8 vooroordelen over autisme ontkracht … autisme en beeldvorming

Over autisme bestaan er duizend-en-één misverstanden, stereotypes en veralgemeningen. Haast evenveel als er lijstjes over bestaan op het internet.

Meestal zijn die lijstjes gemaakt door een webredacteur of gesjeesde promovendus die met grote haast quotes van een psychoanalytische hoogleraar met publicatieangst, een professor-emiritus in pedagogiek met nostalgie naar de pedagogische tik en een professor-psychiater met priesterlijke ambities samen gooien. Mensen met autisme, laat staan vrouwen, komen daarin zelden aan het woord.

Charlie Magazine, een grensverleggend online magazine met een vrouwelijke blik op de wereld, pakte het anders aan. Charlie nodigde in ‘Voorbij het vooroordeel’ illustratrice en geekredactrice Stephanie Dehennin en Elise Cordaro, schrijfster van het boek ‘Anders gaat ook’,  uit om acht clichés over autisme te ontkrachten.

Het zette me aan om op mijn blog deze clichés zelf ook te onderzoeken, met telkens een tip hoe degene met het cliché het beter kan doen. U mag zelf oordelen of dat met een vrouwelijke, dan wel mannelijke blik gebeurt. Na de acht clichés kan u het videofragment van Stephanie Dehennin en Elise Cordaro bekijken.

1.  “Iedereen heeft tegenwoordig wel iets hé”

De gedachte dat iedereen wel iets heeft, is al zo oud als de straat. Denk maar aan de uitdrukking ‘elk huis heeft zijn kruis’, waarmee bedoeld wordt dat er niemand is die gespaard wordt van lijden.

Al even lang bestaat de neiging om lijdensdruk van een ander te evalueren op basis van hulpmiddelen of zichtbare beperkingen. De meeste mensen laten zich daarbij niet remmen door gebrek aan kennis of oordeels – en inlevingsvermogen in wat een ander ervaart.

Veel mensen lijken  meteen in de huid van een psycholoog of socioloog  te kruipen en een oordeel uit te spreken. Iemand die zegt dat hij autisme heeft of erover spreekt, zetten ze vaak weg als ‘te gevoelig zijn voor de wereld’, ‘een menselijke reactie op een verziekte samenleving’ of ‘vervreemd van de werkelijkheid’.

Dat die ander denkt dat zij zijn/haar problemen minimaliseren, kunnen ze nauwelijks geloven. Want het is per slot van rekening toch goed bedoeld? Wellicht is dat een zoveelste  teken dat zo iemand geen autisme heeft maar gewoon neurotisch is en overgevoelige zenuwen heeft.

Tip: Als ik jou zeg dat ik autisme heb, wees dan geïnteresseerd in wat ik te zeggen heb, en probeer mij niet te hand te reiken of een relativerend oordeel uit te spreken, vooraleer ik daarvoor openheid toon.

2. “Maar jij kan toch geen autisme hebben, je bent heel sociaal.”

Het is niet omdat je autisme hebt dat je ook introvert, verlegen of ‘contactgestoord’ overkomt. Een aantal mensen met autisme legt (te) gemakkelijk contact, met om het even iedereen, en zonder daarbij terughoudend door de sociale status of hiërarchische positie van anderen.

Als iemand zegt dat ik heel sociaal overkom, hoeft dat echter niet te betekenen dat ik geen autisme heb. Behalve dat het een momentopname is, en je niet ziet wat ik er voor doe om sociaal te lijken, is autisme zoveel meer dan anders ontwikkelde of beperkte/beperkende sociale vaardigheden. Ik heb bovendien zoveel geoefend en getraind op sociale vaardigheden, dat het niet meer zo duidelijk is dat ik ze letterlijk gekopieerd heb uit andere situaties bij andere mensen, van de televisie, uit films of uit boeken.

Tip: Als je denkt dat ik sociaal overkom, kan je dat ook positief verwoorden.  Laat het ‘je kan toch geen autisme hebben’ weg en laat dat oordeel over aan mensen die er verstand van hebben, die een degelijk onderzoek doen.  Zeg aan mij gewoon dat je het waardeert dat ik moeite doe om sociaal over te komen, dat je dat leuk vindt

3. “Volgens mij heb jij geen autisme. Ik ken iemand met autisme en die is helemaal anders.”

Het is goed mogelijk dat je iemand of zelfs meerdere mensen met autisme denkt te kennen. Dat die mensen helemaal anders zijn, spreekt voor zich. Daaruit volgt echter niet dat jouw uitspraak ‘jij hebt geen autisme’ iets betekent.

Niet enkel verschillen mensen met autisme evenveel of zelfs meer van elkaar als andere mensen, de kans is ook groot dat de mensen met autisme die je kent eigenschappen en misschien bijkomende beperkingen hebben die duidelijker zijn dan hun autisme.

Tip: Probeer geen uitspraken te doen over wat je niet zeker weet, en relativeer steeds je eigen inzicht in (mensen met) autisme. Elke persoon met autisme is anders, en is een wit blad in jouw kennis of vertrouwdheid met (leven met) autisme. Dat geldt trouwens ook als je zelf (een andere uiting van) autisme hebt, of een kind/partner/ouder met (een andere uiting van) autisme hebt. Denk niet te snel: dat autisme ken ik intussen al wel.

4. “Ik heb gehoord dat je van vaccinaties autisme kan krijgen”

Als je bepaalde informatie op het internet en in de alternatieve circuits mag geloven, krijg je van alles en nog wat autisme. Een lijstje van deze ‘oorzaken’ vind je op de Wikipedia-pagina’s.

Wie al deze ‘oorzaken’ van naderbij bekijkt, ziet dat het ofwel onzin is, ofwel gewoonweg gevaarlijk (niet inenten tegen potentieel dodelijke ziektes) ofwel een manier om kwetsbare mensen te misbruiken.

Tip: Als je dit hebt gehoord van mensen, kan dat een graadmeter zijn om al het andere wat je van hen hoort niet al te ernstig te nemen. Misschien nemen ze klakkeloos over wat ze horen. Als ze dit werkelijk geloven, is de kans groot dat ze iets bizar gerookt, gegeten of gedronken hebben waardoor ze achterdocht en onredelijkheid zijn gaan vertonen.

5. “Zo direct al labels plakken op kinderen, ik vind dat scha(n)delijk”

Autisme is geen label, zeker niet in het Nederlands. In het Engels spreken we van labelen als we iemand bestempelen met een stigma. Autisme is een medische classificatie of categorie, die deel uitmaakt van een diagnose, een beschrijving van iemands functioneren. Het label of stigma wordt opgeplakt door mensen die vinden dat de louter vaststelling dat iemand autisme heeft die persoon als ‘minder’ maakt.

Het labelen gebeurt dus niet door wie zegt dat iemand autisme heeft, maar door mensen die er niet mee om kunnen. Omdat ze zichzelf om allerlei redenen gestigmatiseerd (of onrechtvaardig behandeld) voelen en denken iemand met autisme daarvoor te moeten behoeden.

Een diagnose autisme kan helpen om jezelf te verstaan (als je autisme hebt). Het kan ook de omgeving helpen om je beter te verstaan (als die daarvoor open staat). En je kan er ook gepaste begeleiding door krijgen. Het is wel belangrijk dat mensen met autisme geen kansen ontzegd worden louter en alleen omdat ‘mensen met autisme’ in het algemeen niet zouden kunnen.

Tip: Verzorg je taal en spreek niet over labelen of labels. In het Nederlands worden die alleen gebruikt in de verpakkingsindustrie, voor jampotten bijvoorbeeld. Probeer iemand met autisme niet te behoeden voor waar je zelf mee worstelt. Erken wat de ander je vertelt, en wees niet belerend.  De diagnose autisme zegt overigens alleen over iemand met autisme dat die autistisch denkt, meer niet.

6. “Kunnen we spreken over een autisme epidemie?”

Er zijn altijd al mensen met autisme geweest, van jong tot oud, over het hele genderspectrum, en in alle maten en kleuren. Van een autisme-epidemie kunnen we dus zeker niet spreken.

Er is wel een verschuiving geweest van diagnoses, en er is meer nood aan specifieke ondersteuning gekomen. Bovendien is het inzicht in autisme, en dan zeker van de verschillende eigenschappen die mensen met autisme hebben, toegenomen. Zo is er meer aandacht gekomen voor vrouwen met autisme, en, iets recenter, voor ouderen met autisme.

Tip: Vooraleer je die vraag stelt, is het goed het woord epidemie eens op te zoeken in een woordenboek, Van Dale bijvoorbeeld. Daar staat dat het gaat om een besmettelijke ziekte die zich zeer snel en op grote schaal verspreid. Als je wil spreken over een epidemie zijn er volgens mij toch veel meer kanshebbers dan autisme.

7. “Autisten kennen geen empathie”

Dat mensen met autisme géén vermogen hebben om zich in de gevoelens van anderen in te leven, is wel heel kort door de bocht. Hoe mensen met autisme empathie ervaren en uitdrukken, is meestal niet getoetst aan de sociale context, en kan heel sterk verschillen, zowel tussen mensen met autisme onderling als van mensen zonder autisme.

Zo zijn er mensen met autisme die heel direct overkomen, zeggen waar het op staat vanuit een zeer egocentrische houding en dus op het eerste gezicht van weinig inlevingsvermogen getuigen. Aan de andere kant zijn er echter ook mensen met autisme die heel veel aanvoelen, hun tijd nodig hebben om dit te uiten, en daarin regelmatig blokkeren, zodat ook bij hen lijkt dat ze gevoelloos zijn.  Dat mensen met autisme echter empathie hebben zoals anderen, klopt volgens mij ook niet.

Tip: Als je ontzet of verontwaardigd bent dat iemand met autisme niet meteen iets lijkt te voelen bij iets wat jij vreselijk vind, besef dat h/zij heel veel kan voelen, maar tijd nodig heeft om dit te uiten, of daardoor overweldigt is en blokkeert. Probeer dat niet te persoonlijk op te vatten, en zeg niet meteen dat je het erg vind dat h/zij niet gepast reageert. Stel je voor dat je evenveel of meer voelt dan een ander, niet goed weet hoe te troosten, je irritatie voelt door het dramatisch emotioneel gedoe van anderen en dan nog te horen krijgt dat je ongevoelig bent. Daar kruip je helemaal van in je schulp.

8. “Autisten zijn goed in wiskunde en kunnen goed werken met de computer”

Dat mensen denken dat mensen met autisme goed zijn in wiskunde en werken met de computer, blijkt steeds vaker een stereotype. Het zijn weliswaar twee voorbeelden die zich goed lenen voor mensen die autistisch denken, maar zo zijn er nog veel andere.

Er zijn bijvoorbeeld ook autistische apothekers, leraren, boekhouders, bankbedienden, verzorgenden, illustratoren, … kortom, er zijn geen louter autistisch beroepen net zoals er geen beroepen zijn die zich bij uitstek lenen voor mensen met autisme.

Tijdens mijn opleidingen had ik bijvoorbeeld onafgebroken onvoldoendes voor wiskunde, alle wetenschappen en werd ik van computers en technologie zo ver mogelijk weggehouden. Het is dus geen goed idee om te denken dat iemand met autisme op school beter deze dan die richting moet volgen omdat h/zij autisme heeft. Het is veeleer de begeestering, de motivatie, de interesse die iemand met autisme heeft voor een bepaalde studierichting of thema dat bepalend is voor zijn of haar toekomst.

Tip:  Het is niet omdat iemand autisme heeft dat h/zij goed is in wiskunde of werken met de computer. Het is vooral belangrijk te kijken naar de begeestering en de talenten die iemand heeft, en wat h/zij zelf aangeeft.

 

1 Comment »

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.