machines logen niet, ze deden wat je kon voorspellen. Toch zat ik er ook gevangen in een wereld van constant geluid. Het lage gebrom van compressoren, het scherpe tikken van gereedschap, de flikkering van tl-buizen — ze drongen allemaal rechtstreeks mijn lichaam in. Soms voelde ik letterlijk hoe mijn schouders aanspanden bij elke toon die anderen niet eens opmerken. Na een werkdag kon ik geen gesprek meer verdragen, geen aanraking, geen geur. Mijn vrouw begreep dat niet goed. Ze wilde na het eten praten, plannen maken, lachen. Ik wilde stilte. Voor mij was dat liefde: rust naast elkaar in dezelfde kamer. Voor haar was het afstand.

Met de jaren sloop er iets scheef in onze relatie. Zij verlangde naar emotionele nabijheid, ik naar voorspelbaarheid. Ze zocht verbinding via woorden; ik via orde. Hoe meer druk ik voelde om te praten over gevoelens, hoe meer ik verstijfde. Maar er was ook de andere kant: mijn behoefte om gezien te worden, om even begrepen te worden zonder uitleg. En soms gebeurde dat onverwacht – tijdens een werkvergadering of een bedrijfsfeest, als een vrouwelijke collega iets zei als: “Jij lijkt me zo’n rustige, betrouwbare man.” Die woorden bleven hangen. Niet omdat ik werkelijk iets wilde met die vrouwen, maar omdat ze me even het gevoel gaven dat ik wél iets goed deed. Die momenten waren gevaarlijk: niet fysiek, maar emotioneel. Aandacht voelde verleidelijk als een zacht ruisend geluid na jaren van stilte.

Mijn vrouw voelde dat aan, denk ik, zelfs al gebeurde er nooit iets. Ze werd kribbig, wantrouwig. Ik trok me terug. We leefden naast elkaar, twee mensen die allebei hun best deden maar elkaars taal niet spraken. Ik dacht dat trouw zijn betekende dat je bleef, werkte, zorgde. Zij wilde dat ik haar zag. Uiteindelijk brak ze, langzaam maar onomkeerbaar. “Je bent er fysiek, maar niet mentaal,” zei ze ooit, huilend in de keuken. Ik wist niet wat ik moest zeggen, want het klopte. Mijn blik, mijn aandacht, mijn woorden waren vaak elders – bij schakelingen, bij stilte, bij rust.

De echte ommekeer kwam pas jaren later, via onze jongste zoon. Hij kreeg op zijn veertiende de diagnose autisme. Terwijl we samen de informatie doornamen, herkende ik mezelf regel voor regel: de sociale blindheid, de rigide denkpatronen, de sensorische overbelasting. Toen een psycholoog zei: “Ik vermoed dat u het ook hebt, meneer,” voelde ik eerst verzet, toen opluchting. Eindelijk begreep ik waarom ik zelden paste, waarom relaties me raakten en uitputten tegelijk.

De jaren nadien waren er van herontdekking. De diagnose bracht rust, maar ook spijt. Ik keek terug en zag hoe vaak ik liefde moest raken zonder haar te kunnen uitdrukken. Hoe vaak ik genegenheid voelde, maar koud overkwam. Hoe vrouwelijke collega’s, buren of kennissen soms signalen gaven die ik verkeerd interpreteerde – niet omdat ik flirtte, maar omdat ik de sociale nuance miste. En hoe mijn vrouw in dat alles een eenzaamheid droeg die ik nu pas kan voelen.

Vandaag is mijn leven eenvoudiger, en daardoor ook eerlijker. Ik werk nog halftijds, op een plek waar mechanica en stilte me niet overweldigen. Oordoppen, vaste routines, vertrouwde kleding – dat alles is niet langer een dwang, maar een keuze om goed voor mezelf te zorgen. Met mijn kinderen praat ik open over prikkels, grenzen en misverstanden. Ik vertel hen ook over hun moeder, over hoe moeilijk het was om te praten vanuit twee verschillende werkelijkheden, en dat liefde geen vanzelfsprekendheid is als je zintuigen voortdurend op alarm staan.

Ik heb sindsdien geen nieuwe relatie. Soms mis ik aanraking, soms niet. Ik durf het nu onder ogen te zien: nabijheid blijft complex. Een deel van mij verlangt naar verbondenheid, een ander deel naar stilte. En misschien is dat precies wat autistisch-zijn voor mij betekent: een leven vol intentie, maar zonder vanzelfsprekende vertaling naar de buitenwereld.

Toch heb ik vrede gevonden. Niet alles hoeft opgelost. Als ik ‘s avonds thuis zit, het licht zacht is en de radio op een lage toon neuriet, voel ik iets wat ik vroeger nauwelijks kende: rust zonder schuldgevoel. Dan denk ik aan mijn ex-vrouw, aan onze kinderen, aan de jonge versie van mezelf die nooit wist waarom de wereld zo hard binnenkwam. En ik wens hem toe wat ik nu eindelijk leer: dat liefde niet verdwijnt met afstand – ze verandert alleen van vorm.

1 Comment »

  1. Armand, goed beschreven. Ik denk dat ik aanvoel wat je beschrijft en orde en regelmaat de rustpunten in je leven zijn. Iets wat in deze wereld niet overal meer is te vinden. en je daarom je eigen weg moet weten te vinden.

    Geliked door 1 persoon

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *