Het Einde van de ‘Boys Club’? … autisme en man/vrouw-verhouding

(c) Sam Peeters, 2026

Jarenlang gold het als een ongeschreven regel: autisme is een conditie die voornamelijk jongens en mannen betreft. De statistische verhouding van vier jongens op één meisje leek in steen gebeiteld. Een baanbrekend onderzoek, gepubliceerd in het Britse tijdschrift British Medical Journal (februari, 2026), waarin 2,7 miljoen levensverhalen werden geanalyseerd, lijkt dit beeld te verbrijzelen. Toch vinden sommige lezers ook dat het nieuws genuanceerd moet worden.

In de beeldvorming en hulpverlening wordt autisme vaak geassocieerd met het stereotype van de sociaal onhandige jongen of de mannelijke systeemdenker. Dit beeld is niet zomaar ontstaan; het werd decennialang gevoed door diagnostische cijfers. Maar cijfers vertellen slechts het verhaal van wie er gezien wordt, niet noodzakelijk van wie er is.

Onderzoekers doken in de Zweedse bevolkingsregisters en analyseerden gegevens van kinderen geboren tussen 1985 en 2020. Door deze groep te volgen tot in 2022, konden zij trends blootleggen die in kleinere studies onzichtbaar blijven. Wat blijkt? De man-vrouwverhouding (in vakliteratuur de Male-to-Female Ratio of MFR) lijkt geen biologische constante, maar een variabele die drastisch verandert naarmate de leeftijd vordert.

De Grote Inhaalslag

Het onderzoek lijkt te bevestigen dat jongens op jonge leeftijd nog steeds vaker worden gediagnosticeerd. In de leeftijdsgroep tot tien jaar blijven de oude statistieken overeind: ongeveer drie jongens krijgen een diagnose voor elk meisje. De symptomen bij jongens sluiten vaak naadloos aan bij de klassieke checklist, waardoor zij snel worden opgepikt door ouders en leerkrachten.

Maar na het tiende levensjaar kantelt het beeld op spectaculaire wijze. Waar de curve van nieuwe diagnoses bij jongens begint af te vlakken, begint die bij meisjes en jonge vrouwen juist steil te klimmen.

“In de meest recente meetperiode (2020-2022) lag de piek voor nieuwe diagnoses bij vrouwen pas tussen de 15 en 19 jaar. In deze adolescentiefase werden er zelfs méér vrouwen dan mannen voor het eerst gediagnosticeerd.”

De onderzoekers spreken van een duidelijk ‘inhaaleffect’. Vrouwen worden niet plotseling autistisch in hun tienerjaren; ze worden dan pas zichtbaar voor de zorg.

Een Projectie naar Pariteit

De meest opzienbarende bevinding uit de studie is een projectie voor de nabije toekomst. Op basis van de huidige trendlijnen voorspellen de onderzoekers dat voor de generatie die in 2024 twintig jaar oud is, de cumulatieve man-vrouwverhouding de 1:1 zal bereiken.

Dit is een statistische revolutie. Het impliceert dat de prevalentie van autisme onder jongvolwassenen gelijk verdeeld is over de seksen. De ‘gender gap’ in autisme lijkt, althans in Zweden, op weg naar volledige verdamping zodra de volwassenheid wordt bereikt.

Waarom bleven vrouwen onder de radar?

De studie en de analyse ervan dragen diverse verklaringen aan voor deze verschuiving. Het gaat hierbij om een samenspel tussen sociale mechanismen, klinische criteria en de inrichting van de zorg.

1. De kunst van het camoufleren

Een belangrijke factor is het fenomeen ‘sociale camouflage’ of maskeren. Meisjes met autisme zijn vaak sterker geneigd – en sociaal meer onder druk gezet – om sociaal wenselijk gedrag te imiteren. Ze kopiëren gebaren, gezichtsuitdrukkingen en gesprekstechnieken van leeftijdsgenoten.

Tijdens de basisschoolperiode, waar sociale interacties nog relatief gestructureerd zijn, werkt deze overlevingsstrategie vaak goed genoeg om onder de diagnostische radar te blijven. Echter, in de adolescentie explodeert de sociale complexiteit. De subtiele nuances van tienerrelaties, gecombineerd met de toenemende eisen aan zelfstandigheid, maken dat de camouflage niet langer vol te houden is. De ogenschijnlijke aanpassing stort in, wat leidt tot een crisis en uiteindelijk een diagnose.

2. Diagnostische overschaduwing als toegangspoort

In het verleden werkten bijkomende psychische problemen (comorbiditeiten) vaak in het nadeel van vrouwen. Een meisje met een eetstoornis, angstklachten of een depressie werd behandeld voor die specifieke klacht, waarbij het onderliggende autisme over het hoofd werd gezien. Dit fenomeen heet diagnostische overschaduwing.

Tegenwoordig zien we een kentering. De hulpvraag voor angst of depressie fungeert nu steeds vaker als de ‘toegangspoort’ tot de geestelijke gezondheidszorg. Eenmaal binnen het zorgsysteem kijken gespecialiseerde teams verder dan de primaire klacht en herkennen zij het autisme dat aan de basis ligt van de uitputting of angst.

Het Failliet van het ‘Vrouwelijke Beschermende Effect’

Jarenlang werd de scheve man-vrouwverhouding verklaard vanuit het zogenaamde Female Protective Effect (FPE). Deze hypothese stelde dat vrouwen een hogere genetische drempelwaarde hebben dan mannen: er zou een zwaardere ‘genetische belasting’ of mutatiegraad nodig zijn voordat het autistisch fenotype zich bij een vrouw manifesteert. Vrouwen zouden, kort gezegd, biologisch robuuster zijn tegen de ontwikkeling van autisme.

De data uit het Zweedse onderzoek trekken deze biologische verklaring echter in twijfel. De redenering is logisch: als vrouwen daadwerkelijk een aangeboren, biologische bescherming zouden genieten, zou deze bescherming niet plotseling moeten wegvallen rond het vijftiende levensjaar. Biologische factoren zoals chromosomen veranderen immers niet tijdens de adolescentie.

“De massale inhaalslag in diagnoses op latere leeftijd suggereert dat de drempel niet biologisch van aard was, maar methodologisch.”

De studie toont aan dat de veronderstelde ‘bescherming’ waarschijnlijk geen kwestie was van biologie, maar van ascertainment bias (selectieve waarneming). Vrouwen waren niet beschermd tegen autisme, maar tegen de diagnose autisme. De kenmerken waren wel aanwezig, maar werden door een gebrek aan herkenning van het vrouwelijke fenotype en andere diagnostische criteria (die historisch geijkt waren op jongens) niet als zodanig geïdentificeerd. De daling van de man-vrouwverhouding naarmate de leeftijd vordert, bewijst dat het onderscheid tussen de seksen in prevalentie veel kleiner is dan het medische model lang heeft aangenomen.

Nuances en kritische kanttekeningen

Ondanks de indrukwekkende omvang en looptijd van de studie, plaatsen de auteurs zelf enkele belangrijke kanttekeningen. Ten eerste leunt het onderzoek volledig op registerdata en administratieve ICD-codes. Dit biedt een krachtige helikopterview, maar mist klinische fijngevoeligheid: we weten dat iemand de diagnose heeft gekregen, maar hebben geen inzicht in specifieke symptomen, fenotypes of de individuele lijdensdruk.

Daarnaast is de dataset niet over de gehele periode even compleet; gegevens van poliklinische patiënten werden pas vanaf 2001 structureel toegevoegd, wat de cijfers uit de vroegste jaren enigszins kan vertekenen en de gemiddelde leeftijd bij diagnose in die periode kunstmatig kan hebben verhoogd. Ook is de veelbesproken pariteit (1:1 verhouding) in 2024 een statistische projectie met een inherente onzekerheidsmarge, en geen vaststaand feit. Tot slot is de context specifiek Zweeds. Hoewel de trend internationaal herkenbaar is, speelt het toegankelijke, publiek gefinancierde zorgsysteem van Zweden een rol in de hoge detectiegraad, die in landen met andere zorgsystemen mogelijk lager uitvalt.

Conclusie: Naar een betere klinische praktijk

Deze bevindingen dwingen tot bescheidenheid en actie. De medische en psychologische praktijk moet erkennen dat de diagnostische criteria en screeningsinstrumenten decennialang zijn geijkt op een mannelijk prototype.

Hoewel het verleidelijk is om deze verschuiving louter toe te juichen als een teken van vooruitgang, legt het ook een pijnlijke realiteit bloot: generaties vrouwen hebben jarenlang geworsteld zonder de juiste kaders of ondersteuning. De late diagnose komt vaak pas na een periode van vastlopen op school, werk of in relaties.

De toekomst van autismezorg ligt in het middenveld tussen het medische model, dat de noodzaak van diagnose en ondersteuning erkent, en een bredere maatschappelijke acceptatie. De erkenning dat autisme geen zeldzame afwijking bij mannen is, maar een menselijke variatie die bij beide seksen even frequent voorkomt, is daarin een cruciale eerste stap. Het neurodiversiteitsmodel biedt hierin een hedendaags vocabulaire, maar de harde data uit Zweden lijken te suggereren dat ‘Boys Club’ definitief lijkt opgeheven.

Het Engelstalige artikel vind je hier: BMJ 2026; 392 (Gepubliceerd 04 February 2026)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *