Op zoek naar Provençaalse saus

Zoals steeds op woensdag, sta ik vandaag voor een van de rekken in de plaatselijke supermarkt. Niet zomaar een rek. Voor het rek recht tegenover de diepvries. Waar in het midden mijn merk Provençaalse saus hoort te staan. Tenminste, daar stond die tot voor kort.

Voor de zoveelste keer al vandaag scan ik het rek systematisch maar tevergeefs. Mijn ogen speurend naar mijn merk. In opperste concentratie. Zowat alles komt voorbij. Provençal in een tube, in een doorzichtige verpakking. Als wit merk, als huismerk, in tien andere merken. Als koude en als warme saus. Vloeibaar en diepgevroren. Met en zonder speciale ingrediënten. In kleine, grote en megagrote pot. In alle varianten.

Bij het Vlijtige Viswijf

Het enige ontbrekende is de mij gewenste en bekende verpakking. In dat typische potje met dat vertrouwde deksel. Dat sluit maar ook gemakkelijk te openen is. Met dat geruststellende etiket met daarop ‘uit grootmoeders tijd’. Ze weten hier verdorie toch dat ik enkel deze ‘provençal’ koop. Om ze te vermengen met rijst en samen met hondshaai van viswinkel ‘Het Vlijtig Viswijf’ op te eten. Klaargemaakt door mijn vriendin. Geen ‘viswijf’ maar wel vlijtig.

Zo voel ik me terug in mijn jeugd. Toen Opa, IJslandvaarder, ons zondagmiddag ‘zeehondjes’ voederde. Hoewel ik niet zo gek ben op vis, ging dat lange tijd goed. Tot het WWF (of was het Greenpeace) haar campagne begon voor het behoud van de zeehondjes. En ik er dus geen meer wilde eten. Van de ene op de andere dag. Ze smaakten niet meer.

Hondshaaien en de Europese Commissie

Tot bleek dat het niet ging om die beestjes van de bloederige spektakels van de Jappen, maar gewoon om ‘hondshaaien’. Gewoon vissen dus. Die riepen bij mij niet bepaalde warme gevoelens op. Die zwommen domweg in zee. Die kon je niet eens aaien. Alleen grote mensen van de Europese Commissie kwamen daarvoor uit hun bed. En wie of wat ‘Europa’ was wist ik toen nog niet goed. Tenzij dat je daar bergen geld kon verdienen. Dat sprak (en spreekt) me heel erg aan. ‘Later ga ik ook voor Europa werken’, dacht ik toen.

Waarom die haaien dan wel zeehondjes werden genoemd, ben ik nooit te weten gekomen. Opa heeft het einde van de visquota van de Europese Commissie niet overleefd. Zijn Provençaalse saus en zeehondjes leven nog verder in mijn geheugen. Zijn saus was weliswaar zelfgemaakt maar mijn favoriete merk smaakt net als die van opa. En nu blijkt die weg. Zomaar. Ineens.

Daar breekt iets in mij

Langzaam begin ik panisch te worden. Daar breekt iets in mij, brave consument. Is dit dan een zoveelste einde van mijn jeugd, de verdrijving uit het paradijs, het zoveelste teken van mijn nakende dood? Zal ik binnenkort in het hiernamaals met opa zeehondjes in Provençaalse saus eten?

Meer nog, kan mijn supermarkt dit mij aandoen? Heb ik hier dan niet al zoveel geïnvesteerd door mijn aankopen, dat het misschien wel dankzij mij is dat het personeel hier nog altijd winkeltje mag spelen? Als consument heb ik toch het recht om te vragen dat ze mijn producten verkopen? Of minstens dat ik toegankelijke informatie krijg waarom het uit de rekken is gehaald.

Mocht dit in de Verenigde Staten zijn, ik zou mijn advocaat en psychiater op de zaak gezet hebben en schadevergoeding om de schok en aankomend psychisch trauma geëist hebben. En met dit artikel de internationale media gehaald hebben. ‘Autist krijgt levenslang gratis Provençaalse saus’. Of ‘Autist krijgt schadevergoeding van 2 miljoen’. Al wordt het misschien ook ‘Autist is niet langer welkom in plaatselijke supermarkt’.

Een dagdroom en het afprijsrek

Even dagdroom ik dat er thuis nog een potje Provençaalse saus dat ik vergeten ben. Maar dan corrigeert mijn rede mij: nee, de plaats op het schap waar dat staat is leeg, daarom ben je hier, daarom besta je op dit moment.

Met rasse schreden haast ik mij nog eens richting ‘afprijsrek’. Daar staan producten van – 30% tot – 60% afgeprijsd, omdat ze de vervaldatum naderen. Misschien staat daar nog een verloren potje. Nee, alleen de lekkerste (en duurste) hapjes liggen er nog. Alleen net (nog) niet over de vervalbaarheidsdatum. Wel lekker afgeprijsd. Met mijn -60%-zalm waan ik me zowaar een dumpsterdiver. Maar dat laatste potje saus van mijn smaak mis ik.

Maar wacht eens, misschien heeft iemand de laatste echte Provençal gegrepen (gelijk heeft ie) en elders moeten lossen (bedacht dat ie te weinig geld mee had) en neergezet waar ’t niet hoorde (foei!). Maar waar dan wel? Bij de luiers, tussen de magere, halfvolle en volle melk, tussen de soorten cola (de ene al onsmakelijker dan de andere), in het rek van de kazen en fijne vleeswaren?

Nibelungengemut

Hoe lang ik de rekken ook afloop, ik zie niets (behalve wat ik niet nodig heb). Het begint intussen ook op te vallen dat ik me iets anders gedraag dan anderen.

Dus trek ik me terug waar ik me goed voel, bij het rek van de boeken en de tijdschriften. Daar staat nog steeds het ‘Vijftig Tinten Grijs’ te blinken naar ‘Verlaat me niet: hoe verlies ik niet wie en wat ik graag heb’. Waarbij ik terugdenk aan mijn Provençal.

‘Du hast mich verlassen’, denk ik, en in mijn hoofd komt een aria uit de Nibelungenring van Wagner opzetten. Ik probeer mezelf tot de rede terug te brengen. Op mijn boodschappenlijstje staat nog meer opgelijst. Maar zonder Provençal kom ik maar niet verder, kom ik niet klaar (freudiaanse woordspeling bedoeld). Mijn ogen blijven er hangen.

Supermarktpsychologie

Had ik mijn Provençal maar als laatste opgeschreven, dan had ik nu direct naar de kassa gekund. Maar nee, het lot heeft gewild dat het niet zo was.

Bovenaan staat gelukkig het Fruit en Groenten. Omdat de supermarktpsycholoog van het huis beslist heeft dat mensen dit eerst nodig hebben. Als je binnenkomt kom je in de groentetuin terecht. Heb je die doorlopen, dan kom je in de koele, witte gang van de gekoelde zuivelproducten.

Ga je die gang door, en neem je de eerste links, dan kom je bij de thee, de koffie, de chocomelk, ontbijtgranen en vervolgens de smeer – en zoetmiddelen zoals tientallen soorten chocopasta, hagelslag, gelei, jam en honing.

Net vandaag is ook dat rek herschikt. Wat een chaos. Ik moet weer elke verpakking scannen om mijn merk van gewoonte te vinden. Hier zijn tientallen studies aan voorafgegaan en een hele batterij mensen heeft gewerkt aan de ideale opstelling van dit rek. Wat we willen verkopen, moet op ooghoogte staan, is hun motto. Naar het inzicht ‘Wat ik niet zie, bestaat niet’.

Op ooghoogte staat dus de thee of de koffie die men wil verkopen. Het supermarktmerk meestal. Dat ik zelf nooit koop. Mijn smaakpapillen willen er maar niet aan wennen. Wellicht door een verkeerde opvoeding.

Zelf verkies ik meer smakelijke koffie van bij een klein winkeltje dat mijn eigen melange samen stelt en ter plaatse brandt. Het prijskaartje is natuurlijk navenant, maar de smaak echt wel beter. Door de moordende concurrentie is het winkeltje helaas overkop gegaan. Nog een jeugdherinnering die mij is ontnomen.

Instore marketing voor minder typische breinen

Klanten worden geleid naar wat zichtbaar is voor hen. Of naar wat korting oplevert op dat moment. Net zoals we in winkels met opmonterende muziek langer blijven hangen. In een vorig leven heb ik op een economische hogeschool nog een opleiding gevolgd waar we het vak verkoopspsychologie en verkooptechniek kregen.

Ik stond versteld hoeveel energie, ernst en arbeid er gestoken was in de opstelling van het rek, de kleur & vorm van verpakkingen, en de positie van de producten binnen de supermarkt. Nu begint de ‘instore marketing’ ook de minder typische breinen te ontdekken in allerlei wetenschappelijke studies. Dat is immers ook een markt. Maar daar verder op in gaan zou ons veel te ver leiden.

Ethische bezwaren bij supermarktbezoek

Toch heb ik bij elk bezoek van de supermarkt vreselijk veel ethische bezwaren.

Er is vooreerst de vraag of ik daarmee niet bijdraag tot de ondergang van de kleinschalige zelfstandige ondernemers, die mij nauw aan het hart liggen.

En zorg ik bij de aankoop van dit of dat product niet voor allerlei sociale, economische of ecologische rampen op korte, middellange of langere termijn?

Tegelijk voel me verplicht de afweging maken tussen wat goed is voor mijn gezondheid, wat betaalbaar is en haalbaar is binnen mijn budget en wat goed is voor andermans leven.

Via de altijd kapotte flessenautomaat naar de sausen

Voorbij de smeer – en zoetmiddelen, kom ik langs de flessenautomaat. Waar slechts weinig flessen in passen, en het altijd fout loopt als ik er ook maar iets in steek. Ik hoef bij wijze van spreken maar naar het ding te kijken en het slaat al tilt.

Terug richting uitgang op mijn rechterzijde zie ik het brood en links de melk, slagroom en smeltkaas. Hoewel tegen mijn principe, koop ik brood in de supermarkt. Omdat de verkoopster in de bakkerij dichtbij mij niet moet en het behoorlijk duur is. Hier koop ik steeds hetzelfde brood. Een groot ‘ambachtelijk’ donkerbruin brood van 1,45 euro. Na elf broden krijg ik er eentje gratis.

Daarna komen de diepvries en daarover het rek met de Provençaalse saus aan de beurt. Die ik nu net nodig heb. Verdorie, denk ik, nog steeds geen saus. Al had ik het toch een beetje gevreesd.

Op zoek naar alternatieven

Ik zou natuurlijk een andere kunnen nemen. Die ik niet ken en niet weet of ze me wel zal smaken en of ik er niet allergisch aan ben. Een zeurkous zou zeggen dat ik ze maar moet maken, dat ze dat ‘vroeger’ ook deden.

Onzin natuurlijk. Eén theorie daarover is dat ‘mensen als ik’ vroeger in een instelling leefden, sliepen en aten, en dat eten werd voor ons klaargemaakt. ‘Dat waren nog eens tijden, hé jongen’, hoor ik een bevriend opvoeder zeggen.

Een andere, meer plausibeler theorie, is dat er geen reden is waarom ik zoveel risico’s (brandwonden, gebouw doen ontploffen, anderen in gevaar brengen) zou nemen om saus te maken. Wie tegenwoordig graag laat weten dat hij mee is met de nieuwste trend of hype zou zeggen: “Dat is een probleem van de neoliberale samenleving”.

Aan het onthaal

Toch blijft het ‘dikke shit’. Ik zou het ook kunnen vragen aan het onthaal. Of minstens wachten tot er iemand opduikt en hem of haar verontschuldigend aanspreken.

De onthaalbediende, met naamkaartje ‘Silke’, zou me verveeld aan kijken en zeggen: ‘Jaaa?”. Ik zou in haar stem een onaangename toon opmerken als zou me zonder woorden vragen: “is het voor de zoveelste keer kom voor een korting die niet juist is verrekend, een paar euro’s teveel gerekend voor het vlees, of kom je bedelen om een getrouwheidsbon?”

Nochtans heb ik geleerd dat het je burgerplicht is om je rekening die niet klopt opnieuw te laten berekenen. Zelfs al zie ik er soms tegenop om dat te laten doen.

Tot slot: mijn besluit

Of weet je wat, denk ik, als ik nu gewoon eens al mijn koopwaar terug in de rekken plaatste? Als ik dan met mijn boodschappenlijstje en mijn Omnipas op de bus stapte? Als ik naar de hypermarkt twee kilometer verderop ging winkelen? Of in een winkel waar ik wel goed onthaald wordt? Dat zou misschien nog het beste zijn.

Want als ze mijn Provençaalse saus hier al niet meer hebben, is dat hier misschien wel het begin van het einde? Dan kan ik beter nu al wennen aan de nieuwe situatie. Of op zoek gaan naar een nieuwe supermarkt. Voor hetzelfde geld, maar met mijn Provençaalse saus.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s