Tien onzichtbare spelregels die mij als autistisch persoon nog altijd verwarren … autisme en samenleving

In het dagelijks leven zijn er talloze ongeschreven regels. Regels die de meeste mensen nooit hebben geleerd, maar die ze toch feilloos lijken te kennen. Regels die pas zichtbaar worden op het moment dat ik ze overtreed. En dat moment komt er gegarandeerd.
Als autistisch persoon merk ik die regels op een bijzondere manier op: niet van binnenuit, maar van buitenaf. Ik zie ze wanneer iemand zijn wenkbrauwen fronst. Wanneer een gesprek opeens stokt. Wanneer de sfeer verandert en ik precies weet dat ik iets ‘verkeerd’ heb gedaan ā maar niet wat.
Wat ik door de jaren heen heb ontdekt, is dit: elk conflict leert me iets. Niet alleen over mijzelf, maar ook over de ander. Over welke veronderstellingen zij als vanzelfsprekend beschouwen. Over hoe ze reageren wanneer die veronderstellingen worden verstoord. En ja, eerlijk gezegd ook over of ik hen in het vervolg wil blijven zien, of liever wat afstand bewaar.
Hieronder beschrijf ik tien onzichtbare sociale normen die mij regelmatig verwarren. Niet als klaagzang, maar als analyse. Want volgens mij helpt een aanzet tot begrijpen ā ook als het niet alles oplost.
1. Verwachtingen die voortdurend verschuiven
De meest frustrerende normen zijn niet de onbegrepen regels, maar de veranderende regels. Wat gisteren werkte, werkt vandaag niet meer. Wat bij die persoon gepast is, is bij een andere totaal misplaatst. Context bepaalt alles ā en context is voor mij moeilijk leesbaar.
Ik leer door observatie, door te proberen en te falen, door te raden en soms goed te zitten. Dat kost energie. Veel energie. In de hulpverlening worden soms sociale vaardigheidstrainingen aangeboden met vaste gespreksscripts, maar die aanpak mist het punt: communicatie is geen draaiboek. Het is een levend, voortdurend veranderend systeem dat zich aanpast aan persoon, plaats en stemming. Geen script overleeft de eerste ontmoeting met de werkelijkheid.
2. De verpakking telt meer dan de inhoud
Op school, op de werkvloer, in vergaderingen: een vlotte presentatie wordt vaak hoger gewaardeerd dan gedegen inhoud. Wie enthousiast en extravert overkomt, wint. Wie nuchter en feitelijk communiceert, verliest ā ook al heeft die persoon het bij het rechte eind.
Ik verwerk informatie grondig. Ik ga voor nauwkeurigheid boven indruk. Dat is geen keuze, het is gewoon hoe mijn denken werkt. Maar het stoot mensen af wanneer de toon te droog is, de presentatie te saai, de houding te weinig performatief.
Wanneer de vorm belangrijker wordt dan de boodschap, raakt de essentie van het gesprek voor mij verloren in een wolk van sociaal theater.
Onderzoek naar autisme op de werkvloer bevestigt dit patroon: autistische medewerkers presteren vaak uitstekend op taakniveau, maar worden ondergewaardeerd omdat ze de impliciete sociale verwachtingen van de werkcultuur niet invullen. Dat zegt iets over die cultuur, niet over hun competentie.
3. Smalltalk als sociale plicht
Er wordt van mij verwacht dat ik meedoe aan het koffiemachinegesprek. Dat ik blijk geef van interesse in de weekendplannen van collega’s. Dat ik lach op de juiste momenten en knik op de juiste plaatsen. Dit soort oppervlakkige interactie wordt gezien als de sociale lijm van een groep.
Voor mij is het vooral: vermoeiend. Niet omdat ik mensen niet waardeer, maar omdat dit type contact mij leegtrekt zonder dat het me iets geeft. Ik investeer die energie liever in werk dat er voor mij toe doet. Dat klinkt misschien arrogant, maar het is puur een kwestie van energiebeheer.
In onderzoek naar autisme en werkbeleving duikt dit thema steeds terug op: het zijn niet de werkinhoudelijke taken die het zwaarst wegen, maar de voortdurende sociale verwachtingen eromheen. De informele cultuur vraagt vaak meer dan de functieomschrijving.
4. Indirecte taal als professionele norm
“Zou het misschien een idee zijn om dit anders aan te pakken?” betekent in de praktijk: doe het anders. Nu. Maar dat staat er niet. Dat wordt bedoeld, niet gezegd.
Indirecte, vage taal is in veel professionele omgevingen de norm. De aanname is dat iedereen wel begrijpt wat er eigenlijk wordt bedoeld. Ik begrijp het niet altijd. En wanneer ik direct en helder communiceer ā wat ik als vriendelijk en efficiĆ«nt beschouw ā wordt dat soms als bot of ongepast ervaren.
Dit is een van de meest vastgeroeste misverstanden rond autisme: dat directheid vijandigheid is. Dat is het niet. Het is gewoon een andere communicatiestijl, een die precies zegt wat ze bedoelt en verwacht dat de ander hetzelfde doet.
5. Status, hiƫrarchie en de onzichtbare rangorde
Voor mij is een directeur in eerste instantie gewoon een mens. Net als de schoonmaker, de stagiair, de vrijwilliger. Ik communiceer met iedereen op dezelfde respectvolle, directe manier ā ongeacht functietitel of rang.
Dat is soms een probleem. Want de sociale wereld draait voor een groot deel op hiƫrarchie, op wie er informeel de baas is, op wie een voorkeursbehandeling verdient op basis van status. Die onzichtbare rangorde ontgaat mij volledig. Ik zie het pas wanneer iemand gaat staan of zijn toon verandert wanneer de manager de kamer binnenkomt.
Ik heb nooit begrepen waarom de functietitel van iemand bepaalt hoe ik mijn zinnen moet formuleren. Een mens is een mens.
6. Zeggen wat je niet meent
“Je mag me altijd bellen.” Dat klinkt duidelijk. Ik geloof het. Ik bel. En dan is er ineens toch iets mis ā want het was op een moment dat de ander niet uitkwam, of over een onderwerp dat zij als onbelangrijk beschouwden.
Dit soort dubbele boodschappen is voor mij niet alleen verwarrend, maar ook een aanslag op het vertrouwen. Als woorden iets anders betekenen dan wat er staat, hoe weet ik dan ooit wat er echt wordt bedoeld? Hoe kan ik vertrouwen op wat iemand zegt?
In de begeleiding van autistische volwassenen wordt dit regelmatig aangehaald als bron van conflict: de discrepantie tussen wat er gezegd wordt en wat er bedoeld wordt. Veel hulpverleners zijn zich er onvoldoende van bewust hoe letterlijk sommige autistische mensen taal verwerken ā en hoe ontwrichtend het is wanneer die taal niet klopt met de werkelijkheid.
7. De paradox van ‘jezelf zijn’
“Wees gewoon jezelf.” Dat hoor ik vaak. En ik geloof dat de meeste mensen het goed bedoelen. Maar in de praktijk heeft dat ‘jezelf zijn’ grenzen. Grenzen die onzichtbaar zijn ā totdat ik ze overschrijd.
Ik mag mezelf zijn, zolang ik niet te anders ben. Niet te direct. Niet te stil. Niet te intens. Niet te weinig sociaal. De tolerantie voor afwijking is kleiner dan de boodschap doet vermoeden.
Wat er dan gebeurt, heet camoufleren of maskeren: het aanpassen van mijn gedrag, mijn uitdrukkingen, mijn reacties aan wat de omgeving verwacht. Soms doe ik het bewust, soms zonder het te beseffen. Het kost altijd energie. Onderzoek toont aan dat langdurig maskeren samenhangt met uitputting, angst en een verminderd zelfgevoel ā niet omdat autisme zelf dat veroorzaakt, maar omdat het voortdurend spelen van een rol zijn tol eist.
8. Het standaardschema voor een geslaagd leven
Er bestaat een ongeschreven tijdlijn. School, diploma, job, relatie, kinderen, huis. In die volgorde, op dat tempo, met die invulling. Wie ervan afwijkt ā te traag, te anders, te weinig ā valt buiten de norm.
Mijn behoeften en mijn tempo wijken af van dat schema. Niet omdat ik faal, maar omdat mijn leven er anders uitziet. Daar is niets mis mee, al voelt dat in een omgeving die dat schema als vanzelfsprekend beschouwt soms anders.
Ik geloof niet dat autisme louter een tekortkoming is, zoals sommige medische modellen suggereren. Maar ik geloof ook niet dat alle moeilijkheden simpelweg het gevolg zijn van maatschappelijke drempels, zoals een strikt sociaal model stelt. De waarheid ligt ergens in het midden: er zijn reĆ«le, biologische verschillen die concrete obstakels met zich meebrengen ā Ć©n er is een maatschappij die die obstakels vergroot door weinig ruimte te laten voor andere manieren van leven.
9. De etiquette van het internet
Het internet heeft zijn eigen ongeschreven sociale codes. Wanneer je reageert. Hoe je reageert. In welke toon. Met welke emoji. Op welk platform. En die codes veranderen voortdurend ā sneller dan ik ze kan bijhouden.
Online zijn de onzichtbare stammenoorlogen nog ingewikkelder dan in het echte leven, omdat lichaamstaal en intonatie wegvallen. Ironie en sarcasme worden letterlijk gelezen. Nuance gaat verloren. En de sociale verwachtingen ā wie je mag volgen, hoe je iemand mag aanspreken, wat je publiekelijk mag zeggen ā zijn nergens neergeschreven, maar overal voelbaar aanwezig.
10. De mythe van de autistische eensgezindheid
En dan is er nog dit: de idee dat al die botsingen verdwijnen zodra ik met een andere autistisch persoon praat. Dat we elkaar meteen begrijpen. Dat de codes opeens kloppen. Dat communicatie vanzelf vlot verloopt. Het is een aantrekkelijk idee. Het is ook een fabel.
Ook tussen autistische mensen, die in de meeste opzichten gewoon mens zijn (ook al schrijven sommigen zichzelf superkracht toe) ontstaan misverstanden, wrijving, conflicten. Ook in besloten, autismevriendelijke groepen. Ook online. Autisme is geen uniforme manier van denken, waarden en normen of communiceren ā het is een brede variatie aan neurologische profielen, persoonlijkheden, ervaringen en stijlen. De ene autistische persoon is de andere niet.
Het idee dat we als een apart volk over een soepel afgestemd systeem beschikken waarmee alle misverstanden opeens van de baan zijn, doet geen recht aan de dagelijkse realiteit.
Wat soms wel anders is in contact met andere autistische mensen: een grotere bereidheid tot directheid, minder nadruk op sociale performance, meer ruimte voor stilte of herhaling. Dat is niet hetzelfde als automatische verbinding. Het is hoogstens een andere vertrekpositie.
Wat ik van conflicten over deze spelregels leer
Elk conflict, hoe onaangenaam ook op het moment zelf, leert me iets. Over de ander. Over de verwachtingen die mensen als vanzelfsprekend beschouwen. Over hoe ze reageren wanneer die verwachtingen niet worden ingevuld. Ik probeer er mij dus niet te druk over te maken als ik weer eens een wrijving ondervindt met anderen. Of het mij van de confrontatie met mijn beperkingen op dit vlak teveel aan te trekken.
Ik word er niet meteen vrolijker van dat die normen bestaan. Maar ik word er wel nuchterder van. En dat nuchterheid is, denk ik, het meest waardevolle dat ik uit al die sociale wrijvingen met anderen heb meegenomen.