In de natuur zijn, een wondermiddel? … autisme en natuur

Als kind heb ik het tot vervelenstoe te horen gekregen, van mijn ouders, van therapeuten, van leerkrachten en soms zelfs van leeftijdsgenoten. Als ik wat meer in de natuur zou vertoeven, wandelen, spelen, zijn, dan zou het allemaal veel beter met me gaan. Ik zou ‘een kleurtje krijgen’ (toen nog een vrij onschuldige uitspraak), gezonder zijn en mij beter in mijn vel voelen. Ik vond het best wel prettig om in bossen, parken, tuinen, op zee, op het strand of in een andere natuurlijke omgeving te zijn, maar vond dat niet altijd even ontspannend, laat staan gezond.
Onlangs kreeg ik een link naar een artikel van het populair-wetenschappelijk magazine EOS in mijn mailbox. Het magazine verwees dan weer naar een onderzoek aan de Universiteit van Hong Kong waaruit zou moeten blijken dat activiteiten in de natuur ‘heilzaam’ zouden moeten zijn voor autistische mensen, van jong tot oud. De onderzoek focusten zich vooral baseerde op jonge kinderen, maar lieten openingen naar andere leeftijdsgroepen.
De onderzoekers vermeldden in hun onderzoek dat de natuurlijke omgeving een rustgevende invloed geeft, die overspanning vermindert en ontspanning bevordert. Bovendien biedt de natuur volgens hen een scala aan zintuiglijke ervaringen die cruciaal zijn voor het welbevinden, de gemoedsgesteldheid en de ontwikkeling. Ze zien een unieke combinatie van fysieke activiteit, frisse lucht en in contact komen met de natuurlijke wereld als een recept voor
Experts geloven dat de natuurlijke omgeving een rustgevende invloed heeft, die stress vermindert en ontspanning bevordert. Bovendien biedt de natuur een scala aan sensorische ervaringen die cruciaal zijn voor de ontwikkeling van kinderen met ASD. Het is een unieke combinatie van fysieke activiteit, frisse lucht, en interactie met de natuurlijke wereld als een verrijkende aanvulling op de meer traditionele therapieën en een nieuwe weg naar groei en ontwikkeling.
Het Chinese onderzoek was geen veldonderzoek, maar een literatuuronderzoek, dus het vergelijken van studies die door anderen al gedaan en gepubliceerd waren. De Chinese onderzoekers verzamelden alle studies die zich richtten op activiteiten die in natuurlijke omgevingen plaatsvonden. Denk aan recreatie, zeilen, surfen, golfen en zomerkampen. Ook dierondersteunende therapie, zoals met paarden, dolfijnen en andere dieren werden daarbij gerekend als ze in de natuur plaatsvonden. Knuffelen met je hond of kat of andere binnenshuisdieren werden niet meegenomen in de verzameling.
In de natuur zijn en activiteiten doen bleek een aantal positieve effecten te hebben, zowel zintuiglijk, sociaal als op vlak van gedrag. Contact met de natuur en dieren bleek volgens de onderzoekers een waardevolle bijdrage te leveren. Dat wordt lang niet door iedereen erkend. Zo hangt het effect, positief dan wel negatief, sterk af van welke activiteit, in welke natuuromgeving, voor welke autistische persoon, met welke bijkomende eigenheden. En dan worden de effecten van de verplaatsing van en naar die natuurlijke omgeving nog niet eens meegenomen.
Als het gaat om positieve effecten van ‘in de natuur’ zijn, ben ik eerder wantrouwig. Ik kan zeker genieten van de relatieve stilte en het rustgevend effect van een wandeling of gewoon zitten in een volstrekt afgelegen stuk natuur. Toch kan het op bepaalde momenten ook net een bron van onrust, van angst of van paniek zijn. Zo ben ik steeds op mijn hoede voor de onvoorspelbaarheid van natuurlijke elementen, denk ik vaak dat ik niet alleen been in deze omgevingen (en omringd door mensen of dieren die het minder goed met me voorhebben) en voel ik me soms beter als ik net niet met natuur wordt geconfronteerd.
Wat ik echter nog lastiger vind aan het advies dat in de natuur zijn, en oog hebben voor details in de natuur, is dat het een positief effect zou moeten hebben, dat het dus functioneel zou moeten zijn, en dat het iets zou moeten verbeteren aan mij. Volgens mij is het meest waardevolle aan natuur, waaronder ook mensen, dat ze geen nut moeten hebben, dat het er is zoals het er is, en geen functie moet hebben, voor mij of voor anderen. Bovendien vind ik het advies dat er iets zou moeten verbeteren aan mij, en dat een natuurlijk omgeving daartoe zou bijdragen, toch een beetje beledigend.
Natuurlijk kan er van alles aan mij verbeteren (net zoals aan iedereen, vanuit de gedachte ‘plus est en vous’), maar een natuurlijke, of andere omgeving, zal daar niet in de eerste plaats toe bijdragen. Het zijn veeleer de mensen in de omgeving waarin ik het meest ben, meestal een ‘culturele’ omgeving (een omgeving waar mensen samen wonen en leven en dingen doen), die samen met mezelf kunnen bijdragen aan verbetering van mijn levenssituatie. Zodat ik meer mezelf kan zijn, meer kan weten welke verwachtingen er zijn, zodat ik van omgeving kan veranderen indien de verwachtingen tegen mijn welzijn ingaan of ik ze gewoon onzinnig vind, of zodat we tot een vergelijk of compromis kunnen proberen te komen.
Als de verwachting bijvoorbeeld is dat ik door in een natuurlijke omgeving te zijn meer besef hoe nietig ik ben, wat vaak de verwachting blijkt te zijn, en daarom best bescheiden, kalm en niet opstandig ben, is dat volgens mij niet realistisch. Als de verwachting zou zijn dat ik rustiger wordt door in de natuur te zijn, dan is dat al een realistischer verwachting, maar is het zeker niet altijd het geval.
Het hangt immers heel sterk af van welke natuur dat is, hoe de weersomstandigheden zijn, op welk moment dat gebeurt, of het met of zonder mensen is (en welke), in welke toestand mijn lichaam (inclusief hoofd) op dat moment is, en vooral in welke mate de omstandigheden voor en na de activiteit in de natuur zijn. En dan heb ik nog zoveel andere factoren niet vermeld. Kortom, ‘in de natuur zijn’, kan voor mij alle mogelijke, positieve of negatieve, effecten hebben. Zeg dus niet te snel ‘ga wat in de natuur zijn en dan ben je snel weer beter’, want daarvan gaan bij mij alle stekels de hoogte in en zie je mij zoals ik vaak ben, een stekelvarkentje.