De ontmoeting op het perron … autisme en opgelicht worden

Twee silhouetten van mensen op een perron tijdens zonsondergang, met één persoon die op een smartphone kijkt.
Foto van Dennis Niew op Unsplash

Die dag stond ik op het perron te wachten. Ik wachtte op een trein naar het verre oosten van het land, naar het grootste universitaire ziekenhuis.

Toen stapte ze op me af. Niet naar het groepje reizigers waar ik bij in de buurt stond. Ook niet naar de jongere met de koptelefoon of de oudere ernstig kijkende man met aktetas. Nee, recht op mij. Achteraf vroeg ik me af of dat wel toeval was.

“Do you speak English?”

Ze glimlachte terwijl ze het vroeg met een Slavisch accent. Het was geen brede glimlach, eerder een kleine opening in haar gezicht waardoor je vanzelf wilde teruglachen. Ze was wellicht aantrekkelijk voor sommige mannen, op een ingetogen manier. Haar donkere jas volgde de lijnen van haar magere lichaam, met daaronder een lichte blouse die net zichtbaar bleef bij de hals. Een strakke zwarte broek verdween in elegante laarsjes met een bescheiden hak. Verzorgd, zonder overdreven te zijn.

Toen ik antwoordde dat ik Engels sprak, leek ze opgelucht.

“Nobody answers,” zei ze, en ze keek me recht aan. Niet uitdagend, maar met een intensiteit die je het gevoel gaf dat er op dat moment niemand anders bestond.

“I need a ticket.”

Ze haalde een biljet van twintig euro tevoorschijn. “No ticket.” Dat was duidelijk. Ze wees naar beneden. Ik begreep dat ze met dat geld een treinkaartje wilde kopen, en ze verwachtte dat ik haar daarbij kon helpen.

“You can buy tickets with cash at the ticket counter in the central hall.”

Ik probeerde uit te leggen dat ze gewoon met contant geld kon betalen bij het loket. Ze knikte, en stelde meteen opnieuw dezelfde vraag. En opnieuw. Pas na enkele minuten viel me op dat ze nooit echt antwoord gaf op mijn vragen.

“Waar moet u naartoe?” Geen antwoord. “One way or return?” Geen antwoord. “Welke trein moet u hebben?” Geen antwoord.

Steeds kwam ze terug op hetzelfde: ticket, geld, naar beneden, dringend. Altijd dringend.

Mijn blik gleed naar de automaten in de stationshal. Plots herinnerde ik me allerlei verhalen over mensen die zogenaamd hulp nodig hadden, die vroegen of je even met jouw pasje wilde betalen, die je onder druk zetten. Ze deden dat niet door agressief te zijn, maar door vriendelijk over te komen en hulpeloos te lijken, zodat je het gevoel kreeg dat jij de enige was die hen kon helpen.

Ik keek opnieuw naar haar. Misschien zag ik spoken, misschien was ik achterdochtig. Zou het discriminerend zijn om meteen misbruik te vermoeden? Maar hoe langer ik luisterde, hoe minder haar verhaal leek te kloppen. Ze had contant geld. Ze was duurder gekleed dan ik. Ze had ongetwijfeld een dure smartphone. Ze sprak beter Engels dan de meeste mensen. Er waren loketten, automaten en stationsmedewerkers. Waarom had ze míj dan nodig, en waarom bleef ze aandringen dat ik mee naar beneden zou gaan?

Ze zette een stap dichterbij, niet veel, net genoeg. Ik rook een lichte parfum. Ik deed een stap achteruit.

“My train.”

“Iedereen heeft een trein nodig,” zei ik. “Daarom zijn we hier.”

Ze glimlachte opnieuw, even maar, alsof ze wist dat ik haar niet geloofde. Of alsof ze wist dat ik nog niet had beslist.

“Come, come with me.” Ze wees naar beneden. “Downstairs.”

Haar ogen bleven op mij gericht, en ik voelde me ongemakkelijk. Niet omdat ze aantrekkelijk was, maar omdat ik de indruk kreeg dat haar uiterlijk deel uitmaakte van de tactiek. Alsof ze daar niet toevallig stond. Alsof ze had bestudeerd hoe mensen kijken: wie wegkijkt, wie blijft kijken, wie gevoelig is voor een glimlach, wie zich graag behulpzaam opstelt en wie zich laat overtuigen.

Misschien was ik te wantrouwig. Misschien had ik gewoon te veel geluisterd naar verhalen over oplichting en te veel waargebeurde politieseries gekeken. Maar ik kreeg het gevoel dat mijn uitstraling als iemand die makkelijk te bedriegen is, mij weer eens in een situatie had gebracht die ik al te goed kende.

“Er is personeel beneden,” zei ik. “They help.”

Nog altijd glimlachend schudde ze haar hoofd. “Come.”

Daar was het weer. Dat was geen vraag om informatie en ook geen vraag om een ticket. Het was een bevel om mee te gaan, verpakt als een vraag. Op dat moment wist ik zeker dat ik niet zou meegaan. Iemand die werkelijk hulp nodig heeft, accepteert meestal meerdere oplossingen. Zij leek er maar één te willen: mij. Of liever: mijn pinpas. Of beter nog: de code van mijn pinpas.

Ik pakte mijn telefoon erbij en trok me terug. Ik kan dat goed, me terugtrekken. Mensen zeggen dat ik daar een natuurlijke aanleg voor heb. Dat zou wel eens kunnen kloppen.

Een seconde lang verdween de glimlach van haar gezicht, en dat moment was kort maar lang genoeg om iets heel anders te tonen: iets kouds en berekenend.

“Dommerik,” mopperde ze, in vlekkeloos Duits. Alsof ik geen Duits verstond. Het is verdorie onze derde landstaal in België. Helmut Lotti, op dit moment de bekendste autistische Vlaming, zong ooit nog het nationale volkslied in het Duits. Waarom zou ik dan geen Duits begrijpen?

Ze draaide zich om en liep weg. Haar laarsjes tikten ritmisch over het perron. Even verderop sprak ze een andere man aan, daarna nog iemand, alsof ze gewoon opnieuw begon en het gesprek met mij nooit had plaatsgevonden. Een van hen wimpelde haar al af nog voor ze hem kon aankijken. Als een vervelend stofje dat kwam aanwaaien.

Toen ze uiteindelijk toch een trein instapte, keek ik haar na. Ze zag er nog altijd uit als een toerist, een zakenvrouw of een elegante reiziger met een probleem. Dat was misschien wel haar grootste talent: niets aan haar wekte de indruk van bedrog.

Net daarom vroeg ik me af hoeveel mensen zij die ochtend wél naar de automaat beneden had gelokt, en hoeveel van hen zich bijzonder hadden gevoeld omdat juist zij hen had uitgekozen.

De trein verdween uit het zicht. Ik bleef achter op het perron, met het ongemakkelijke besef dat oplichters zelden op oplichters lijken. Meestal lijken ze op mensen die hulp nodig hebben, of misschien zelfs op mensen die te mooi, te kwetsbaar of te charmant zijn om te wantrouwen.

Dat is tenslotte hun vak.

1 Comment »

  1. Hoi Sam,

    Goed dat je wantrouwend was! Sommige neurotypici doen dat inderdaad, ze hebben er dan talent voor om onbekenden in te schatten op hoe makkelijk het is om ze voor de gek te houden. Waarschijnlijk zag ze iets opens in jouw blik, iets argeloos dat sommige autisten hebben. Goed dat haar dat niet gelukt is, jouw talent om mensen te observeren is je goed van pas gekomen.

Geef een reactie