Een dag vol ongemakkelijke boodschappen …

Zalig! Dat is onze eerste indruk. Kamer 554 is dan een juweeltje. Akkoord, de reservatie mocht wat vlotter. En vriendelijker. Ook het inchecken kan wat verbeteren. Anderhalf uur wachten valt al niet mee. Maar als je dan merkt dat het nummertjes trekken gewoon de willekeur moet goedpraten … ja, daar word je niet vrolijker van. En die man aan de  balie … die leek de broer van Jeroen  Dijsselbloem wel.

Voor de rest mogen we echt niet klagen. Kamer 554 heeft alles wat we verwachten. Een eigen toilet en badkamer. Een fraai zicht op het grootste park van de stad. Televisie met soaps en live radioprogramma’s. Een bed dat in alle richtingen kan versteld worden (nog net niet kan vliegen). Roomservice van knappe meiden (die soms wel eens heerlijk nukkig zijn). Een comfortabele zetel naast het bed, en twee behoorlijk zachte stoelen.

Als toemaatje krijg je er zelfs een pyjama met het logo op en een armband met je kamernummer. Die moet je dragen als je gebruik wil maken van de ruimere faciliteiten.

Zo’n kamer vind je echt niet gauw. Zeker niet met dit zicht op het park. Met op de achtergrond de radio die klinkt. Met in het midden van de kamer het kraaknet vers opgemaakt bed. En dan dat toilet, daar is over nagedacht. Daar is het vandaag dan ook om te doen. Dat toilet zal steeds bezet zijn. En buiten zal af en toe een fel rood licht knipperen. Hier is iets aan de hand. Hier is duidelijk stront aan de knikker. Dat is duidelijk.

Verder is het behoorlijk stil in kamer 554. Je zou haast vergeten waar we zijn. Vijf hoog in een groot ziekenhuis. In de verte staat een file – die is altijd getrouw op de tijd op dit moment van de dag. Nog wat dichter bij de horizon zoeft om het half uur ook een trein voorbij. Verder is het vandaag strontvervelend weer. Je zou er haast een colonoscopie bij willen uitvoeren. Dat is dan ook waarom we hier zijn. Zo’n weer vraagt erom.

Op het tafeltje staat een grote kan met vloeistof. Even eraan ruiken en je weet dat je niemand toewenst dit te moeten drinken. Een lispelende verpleegster bracht het daarnet, een beetje te feestelijke als je ’t mij vraagt, binnen op een goudkleurig dienblad.

Met de nodige instructies. Niet zitten. Zeker niet liggen. Drinken, drinken, drinken. Wandelen. Het leek alsof ze op het blad ‘patiënt met autisme’ had zien staan. Alsof ze zich die workshop van 15 minuten van vijftien jaar geleden plots herinnerde. En die ene tip : ‘gebruik altijd de directe vorm, en wees vriendelijk’.

Succes, voegde ze er nog aan toe. Wat ik een vreemd toevoegsel vond. Succes met wat? Met het kokhalzend drinken? Met zo snel mogelijk zilverkleurige ongeschuimde stoelgang produceren? Met een zo vlot mogelijke darmspoeling? Tja, zo kan je een succesverhaal natuurlijk ook interpreteren. Waarom niet?

Genoeg gezeverd. Tijd om ons te verdrinken in de viezigheid. Tijd om de televisie op te zetten. Tussen het drinken, slikken, kokhalzen, wandelen (in de kamer, op de gang) en naar de pot rennen. Of tijd om vanuit de grote zetelstoel naar buiten te kijken. Of om te dansen of mee te zingen. Met liefdjes van André Hazes tot Tina Turner. Louter ter bevordering van de darmwerking uiteraard. Wij hebben het schijt aan de goede naam vandaag.

Af en toe kan je, nee moet je op de bel drukken. Die rode, daar, ja, die. Dan komt een verpleegster je faeces, of het gebrek eraan, inspecteren. Heel streng kijkt ze dan in de wcpot. Ze keurt het goedje nauwkeurig. Even verbaast het me dat ze geen stalen neemt. Zoals de mensen van de milieumaatschappij die het zeewater peilen. Nee, zij vertrouwt op haar jarenlange expertise. Op haar neus en ogen, en wie weet op wat nog. ‘Het zit niet alleen in de kleur’, geeft ze uitleg als ik haar het geheim probeer te ontfutselen. ‘Het is gewoon de uitstraling, je mag geen verschil zien tussen de bodem en het oppervlak, en op het oppervlak geen troebelheid.’

Eens zij haar fiat heeft gegeven, is het wachten. Ze geeft je nog haar laatste orders. Niets drinken. Ontnuchteren. Alsof er sprake zou zijn van dronkenschap. Al wat je nu nog kan doen, is zinvolle bezigheid. Kruiswoordraadsels invullen, scrabble op de ipad, een boek lezen … Gelukkig is het stil.

Verder kan je ook genieten van het spektakel vanuit het raam. Je ziet hoe een meeuw met brood in haar bek even verder landt. Om even later weer op te stijgen, richting zee. Of richting vuilniszakken. Om wat lekkers te scoren. Een frietje, een restje sinaasappel of meloen, wat kaas. Je ziet leerlingen – sommige duidelijk tegen hun zin – in het park rondjes lopen in de regen. Verder ook een huisarts, een politieagent, een poetshulp op de fiets. En daartussen merels en mussen op het spiegelmeer.

Intussen lopen verpleegsters op en af in de gangen. Ze lachen, kletsen, slaan met deuren. Bij alles wat ze doen. Of het nu gaat om bloed prikken, stoelgang keuren of lichamen van gerookte ham wassen … ze kletsen. Over het weer. Over de dagsoep. Over hun nieuw lief. Over ditjes en datjes. En over lastige patiënten. Net zoals ze nu en dan een afkeurende blik werpen. Als je zegt ‘verpleegster, let u op met uw naald, ik ben gevoelig’. Of ‘als ik u was, koos ik die naald daar om te prikken en gebruikte u die techniek. Niet dat ik lastig wil zijn, maar daar en daar prikken, dat heeft echt geen zin.’

Buiten regen het intussen oude wijven. En dat voor de eerste dag van de zomer, zucht de hoofdverpleegster die er intussen bij is gekomen. Ze leunt tegen het raam, en drukt op haar telefoon een sneltoets. Ze murmelt iets onverstaanbaars net hoorbaar genoeg om te weten dat het over mij gaat. Had ik maar iets anders gestudeerd, denkt ze nu vast.

Elders, op een ander verdiep, maakt een gastroenteroloog zich klaar. Er vormt zich een rijtje te onderzoeken personen. Vandaag maar liefst zes darmen te doorzoeken, kijkt ze bedenkelijk op haar lijstje.

Een oudere dame, een jongere snaak, een obese autist, een sproetenkop en vrouw met van alles en nog wat. Het is zo voorbij, krijgen ze een na een te horen. Vooraleer ze wegdraaien door de verdoving. Vooraleer er een camera van de fijnste vezel zich een weg baant door een ingewanden. In de hoop geheimen bloot te leggen die het vel niet toelaat te zien.

Na een uurtje ligt iedereen weer op de kamer. Aan het bekomen van de verdoving. Aan het wachten op de goedkeuring van de arts om te vertrekken. Of met vrees voor een slecht nieuwsgesprek. Aan het sneukelen van een boterhammetje met choco of kaas. Of aan het verlangen naar huis, naar genezing, naar terug opnemen van je oude leven. Terug eten wat je wil, en ‘goed gaan’. Terug naar het vertrouwde toilet kunnen gaan. Want geen toilet zo vertrouwd als dat van thuis. Ook niet van een eersteklashotelkamer in een ziekenhuis.

1 Comment »

  1. Ik wilde je eerst een fijne vakantie toewensen maar verderop bleek het toch wat anders te zijn waar je was.
    Sterkte dan! En ik hoop dat alles goed komt.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s