Een therapeut spreekt … autisme en beeldvorming

Foto van Simon H op Unsplash

Waarschuwing: Gevoelige tekst. Bepaalde gevoelige thema’s passeren, evenals stereotypes en clichés. Dit is een fictieve tekst, rond een collage van alle uitspraken over autisme tijdens voordrachten van psychiaters, therapeuten, coaches en dergelijke die ik de voorbije jaren heb bijgewoond. Deze tekst betekent uiteraard niet dat ik iedereen die zo’n voordracht geeft over dezelfde kam wil scheren.

Vanavond zit ik in CC De Vaert, een cultureel centrum op een goede tien kilometer van ons dorp. De zaal zit afgeladen vol. Veel ernstig volk. Deze avond spreekt een bekende psychiater, wiens naam ik even ongenoemd laat. De zaalverlichting is gedimd en het geroezemoes van het publiek – een mix van gefluister, het ritselen van jassen en het zachtjes schuiven van stoelen – verstomt tot een gespannen, verwachtingsvolle stilte.

Het podium is minimalistisch. Een enkele, dure designstoel. Een laatste kuchje doorbreekt de rust, waarna alleen het zachte zoemen van de ventilatie nog hoorbaar is. Alle ogen zijn gericht op het uitgelichte podium, waar de eenzame spreekstoel staat, een tafel met een karaf sprankelend water en het oplichtende startscherm van de presentatie een belofte inhouden. In de lucht hangt een voelbare concentratie, een collectieve ingehouden adem. De honderden mensen zijn vanavond niet gekomen voor entertainment, maar voor inzicht, herkenning en antwoorden.

De spreker komt op. Een man diepe rimpels op zijn voorhoofd, rond de zeventig, gekleed in een stijlvol, zwart maar licht gedragen kostuum. Hij straalt een soort intellectuele vermoeidheid uit. Hij wandelt rustig naar het midden van het podium, kijk het publiek aan met een blik, die alles al gezien heeft, en zucht, nauwelijks hoorbaar.

De avond begint. Iedereen is geconcentreerd. De laatkomers schuifelen verontschuldigend de zaal binnen.

Dames en heren. Dertig jaar zit ik in het vak. Dertig jaar. Ik heb de trends zien komen en gaan. Van de freudiaanse sofa over de systeemmanie tot de mindfulness-app. De laatste vijftien jaar is er één woord dat alles overschaduwt. Van Kanner tot Wing, van Rimland tot Frith, van Attwood tot Vermeulen.  Eén diagnose die een modewoord, een excuus en mijn leven is gaan overheersen. Ik ben vanavond gevraagd mijn kijk op deze problematiek met jullie te delen. En ik heb toegestemd. Niet zonder enige nudging. Ik ga u niet uitleggen wat dat betekent. Zoek het maar op.

Enfin, autisme. Het woord is eruit. Ik ben er intussen in gespecialiseerd geraakt. Zonder ervoor te kiezen.. Al zo’n 25 jaar. Dat betekent dus dat ik er wel iets over kan zeggen, ja?. Niet dat ik me expert zou noemen. Of deskundige. Of dat ik gevraagd wordt voor de tv, of interviews, nee, nee. Maar goed, ik doe mijn best om er iets over te zeggen. Iets kleins.

Pauze. Hij loopt naar de stoel, gaat zitten. De toon is die van een professor die een hopeloze klas toespreekt.

Je hebt de beelden, natuurlijk. De klassiekers uit de handboeken. De een zit in de hoek te schommelen en herhaalt urenlang dezelfde zin. De ander voert een gesprek over kwantumfysica maar vergeet te eten. De derde ziet eruit als iedereen, tot de bus vijf minuten te laat is en er een complete systeemcrash volgt. En dan heb je nog die vierde die niet praat, die alleen maar schreeuwt en slaat. Allemaal hetzelfde label. Een spectrum, noemen ze dat. De ene is een Silicon Valley-miljonair, de ander woont in een instelling. Maar het is hetzelfde? Kom nou. Het is een vergaarbak. Een vuilnisbak-diagnose voor alles wat… afwijkt.

En ik zie het elke dag. De programmeur die tegen mijn schouder praat, of naar een plint staart in mijn consult. Het verhaal van het nichtje op het trouwfeest dat luidop zegt: “De symmetrie van de sleep is incorrect.” De gefrustreerde man die spreekt over zijn collega die zijn boterhammen in een vaste, heilige volgorde eet. Wereldoorlog III in een Tupperware-bakje als je de boel door elkaar schudt.

Ja, dan heb je ook nog die man die in de supermarkt verstijft omdat zijn yoghurt in een ander gangpad staat. Een label in zijn hemd wordt een staatszaak. En vraag hem niet ‘hoe gaat het met jou’, want dan krijg je ofwel een analyse van de vraag zelf, ofwel een monoloog van twintig minuten over hun laatste obsessie. Treinen, Japanse animatie, de broedpatronen van de albatros… Het maakt niet uit. Jij bent zijn publiek. En empathie? Dat is een script dat autisten hebben geleerd. Ze zeggen de juiste dingen, met de verkeerde intonatie, op het foute moment. Omdat het zo hoort. Het is een imitatie, geen gevoel. Zoals veel van wat ze doen.

Hij leunt naar voren, de toon wordt scherper, meer confidentieel.

Maar dan heb je nog die anderen. Verdomme, ze zijn met veel, hoor. De nieuwe golf. De zelf-gediagnosticeerden. Ze komen onbeleefd mijn kantoor binnen, gewapend met een checklist van TikTok. “Dokter, dokter, ik ben autistisch.” Ik had laatst een jonge vrouw. Ze schreef er al een boek over voor ze het had. Alles was autisme. Haar ontslag? De baas begreep haar ‘communicatiestijl’ niet. Haar mislukte relaties? Mannen konden niet om met haar ‘behoefte aan structuur’. Na drie sessies was het pijnlijk duidelijk: dit was zeker geen autisme. Dit was een een geval van diepgewortelde angst voor sociale afwijzing en een pathologisch onvermogen om verantwoordelijkheid te nemen, verpakt in het meest modieuze excuus van de 21ste eeuw. Een zaak van rejection sensitivity disorder, maar dan majeur. Zeer majeur.

Of die student die niet onder de mensen durfde te komen. Sociaal onhandig, zeker. Maar autisme? Nee, geenszins. Gewoon een jongen die door zijn ouders overbeschermd was, nooit had leren vallen en opstaan, en nu de hardheid van de wereld niet aankon. En die natuurlijk niet kon werken, wat denk je. We plakken er een neurologisch label op, en plots is het niet meer zijn schuld. Het is zijn brein. Probleem opgelost. Of beter: probleem gecementeerd.

De man staat op, begint te ijsberen. De frustratie groeit merkelijk

En probeer ze maar eens te behandelen, mensen toch. In therapie? Een echte ramp. Ze willen geen therapie, ze willen een handleiding. Een stappenplan voor ‘geluk’. Ze analyseren mijn vragen in plaats van ze te beantwoorden. Ze willen dat ik hun gelijk bevestig: dat de wereld het probleem is, niet zij. Dat ze geen begrip ervaren, geen autismevriendelijkheid. En als je probeert door te dringen tot de échte emotie achter die muur van logica, dan klappen ze dicht. Of ze beschuldigen je ervan dat je hun ‘neurotype’ niet begrijpt. Romantiek is niet logisch, dus overbodig. Seks is een taak op de planning. Het is vechten tegen een identiteit die ze met hand en tand verdedigen, want zonder dat label, wat blijft er dan over? Gewoon iemand die lastig is?

Een bitter lachje, maar zijn stem zegt veel

En als de echte wereld te ingewikkeld wordt, verdwijnen ze. Online. In hun games zijn ze Sir Lancelot, hier is het Bart die niet durft te bellen voor een pizza. Ze bouwen relaties op met AI-chatbots, want die worden niet moe van hun monologen over de specificaties van een grafische kaart. De perfecte, programmeerbare vriend die nooit zegt: “Bart, het is drie uur ’s nachts, hou nu toch eens op.”

Plots is iedereen tegenwoordig autistisch. Einstein, Mozart, Marie Curie. Iedereen die geniaal en een beetje vreemd was, wordt postuum ingelijfd. Alsof dat bewijst dat het een superkracht is. Ze vergeten erbij te vertellen dat die mensen vaak diep eenzaam en ongelukkig waren. Maar dat detail past niet in het heroïsche plaatje.

Dan slaat hij plots hard met de vlakke hand op de stoelleuning. De ene helft van de zaal schrikt op, de andere wakker.

En dan dat nieuwe evangelie, jongens toch: neurodiversiteit. Geen neurodivergentie, dat is politiek, nee, neurodiversiteit. Klinkt prachtig. Alsof het geen stoornis meer is, maar een ‘variatie’. “Gewoon anders, niet minder,” chanten ze. Ze willen gewoon geen behandeling, ze willen aanpassingen. Prikkelarme uren. Stiltewagons. Ondertiteling bij het leven, liefst. De hele wereld moet zich plooien naar hun brein. Maar als je gewoon ‘anders’ bent, waarom heb je dan constant reddingsboeien nodig? Je kan toch niet zeggen “ik ben uniek” en tegelijk eisen dat de hele wereld op fluistertoon gaat leven. Het wordt een vrijbrief om niet te hoeven groeien, niet te hoeven veranderen. De ultieme hangmat.

En dat creëert maar een oorlog in hun hoofd. Een stammenstrijd. Aan de ene kant de ‘neurotypicals’ – dat zijn wij, de saaie, ongevoelige massa – en aan de andere kant de ‘neurodivergenten’. Een eretitel. Puur, eerlijk, hyperfocus, loyaal.

Hij haalt zijn bril uit zijn hemd, vervolgens een zorgvuldig opgevouwen stuk krantenpapier. Hij toont het aan de zaal.

Ik schreef onlangs een opinieartikel voor een krant, gebaseerd op dertig jaar klinische ervaring, en de volgende dag, je raad het nooit, staat mijn mailbox vol met haatmails van bloggers die mij, de psychiater, die volledig de bal misslaat, de les spellen.

Dat ik het woord ‘stoornis’ niet mag gebruiken. Ook conditie niet. Beperking? Nee, nee! Handicap? Zeker niet. Ziekte? Lijden? Zorg? Forget it! Nee, ik moest ‘persoon met autisme’ zeggen, in plaats van ‘autist’, of nee, wacht, het was andersom. Of nee, vorige week was het andersom, want ‘autistisch’ is nu weer een identiteit. Ik kan het echt niet meer volgen. Ze vechten over terminologie waar je bij staat, alsof het een heilige fatwa is, terwijl er mensen écht kapotgaan in de wereld. En als je niet meegaat in hun jargon, dan ben je een ‘ableist’, een ‘validist’. Een onderdrukker, een neokolonialist. Ik heb acht jaar gestudeerd, dertig jaar ervaring opgebouwd, maar een hip mediageval met een blog en een zelfdiagnose weet het blijkbaar beter.

De toon wordt serieus, somber. Het licht wordt harder, killer.

En dan… het eindstation, dat is ook wat. De euthanasievraag. Ik heb tientallen dossiers op mijn bureau. Twintigers, dertigers. ‘Ondraaglijk psychisch lijden ten gevolge van autismespectrumstoornis.’ Een prachtige, klinische zin. Maar wat het écht betekent? ‘Ik geef het op.’ En de maatschappij knikt mee. ‘Ja, het is zwaar, dat is pas lijden. Het is uitzichtloos.’

Is hun lijden echt? Absoluut, als een vis op het droge. Maar is het onbehandelbaar? Of zijn zij onbehandelbaar omdat ze elke verandering weigeren? Ze komen met verhalen over comorbiditeit. Dat het niet het autisme zelf is, maar de depressie, de angst… Alsof dat het beter maakt. Maar als de cijfers tonen dat 70% van hen ook depressief is, als de helft suïcidaal is, dan is er misschien wel een verband, denkt u niet?

We geven echt niet zomaar een spuitje aan iemand met pleinvrees die weigert naar buiten te gaan. Ook niet aan iemand met mystieke nonsense. Maar als je ‘autisme’ zegt, wordt het plots een nobel, tragisch einde. Ik weiger daarin mee te gaan. Het is een intellectueel en moreel failliet van onze tijd. Ik zeg het u: de oude Lacan zou zich nog omdraaien in zijn graf.

De man staat weer stil. Kijkt naar zijn handen, alsof hij er bloed aan ziet.

Dus dat is autisme vandaag, denk ik. Een puzzel met stukjes die niet lijken te passen. En iedereen blijft maar duwen en forceren, in de hoop dat het beeld ooit klopt. Soms voor henzelf, soms voor ons. Maar het past niet. En de vraag is: ligt het aan het puzzelstukje? Of ligt het aan de puzzel?

Hij kijkt even omhoog, naar de theaterlampen, alsof daar het antwoord hangt.

Na dertig jaar… weet ik het niet meer. En ik denk…

Er volgt een lange, veelbetekenende pauze.

…ik denk dat zij het zelf ook niet weten.

Een lange stilte hangt over de zaal. Het licht dimt langzaam. De man wandelt langzaam weg.

Zwart.

5 Comments »

  1. Als therapeut kan ik de inhoud van deze tekst alleen maar met bewondering en herkenning lezen. Dit getuigt van een meesterlijk inzicht in dit soort evenementen dat, tot mijn verbazing, nog steeds veel volk trekt, en instemming veroorzaakt.

    Geliked door 1 persoon

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *