Onmacht of onwil? … over autisme en narcisme in een partnerrelatie

Als autistische ervaringsdeskundige en blogger kom ik, of ik nu wil of niet, dagelijks in aanraking met cijfers. Niet enkel met kale getallen, maar ook met de trends erachter. Eén zoekvraag duikt de laatste tijd opvallend vaak op via mijn blog: wat is het verschil tussen autisme en narcisme, en dan vooral binnen een partnerrelatie? Wanneer de sfeer thuis onder hoogspanning komt te staan, gaan mensen blijkbaar op zoek naar houvast. Ze willen weten of hun partner autistisch is, narcistisch, of misschien iets heel anders.

Jammer genoeg voor hen heb ik daar weinig kaas van gegeten. Tistje is en blijft in de eerste plaats een ervaringsblog over autisme, die ik sinds 2008 schrijf. Af en toe krijg ik mails van mensen die me vragen wat het onderscheid is tussen autisme en allerlei andere classificaties: borderline, narcisme, depressie, enzovoort. Tegelijk krijg ik bij gelegenheid een mail van een lezer die mij zélf een diagnose toeschrijft, vaak meer uit frustratie of boosheid dan uit oprechte bezorgdheid. Op zulke momenten passeert zowat de hele DSM en ICD de revue: van geniaal tot hoogbegaafd, van overgevoelig tot psychotisch, van theatraal tot narcistisch. En ik vergeet er vast nog een hoop.

een artikel dat me aan het denken zette

Toch las ik onlangs een artikel van relatiecoach Stienke de Jager, Het verschil tussen een autistische en narcistische partner, over net die laatste aanduiding, in contrast met autisme. Het zette me aan het denken, en het leek me waardevol om haar tekst eens rustig naast artikels in de wetenschappelijke literatuur die ik heb gelezen te leggen. Dat is wat ik op deze blog graag doe: een herkenbaar verhaal nemen en er de nodige nuance bij zoeken.

Voor alle duidelijkheid: het gaat hier over de autismespectrumstoornis, hier kortweg autisme, en de narcistische persoonlijkheidsstoornis, kortweg narcisme. Sommige mensen zien in die afkortingen al een reden om te vitten, maar zo ver wil ik niet gaan. Ik gebruik ze hier gewoon om leesbaar te blijven. En ik schrijf dit als iemand die zelf autistisch is en die de neiging kent om met categorieën te willen vastleggen wat zich in een relatie eigenlijk niet zo makkelijk laat vastleggen.

De Jager begeleidt geregeld mensen die vastlopen in een relatie waarin autisme vermoedelijk een rol speelt. In haar tekst op Substack zet ze de verschillen tussen een autistische en een narcistische partner helder naast elkaar. Wat volgt, is mijn poging om met haar artikel in gesprek te gaan, als autistische lezer.

Een heldere lijn, of toch een grijze zone?

De Jager stelt een duidelijke, zij het scherp afgelijnde scheidslijn voor om autisme en narcisme van elkaar te onderscheiden. Ze verwoordt het onomwonden:

In het geval van autisme is er sprake van onmacht. In het geval van narcisme is er sprake van onwil of zelfs bewust gedrag.

Autistische mensen handelen volgens haar vooral vanuit een behoefte aan rust, structuur en voorspelbaarheid. Als ze zich terugtrekken of net uitbarsten, is dat zelden uit kwade wil, maar veeleer een gevolg van overbelasting en overprikkeling. Ik herken dat van binnenuit, en ik begrijp goed waarom dit kader partners in crisis houvast biedt.

In de wetenschappelijke artikels en publicaties lees ik echter vaak een weerbarstiger beeld. Het huidige onderzoek maakt, voor zover ik kan opmaken, binnen romantische relaties zelden een waterdichte scheiding tussen autisme en narcisme.

Er bestaat, voor zover ik kon nagaan, geen gevalideerd instrument dat feilloos het onderscheid maakt tussen autistisch gedrag en narcistisch misbruik. Sterker nog: onderzoekers wijzen erop dat autisme en minstens één persoonlijkheidsstoornis vaker samen voorkomen dan we doorgaans aannemen, en dat de DSM-5 vooral de grandioze kant van narcisme beschrijft. Daardoor blijft de kwetsbare variant makkelijk onder de radar.

Ik wil er zeker geen misverstand over bestaan: De boodschap is niet dat autistische mensen eigenlijk narcistisch zouden zijn. Verre van. De boodschap is dat een diagnose andere kenmerken, ook persoonlijkheidskenmerken, niet uitsluit. Een mens is meer dan één categorie. En menselijk gedrag laat zich niet zomaar terugbrengen tot een eenvoudig onvermogen. Bij autisme is zelden iets eenvoudig, dat weet ik uit ervaring.

Het lastige vraagstuk van de empathie

In teksten over autisme en narcisme mag empathie natuurlijk niet ontbreken. De Jager werkt met een overzichtelijke tweedeling:

Bij autisme zie je vaak lage cognitieve empathie, maar ze kunnen wel emotioneel meevoelen.

Bij narcisme ziet ze het omgekeerde: weinig meevoelen, maar een sterke cognitieve empathie die wordt ingezet voor manipulatie. Het is een herkenbaar en aantrekkelijk beeld: de autist die niet goed gedachten leest maar wel meeleeft, tegenover de narcist die haarscherp leest om uit te buiten.

De onderzoeken die ik doornam, onder andere via Google Scholar en Consensus, delen dat beeld maar ten dele.

Voor autisme klopt de richting grotendeels. Studies bevestigen dat veel autistische volwassenen vooral moeite hebben met perspectief nemen en cognitieve empathie, vaak samen met hogere scores op neuroticisme en lagere extraversie.

Toch is dat geen wet van Meden en Perzen. Ik deel het standpunt van een deel van de autistische mensen, waaronder mezelf anderen, zonder hard na te denken, inderdaad minder makkelijk aanvoelt, terwijl er ook autistische mensen zijn die van zichzelf zeggen datze  juist heel intens meevoelen en daar overbelast door raken. Beide bestaan, en geen van beide is dé autist. Ook al denk ik tegelijk dat overbelast raken door gevoelens nog niet noodzakelijk betekent dat je empathisch bent.

Bij narcisme wankelt het cliché van de kille, perfect lezende manipulator sterk in het onderzoek. Narcistische mensen blijken duidelijk minder echt mee te voelen, maar hun vermogen om een ander te lezen is vaak veel zwakker dan voorgesteld. Het idee dat narcisten standaard scherpzinnige gedachtenlezers zijn die alleen niet wíllen meevoelen, lijkt eerder een vereenvoudiging. Vaak hapert ook bij hen het begrip van de ander, ook al laten ze graag het tegendeel uitschijnen.

Daar zit meteen het probleem voor wie thuis wanhopig op zoek is naar zekerheid. Een lage cognitieve empathie kan bij allebei voorkomen. Een verlaagd meevoelen sluit autisme niet uit en bevestigt narcisme niet. De empathietesten die op internet circuleren, en naar verluidt veel — te veel — wordt ingevuld, geeft dus geen sluitend antwoord.

Relatiedynamiek en het bewaken van grenzen

Zoomen we in op de dagelijkse relatie, ligt het heel anders. Bij narcisme wijst De Jager terecht op manipulatief en strategisch gedrag, waarbij het draait om controle, bewondering en eigenbelang. Onderzoek bevestigt dat donkere beeld. Partners van mensen met pathologisch narcisme beschrijven vaak veel agressie, kleinering, sterke controledrang en vormen van misbruik, met zware gevolgen voor hun eigen mentale gezondheid.

Hier is de nadruk op veiligheid geen detail, maar van levensbelang. Wie zich herkent in zo’n situatie, met systematische vernedering, isolatie of angst, doet er goed aan eerst de eigen veiligheid voorop te stellen en gerichte hulp te zoeken. Dat is geen relatieprobleem dat je met wat meer geduld oplost.

Bij relaties waarin autisme speelt, liggen de pijnpunten meestal ergens anders. Daar gaat het in onderzoek vooral over communicatie, onzekerheid en de moeite met het lezen van sociale signalen. En, belangrijk: een groot deel van die moeilijkheden ligt niet bij één persoon alleen, maar komt tot uiting in de afstemming tussen twee mensen. Soms verschillen ze in denkstijl of neurotype, soms ook helemaal niet.

Dat is meteen het hoopvolle nieuws. Waar een narcistische dynamiek bijna per definitie schadelijk is, kan een relatie met een autistische partner wel degelijk warm en liefdevol zijn. Onderzoek wijst uit dat zulke relaties goed kunnen werken, op voorwaarde van wederzijdse afstemming, begrip en steun. De uitkomst hangt steeds af van wat beide partners samen opbouwen, op voorwaarde dat beiden rekening houden met elkaar specifieke logica en gevoeligheden. Dat is in mijn ervaring de kern: een relatie maak je minstens met twee.

Een eenvoudig onderscheid om in het hoofd te houden

Het onderscheid zou ik dus niet vasthangen aan een diagnose, maar wel aan een richtinggevoel. Bij een autistische dynamiek voelt het probleem doorgaans als we begrijpen elkaar niet. Bij een narcistische dynamiek voelt het vaker als ik word kleiner en onveiliger. Het eerste vraagt om vertaling en afstemming. Het tweede vraagt om bescherming. Maar zelfs dit verschil is een kompas, geen meetlat.

Besluit: bescheidenheid boven vinkjes

De analyse van Stienke de Jager biedt volgens mij een herkenbare overlevingsgids voor partners die verstrikt zijn geraakt in twijfel. Haar advies om bij een escalatie een time-out in te lassen, is gewoon goed advies. Toch blijft het in de praktijk moeilijk om precies te weten wat er aan de hand is. Je kent zelden het volledige plaatje, de kenmerken overlappen, en de DSM-5 vangt vooral de grandioze vormen van narcisme, waardoor de kwetsbare variant onder de radar blijft.

Iedereen verdient een relatie waarin respect en de eigen behoeften centraal staan, autistische en niet-autistische mensen evengoed. Maar de ingewikkelde wisselwerking tussen een mens en zijn omgeving laat zich zelden vangen in eenvoudige vinkjes of een snelle zoektocht op het internet. Wie echt vastzit, heeft weinig aan de tegenstelling onmacht versus onwil. Die persoon doet er vooral goed aan een professional te raadplegen voor een zorgvuldige, klinische beoordeling, niet meteen te denken dat het een uitgemaakte zaak is. En als er sprake is van onveiligheid: daar niet mee wachten.

Een diagnose verklaart gedrag. Ze verontschuldigt het niet, en ze veroordeelt iemand evenmin op voorhand. Dat onderscheid bewaren, ook als het thuis stormt, is misschien wel het meest waardevolle wat we kunnen doen: voor de autistische partner, voor de narcistische, en voor wie naast hen staat.

1 Comment »

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *