Op zondagmiddag … autisme en tijdsbeleving

Zondagmiddag is voor mij een vreemd soort tussengebied. Het voelt niet meer echt als weekend, maar ook nog niet als de week. Ik bevind me in een soort wachtruimte, ergens tussen “niks moet” en “alles moet weer”. Misschien herken je dat gevoel, misschien is het voor jou net de fijnste tijd van de week. Voor mij hangt er altijd een spanning in de lucht, zeker omdat ik sinds enkele jaren aan weekendangst lijdt. Als er iets fout loopt in mijn leven gebeurt altijd op een zaterdag, of een zondag, op een moment waarop we er alleen voor staan.
Meestal ben ik al rond zeven uur wakker. Ons gebouw slaapt dan nog. De meeste buren komen pas echt in beweging tegen vier uur in de namiddag, of zelfs later. Tegen dan zijn mijn liefste en ik al negen uur bezig. Zondag is bij ons geen rustdag. Het is gewoon een dag zoals de andere, met taken, rituelen en kleine planningen. Het enige verschil is dat de wereld om ons heen trager lijkt te lopen.
Net als op andere dagen hou ik me vast aan vaste tijdstippen. Om twaalf uur eten we ’s middags, rond drie uur is het tijd voor een vieruurtje, om vijf uur avondeten, om zes uur installeren we ons voor de televisie. Om acht uur begin ik me klaar te maken voor bed, om half negen gaat het licht uit. Niet omdat ik dan meteen slaap, integendeel: het duurt vaak nog ruim twee uur voor mijn sporthorloge meet dat ik echt slaap. Maar dat ritme geeft mij houvast. De dag valt zo in duidelijke blokken uit elkaar en dat maakt de tijd minder dreigend.
Tussen die blokken door is er altijd wel iets te doen. Ik doe (mee) de afwas, ruim op, doe administratie, schrijf teksten of mails, bereid dingen voor zodat ik maandagochtend meteen kan beginnen. Soms overvalt me wel eens een lichte vorm van melancholie, maar gelukkig valt dat mee in deze periode van het jaar. Ik heb er vooral last van ’s winters en ’s zomers, minder in de herfst of lente.
Ik heb dan ook mijn bezigheden. Ik overloop de week: waar kan ik nu al een kleine stap zetten om later minder stress te hebben? Soms boek ik nog snel een online afspraak bij een arts. Ik heb ook nog wat werk voor mijn online cursus antiek, of ik schrijf concepten voor mijn blog of een eventueel boek. Op andere momenten lees ik verder in een boek dat ik doordeweeks moest neerleggen omdat er gewoon te weinig hoofdruimte was. Zondagmiddag is bij mij zelden leeg of saai. Het spoor waar mijn gedachten op kunnen zoeven, loopt gewoon door.
Vroeger nam ik het mezelf kwalijk dat ik zo vast hing aan rituelen. Ik dacht dat ik spontaner zou moeten zijn, dat ik “gewoon eens niets” moest doen, dat ik anders was dan “de norm”. Nu kijk ik er anders naar. Ik ben bijna voortdurend mijn routines aan het opfrissen: ik bedenk nieuwe, schaaf oude bij, laat dingen los die niet meer passen. Rituelen zijn voor mij geen bewijs dat ik star ben, maar tools om mijn dagen leefbaar te maken. Ze vormen een soort structuur waarbinnen ik net wél ruimte voel om te ademen.
Zelfs wanneer ons huis stil lijkt, is het dat voor mij nooit echt. In mijn hoofd blijft elk geluid aanwezig: het gezoem van de koelkast, een auto in de straat, stemmen in de verte, het zachte tikken van de verwarming. Mijn brein filtert dat niet automatisch weg. Alles blijft een beetje even luid. Fel bovenlicht voelt alsof het op mijn ogen duwt en langzaam mijn energie uit me trekt. Daarom leef ik liefst met een staande lamp aan of enkel met het licht van buiten. En als er dan plots iemand een kast hard dichtdoet, gaat mijn hele systeem in alarm, ook als ik rationeel wéét dat er niets aan de hand is. Mijn lichaam reageert sneller dan mijn gedachten.
Soms lijkt zondagmiddag eindeloos te duren, zeker als er op maandag een afspraak gepland staat. Die ene afspraak kan dan als een zwaartepunt in mijn hoofd hangen, waar alles naartoe trekt. Het voelt dan alsof de hele zondag alleen nog in het teken van die afspraak staat. Alsof de tijd tot maandag geen echte tijd is, maar enkel “wachten”. Op zulke dagen kan ik moeilijk echt landen in wat ik doe. Alles voelt als overbrugging.
Meestal kiezen mijn liefste en ik er dan voor om even naar buiten te gaan. We wandelen naar het strand, na een korte autorit, of trekken de polders in. Naar buiten gaan is tegelijk een opluchting en een aanval op mijn zenuwstelsel. De vaste wandelingen – altijd ongeveer dezelfde paden – helpen mij. De voorspelbaarheid van het traject brengt rust, terwijl we al wandelend bespreken wat ons bezighoudt. Wij praten het best als we stappen: naast elkaar, kijkend in dezelfde richting, niet recht tegenover elkaar aan tafel.
Sinds mijn liefste rollend door het leven gaat, in een tweedehands Quickie‑rolstoel, is wandelen ook iets praktischer geworden. Ik moet flink doorstappen om haar bij te houden. Het is nog zoeken naar een tempo dat voor ons allebei goed voelt. We passen ons letterlijk aan elkaar aan: zij in haar rolstoel, ik op mijn benen. Het klinkt simpel, maar in die afstemming zit veel: tempo, uithouding, prikkels, wind, verkeer, onverwachte obstakels.
Op zo’n wandeling zijn er niet alleen de zintuiglijke prikkels – geluiden, licht, wind – maar ook sociale. Mensen die een praatje willen slaan, ons herkennen van ergens, nieuwsgierig vragen hoe het met ons gaat. Sinds we ooit in het lokale dagblad gestaan hebben als winnaar van een wedstrijd van zelfstandige winkeliers, zijn we een beetje “bekend” in de buurt. Het valt al bij al mee, lang niet iedereen leest nog de krant (of gaat naar een lokale winkelier), maar toch. Elk onverwacht contact vraagt een kleine mentale switch: glimlachen, kort uitleggen, aftasten hoe lang het gesprek duurt. Ook dat hoort bij mijn zondagmiddag-tijdsbeleving: momenten die langer voelen dan ze in werkelijkheid duren.
Los van de buitenwereld hangt er op zondagmiddag ook een onzichtbare laag verwachtingen boven mij. Familiebezoek, “eens gezellig afspreken”, samen iets doen. Zelfs als er niets concreet gepland is, lijkt dat idee toch rond te zweven: dat zondag het moment is waarop je sociaal hoort te zijn. Soms voel ik me schuldig omdat ik het liefst alleen ben, of omdat ik bezoek eerder ervaar als een taak waar ik achteraf van moet herstellen dan als ontspanning. Jarenlang hadden we meer vaste familiebezoeken, maar dat bleek niet langer haalbaar. Nu hebben we dat afgebouwd. Af en toe spring ik nog binnen, bij gelegenheid, op een manier die voor mij beter te dragen is.
Tegen het einde van de middag schuift zondagavond langzaam in beeld, en met een iets zachtere contour ook maandag. Ik denk aan wat er allemaal moet gebeuren, wie ik ga zien, welke situaties veel energie zullen vragen. Ik bereid ook mijn nacht voor: ik zorg dat alles klaar ligt, dat ik niet meer te veel keuzes hoef te maken. In gedachten loop ik langs andere mensen die zondagavond angst of – stress kennen. Ik weet hoe zwaar die overgang kan zijn. Ik heb er vroeger vaak hevige aanvallen van gehad.
En toch, hoe vreemd het misschien ook klinkt, is er tegen het einde van de middag soms ook dankbaarheid. Ik ben dan dankbaar dat ik het weekend weer bijna “overleefd” heb. Dat mijn lichaam en hoofd, ondanks alles, nog meedraaien. In bed zet ik een landschapsfilm op in mijn hoofd: velden, water, wolken, boerderijdieren, soms het geluid van onze eigen wandelingen. Mijn liefste kijkt intussen nog wat televisie. Terwijl ik langzaam in slaapstand ga, sluit ik mijn ogen met een kleine glimlach. Zondag, en het weekend, is weer voorbij, met alle leuke en minder leuke kanten. En ergens tussen al die prikkels en rituelen door, is er toch iets dat ik misschien gewoon leven kan noemen.