Neurocomplexiteit: bevrijding of nieuw keurslijf?

(c) Sam Peeters, 2026

Er zijn momenten waarop je een nieuwe term tegenkomt en onmiddellijk denkt: dat klinkt nieuw maar toch niet slecht. Dat gevoel kan het begrip neurocomplexiteit oproepen. Het woord, bedacht in 2022 door de Amerikaanse autistisch/neurodivergente therapeute Lindsey Mackereth, probeert iets te vatten wat ik vaak terugzie in teksten van autistische mensen: dat hun leven geen optelsom is van losse trekjes of nette diagnostische vakjes, maar een grillig, veranderlijk geheel van aandacht, vermoeidheid, zintuiglijke intensiteit, camouflage en lichamelijke kwetsbaarheid.

Dat is een begrijpelijk streven. Maar een mooi streven is nog geen goed begrip. En juist omdat neurocomplexiteit een reëel hiaat probeert te dichten, verdient het een scherpe lezing — niet om het weg te zetten, maar om te kijken wat het werkelijk doet.

Wat neurocomplexiteit wil zijn

Mackereth omschrijft neurocomplexiteit niet als een vervanging van bestaande diagnoses, maar als een uitbreiding: een lens voor mensen bij wie overlappende profielen zoals autisme, ADHD, begaafdheid, synesthesie en chronische ziekte samenkomen zonder dat één traditioneel label hun ervaring volledig dekt. Ze betrekt er ook het lichaam bij — chronische ziekte, autonome ontregeling, somatische gevoeligheid — en breekt daarmee de kunstmatige scheiding tussen “neurologisch”, “psychisch” en “lichamelijk” open.

Voor een groep autistische volwassenen, maar (vanzelfsprekend) lang niet allemaal, die het niet uitgelegd krijgen dat hun uitputting niet gewoon vermoeidheid is, dat hun lichaam meebeweegt met hun hoofd, dat stress niet “in hun hoofd zit” maar in elk systeem tegelijk, kan dat een opluchting zijn. Ze herkennen zich in een kader dat erkent hoe autistische trekken soms pas zichtbaar worden tijdens burn-out, hormonale verschuivingen of langdurige stress — en dat niet doet alsof autisme uitsluitend een kwestie van hersenbedrading is, losgekoppeld van levensgeschiedenis en sociale druk.

Het is volgens mij niet onbelangrijk te weten dat Mackereth zelf autistisch en neurodivergent is. Dat plaatst neurocomplexiteit niet in de traditie van buitenstaanders die over autistische mensen spreken, maar in die van ervaringsdeskundigen die hun eigen leven proberen te begrijpen en te benoemen. Dat is moedig. Maar het betekent ook weer niet dat het begrip daarmee boven kritiek staat. Ook autistische mensen kunnen theorieën formuleren die bepaalde ervaringen centraal stellen en andere over het hoofd zien — en de autismegemeenschap is te divers om door één kader volledig gevat te worden, ook niet door een kader dat van binnenuit komt. Ik wil autistische onderzoekers zeker niet betuttelen en hen anders behandelen omdat ze autistisch zijn.

Ik zou het te kort door de bocht vinden om neurocomplexiteit eenvoudigweg weg te zetten als modeterm. Het begrip probeert een bestaand probleem aan te pakken: dat diagnostische categorieën en verklarende theorieën vaak onvoldoende vatten hoe autistische levens zich in het dagelijks leven ontvouwen. Maar juist omdat het een echt hiaat probeert te vullen, moet het des te scherper bevraagd worden op wat het zichtbaar maakt — en wat het weer laat verdwijnen.

Het probleem is volgens Mackareth niet dat autistische mensen te complex zijn voor de werkelijkheid. Het probleem is dat hulpverlening, onderwijs en publieke taal vaak te simplistisch zijn voor de autistische werkelijkheid.

De voornaamste kritieken op neurcomplexiteit

Tot nu toe bestaan er drie belangrijke kritieken op het begrip.

Een eerste is dat het autisme dreigt verdunnen door het op te lossen in een brede waaier van overlappende kenmerken, waardoor de specifieke sociale en politieke positie van autistische mensen uit beeld verdwijnt. Een mooi begrip voor innerlijke complexiteit vervangt dan stilzwijgend de hardere woorden: uitsluiting, aanpassing, ongelijkheid.

Daarnaast verspreidt het zich vooral via coaching, workshops en betaalde trajecten, zonder stevige wetenschappelijke onderbouwing. Herkenning is nog geen bewijs, en een verkoopbaar concept is nog geen theorie.

En ten slotte past neurocomplexiteit het best bij autistische mensen die verbaal sterk zijn, hoog reflectief en cultureel kapitaal hebben — waardoor mensen met hogere ondersteuningsnoden of minder taal opnieuw buiten beeld vallen. Nieuwe taal is niet automatisch inclusiever.

Begaafdheid als verborgen toegangsticket

Opvallend in het neurocomplexiteitsdiscours is de belangrijke plaats van begaafdheid, dat door Mackareth binnen neurodivergentie wordt gerekend.

Mackereth legt vooral verbanden tussen neurocomplexiteit en trajecten van “begaafde jongeren” die later presentaties vertonen die op autisme of ADHD lijken. Dat komt overeen met reële ervaringen van sommige laat gediagnosticeerde volwassenen — maar het schept ook een subtiel hiërarchisch risico.

Wanneer neurocomplexiteit sterk gekoppeld raakt aan hoge intelligentie, creativiteit en diep reflectief vermogen, ontstaat er impliciet een aantrekkelijker, cultureel prestigieuzer beeld van neurodivergentie. De verbaal sterke, introspectieve, theoretisch ingestelde autist wordt zichtbaarder. De autistische persoon met hogere ondersteuningsnoden, beperkte taal of minder cultureel kapitaal verdwijnt opnieuw naar de achtergrond.

Een begrip dat vooral de complexe, reflecterende autist zichtbaar maakt, kan volgens critici tegelijk de rest van het spectrum verder naar de schaduw duwen. Nieuwe taal is dus helaas niet automatisch inclusiever. Zeker niet als ze vooral goed past bij de mensen die al relatief goed kunnen spreken, schrijven en conceptualiseren.

Intersectionaliteit: verwantschap én grens

Neurocomplexiteit raakt volgens de bedenker van de term aan intersectioneel denken omdat het benadrukt dat neurodivergentie niet losstaat van lichaam, levensloop, stress, trauma en sociale context. Die verbreding is op zichzelf nuttig, vooral voor wie autisme jarenlang uitsluitend als hersenstoornis gepresenteerd zag.

Maar intersectionaliteit gaat niet alleen over gelaagdheid. Het gaat over hoe macht, privilege en structurele ongelijkheid verschillende identiteitsassen tegelijk vormgeven. En daar wringt het. In veel beschrijvingen van neurocomplexiteit verschuift de aandacht naar de innerlijke complexiteit van het individu, terwijl structurele factoren slechts worden mee vernoemd als contextvariabelen.

Autistische mensen botsen niet alleen op hun eigen sensorische of executieve grenzen. Ze botsen op instituties die gebouwd zijn rond neurotypische tijd, neurotypische communicatie en economisch productiviteitsdenken. Als neurocomplexiteit dat niet centraal stelt, blijft het radicale potentieel ervan beperkt tot een verhaal over individuen met interessante breinen.

Ook autistische theorieën verdienen kritiek

Tot zover gaat de kritiek over een begrip dat van buitenaf komt. Maar een volwassen autistisch kennisveld moet ook zijn eigen favoriete theorieën durven bevragen. Autistische herkomst is geen garantie voor conceptuele onfeilbaarheid.

Neurocomplexiteit dreigt volgens critici in dezelfde val te trappen als monotropisme en de double empathy hypothese, namelijk die van selectieve blindheid voor de diversiteit van de autismegemeenschap.  De diversiteit binnen het spectrum is enorm — in communicatiestijl, sensorisch profiel, ondersteuningsnood, levensgeschiedenis, culturele achtergrond en de manier waarop autisme zich dag na dag uitdrukt. Autistische mensen hebben soms net zoveel moeite om elkaar te begrijpen als om begrepen te worden door niet-autistische mensen. De verbinding die men zoekt binnen de autismegemeenschap is reëel en waardevol, maar ze is niet vanzelfsprekend

Zowel neurocomplexiteit, monotropisme als de double empathy theory lijken aantrekkelijk omdat ze een bepaalde groep autistische mensen taal geven die ze zoeken. Maar die aantrekkelijkheid kan er ook toe leiden dat autistische gemeenschappen of professionals deze modellen gaan behandelen als moreel veiliger en daardoor minder kritisch toetsbaar. Ook een theorie die uit autistische hoek komt, kan reductionistisch worden, selectief blind zijn, rechten bedreigen of vooral de ervaringen representeren van beperkte groep autistische volwassenen. Ook bij neurocomplexiteit bestaat het risico dat een op zichzelf herkenbaar kader te snel wordt opgeblazen tot overkoepelende taal voor autisme, overlap, burn-out, lichaam, begaafdheid en identiteit.

Wat neurocomplexiteit zou moeten zijn

Dit alles betekent niet dat neurocomplexiteit eenvoudigweg afgewezen moet worden als modeterm. Het begrip kan bruikbaar zijn als tijdelijk vocabulaire voor mensen die zichzelf herkennen in overlap, veranderlijkheid, masking en uitputting — zeker wanneer bestaande labels tekortschieten.

Maar die bruikbaarheid heeft voorwaarden. Neurocomplexiteit moet zichzelf bescheiden positioneren als lens, niet als totaaltheorie, en zeker niet als elegante vervanging van bestaande theorieën. En het moet zich laten corrigeren door autistische ervaringsdeskundigheid en ervaringskennis in al haar diversiteit — ook wanneer die kennis wantrouwig staat tegenover nieuwe jargonvorming of tegenover de commercialisering van neurotaal.

Autistische mensen hebben volgens mij geen behoefte aan nog een woord dat hen mooier, interessanter of theoretisch aantrekkelijker maakt voor de buitenwereld. Wat nodig is, is taal die hun werkelijkheid niet afzwakt, hun maatschappelijke positie niet verdoezelt en hun vermoeidheid niet omzet in een verkoopbaar complexiteitsverhaal.

Neurocomplexiteit kan dus pas zinvol worden wanneer het de diversiteit binnen de autismegemeenschap serieus neemt — wanneer het niet alleen herkenbaar is voor een beperkte groep mensen, maar ook ruimte laat voor ervaringen die zich niet zo netjes laten conceptualiseren. Dat het begrip van binnenuit komt, is een verdienste. Maar het is ook precies daarom dat de lat hoog mag liggen: wie spreekt vanuit autistisch denken, draagt de verantwoordelijkheid om niet te vergeten hoe breed en hoe divers die ervaring is.

1 Comment »

  1. Ik onderschrijf dat neurocomplexiteit, monotropisme en de double empathy hypothese risico lopen op selectieve blindheid voor de diversiteit van de autismegemeenschap. Daarom ben ik geneigd om aan de buitenwereld – mensen zonder psychiatrische diagnose of zorgverlenende functie – vooralsnog te melden dat ik neurodivers ben, zonder verdere specificatie. Hierbij beschouw ik “neurodivers” als het werken van mijn brein op opvallend verschillende manieren ten opzichte van veel andere mensen. Mensen wiens brein niet opvallend verschillend werkt ten opzichte van veel andere mensen zouden eventueel “neurotypisch” genoemd kunnen worden – mits dit niet lijkt tot reductionisme, wat mijns inziens sterk contextafhankelijk is.

    Like

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *