“Tussen autisten klikt het beter” – of toch niet? Een kritische kijk achter de Jenga-blokken … autisme en onderzoek

(c) Sam Peeters, tistje.com

Het klinkt als muziek in de oren voor wie weg is van neurodiversiteit: autistische mensen voelen zich prettiger in het gezelschap van andere autistische mensen. Minder ongemak, meer plezier, meer verbinding. Dat is de conclusie van een nieuw onderzoek dat de ronde doet. Maar wacht even… Waar baseren ze dat eigenlijk op?

Een groep onderzoekers uit de VS en het VK (Foster et al., 2025) deed een experiment waarin mensen vijf minuten samen een toren van Jenga-blokken moesten bouwen. Daarna werd hun ‘gevoel van rapport’ gemeten. De uitkomst? De all-autistische groepen gaven zichzelf gemiddeld hogere rapportcijfers dan gemengde groepen. En dus, zeggen de onderzoekers: zie je wel, het probleem is geen gebrek aan sociale vaardigheid bij autisten, maar een mismatch tussen autistische en niet-autistische communicatie.

Klinkt logisch? Misschien. Maar als je de originele publicatie erbij neemt, zie je al snel: dit onderzoek bewijst dat dus helemaal niet. Laten we dat eens stap voor stap ontleden.


Wat werd er precies onderzocht?

De onderzoekers verzamelden 143 volwassenen – 77 autistisch (formeel gediagnosticeerd of zelfdiagnose) en 66 niet-autistisch (of toch geen formele diagnose). Die werden willekeurig in groepjes van vier gezet, op vier manieren:

  • Allemaal autistisch
  • Allemaal niet-autistisch
  • Drie niet-autisten + één autist (autistische minderheid)
  • Drie autisten + één niet-autist (niet-autistische minderheid)

Iedere groep kreeg dezelfde opdracht: bouw samen een zo hoog mogelijke toren met Jenga-blokken. Eerst kregen ze 3 minuten om te ‘smalltalken’ terwijl de onderzoeker zogezegd nog iets ging halen. Daarna: 5 minuten bouwen. Dan: een korte vragenlijst met vijf vragen zoals “Hoe prettig was de interactie?”, “Hoe succesvol voelde het?” en “Hoe bevreemdend was het?” (die laatste werd omgekeerd gescoord). Alles op een schaal van 0 tot 100.


Wat vonden de onderzoekers?

Autistische deelnemers gaven hogere scores aan de groepen waarin ze alleen met andere autistische mensen zaten. Vooral op twee onderdelen – ‘plezier’ en ‘vriendelijkheid’ – scoorden die groepen beter dan gemengde groepen. Niet-autistische deelnemers gaven ongeveer dezelfde scores, ongeacht met wie ze samen zaten.

Dat klinkt als een bevestiging van het double empathy problem: het idee dat communicatie tussen autistische en niet-autistische mensen spaak loopt door wederzijds onbegrip, niet door eenzijdige gebreken.

Maar schijn bedriegt in dit geval: de verschillen waren klein, het ging slechts om een paar vragen, en veel resultaten waren statistisch helemaal niet significant. Toch worden in de samenvatting grote conclusies getrokken over sociale modellen, empathiekloof en hoe autisten zich beter voelen bij elkaar.


Wat klopt hier niet?
  1. Vijf minuten interactie is geen sociaal leven.
    Hoeveel kan je afleiden uit een extreem korte opdracht met een toren? Geen echte gesprekken, geen langdurige samenwerking, geen wederzijdse geschiedenis. Je meet vooral: eerste indrukken, oppervlakkige indrukken én – vooral – hoe veilig mensen zich voelen in een onbekende groep.
  2. Wat meet je eigenlijk?
    ‘Rapport’ klinkt mooi, maar het is vaag. De vijf vragen meten hoe mensen zich achteraf voelden. Dat kan van alles beïnvloeden: stress, onzekerheid, interpretatie van de vragen, eerdere ervaringen, sociale angsten… En vooral: we weten niet wat ‘vriendelijk’ of ‘awkward’ betekent voor iemand die al z’n hele leven afwijzing heeft ervaren.
  3. Er werd geen rekening gehouden met camoufleren (masking).
    Een cruciaal punt dat de auteurs zelf toegeven: ze maten niet in hoeverre autistische deelnemers zich aanpasten aan niet-autistische normen. Dat is nochtans essentieel, want juist dat aanpassen kost energie en kan het gevoel van ‘geen klik’ verklaren. In een groep met alleen autisten kan die druk wegvallen – niet per se omdat er meer ‘klik’ is, maar omdat je eindelijk even jezelf kunt zijn.
  4. De deelnemers wisten van tevoren of ze in een gemengde groep zaten.
    Hoewel niemand wist wie precies autistisch was, werd wél meegedeeld of je in een ‘autistische meerderheid’ of ‘gemengde groep’ zat. Dat beïnvloedt verwachtingen en gedrag enorm. Als je weet dat je de enige autist bent, voel je je misschien automatisch al op je hoede. Of ongemakkelijk. Dat zegt dus iets over de situatie, niet per se over de mensen.
  5. Het aantal gemengde groepen was klein.
    Er waren maar 13 groepen met een neurominderheid. Dat maakt de statistiek erg fragiel. Bovendien werden veel analyses post-hoc gedaan (achteraf, zonder correcties voor het grote aantal vergelijkingen). En toch trekken de auteurs harde conclusies: “autistische mensen voelen meer rapport met elkaar.” Dat is wetenschappelijk op z’n zachtst gezegd voorbarig.

En dan die observaties over samenwerking?

In de volledig autistische groepen werkte iedereen mee. Niemand bouwde een aparte toren. Niemand stond aan de zijlijn. Dat klinkt prachtig – maar het is gebaseerd op losse observaties van de onderzoekers, zonder standaard methodologie of objectieve metingen. In de gemengde en niet-autistische groepen zag men wel wat ‘splitsing’: iemand die zijn eigen toren bouwde, iemand die zich terugtrok. Maar dat kan ook gewoon te maken hebben met groepsdynamiek, sociale angst of zelfs onduidelijke instructies.


Wat bewijst dit onderzoek dan wél?

Eigenlijk vooral dit: autistische mensen voelen zich veiliger, comfortabeler en minder onder druk in een groep met anderen die hen begrijpen – of op z’n minst niet dwingen tot aanpassing. Dat lijkt logisch, en lijkt ook op te gaan voor niet-autistische mensen. Op zich betekent dit niet dat ‘rapport’ tussen verschillende neurotypes onmogelijk is. Of dat autisten per definitie beter af zijn bij elkaar. Het is zelfs onwetenschappelijk om dat laatste aan te nemen op basis van dit onderzoek.

Wat het onderzoek voor een stuk wel aantoont, is hoe sterk de sociale context meespeelt. En hoe belangrijk het is dat we veilige, afgestemde en niet-oordelende ruimtes creëren voor álle mensen, autistisch of niet.


Samengevat:

Het onderzoek is klein, kort en simplistisch. De meetinstrumenten zijn beperkt en beïnvloedbaar. Er is een grote mate aan placebo-effect bij de onderzoekers. De framing en verwachtingen vooraf stuurden de resultaten. De conclusie (‘autisten voelen meer klik met elkaar’) is sterk overdreven en zegt vooral iets over de intenties van de onderzoekers. En wat het onderzoek wel bevestigt? Dat sociale veiligheid cruciaal is. Maar misschien was dit al in eerdere onderzoeken en veel beter aangetoond


📚 Gebruikte bron
Foster, S.J., Ackerman, R.A., Wilks, C.E.H. et al. (2025). Rapport in same and mixed neurotype groups of autistic and non-autistic adults. Autism. https://doi.org/10.1177/13623613251320444

2 Comments »

  1. … wat ik helemaal mis is dat van autisten wordt aangenomen dat ze/we niet van smalltalk houden, en dat alle groepen toch 5 minuten tijd voor smalltalk kregen. Gebruikten de groepen met alleen autisten die tijd ook – voor een strategiebespreking of voor iets anders, of gingen die meteen zonder uitstel aan de slag?

    Geliked door 1 persoon

  2. Hi, ik lees je blogs graag, maar sinds een tijdje vul je de regels uit, ook aan de rechterkant. Dat maakt dat je blog op een telefoon heel slecht is te lezen (heel veel brede witte ‘rivieren’ door de tekst) en op een groter scherm nog steeds slecht. Alleen in de reader van wordpress vult de tekst niet uit en die is veel eenvoudiger te lezen. Is er een reden om de tekst uit te vullen? Is dat uit te zetten? Groet, Peter

    Like

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *