Een kritisch blik op een virtuele bril om tot rust te komen op school … autisme en overprikkeling

In een wereld waar technologie steeds meer geïntegreerd wordt in ons dagelijks leven, komt ook het onderwijs niet achter. Een recente bachelorproef van Sofie Smet (Odisee) onderzoekt hoe Virtual Reality (VR) kan worden ingezet om overprikkelde leerlingen met autisme te helpen. Het onderzoek, uitgevoerd in het vierde leerjaar van een Vlaamse lagere school in een landelijke gemeente, zou veelbelovende resultaten bieden, las ik op een autismeblog. Zoals u misschien van deze blog gewoon bent, heb ik het gelezen en wil ik graag het een en ander nuanceren.
Sommige mensen met autisme hebben vaak moeite met het filteren van prikkels, wat kan leiden tot overprikkeling. Dit is een uitdaging voor alle betrokkenen in het onderwijsproces.. In zowel regulier als buitengewoon onderwijs worden al verschillende maatregelen genomen om deze leerlingen te helpen, maar deze zijn vaak beperkt door ruimtegebrek en andere praktische overwegingen. Het onderzoek in deze bachelorproef richtte zich op het vierde leerjaar van één school en betrof slechts twee leerlingen met autisme. Dat beperkt uiteraard de veralgemening naar leeftijdsgroepen, scholen of regio’s, maar ook veel andere onderzoeken bevragen beperkte aantallen mensen met autisme.
Om de impact van VR op overprikkelde leerlingen te meten, werd een VR-bril gebruikt waarmee leerlingen 360° video’s konden bekijken. Hoewel dit een innovatieve aanpak is, mis ik een vermelding van invloeden die de resultaten mee konden bepalen, zoals het tijdstip van de dag, de stemming van de leerling of tal van andere omgevingsfactoren.
Een ander aspect dat volgens mij overwogen kan worden, is de duurzaamheid en toegankelijkheid van VR-technologie in het onderwijs. Niet alle scholen hebben de middelen om dergelijke apparatuur aan te schaffen. Dit roept vragen op over de praktische toepasbaarheid op grotere schaal. Bovendien roept het gebruik van VR in een educatieve setting ook ethische vragen op. De onderzoeker is begaan met de veiligheid van de leerlingen, maar over hoe de privacy van de leerlingen gewaarborgd wordt tijdens het gebruik van deze technologie vind ik weinig terug.
Hoewel de resultaten veelbelovend lijken te zijn, zijn ze voornamelijk gebaseerd op observaties. Het feit dat leerlingen sneller tot rust lijken te komen met behulp van de VR-bril is volgens mij onderhevig aan subjectiviteit en bias. Als er gesproken wordt van ‘rust’ ontbreekt vaak een objectieve maat of minstens een afspraak over een stabiele definitie.
De bachelorproef van Sofie Smet biedt volgens mij een waardevolle inkijk in het potentieel van VR-technologie in het onderwijs voor overprikkelde leerlingen met autisme. Toch is een meer uitgebreide studie met een grotere en meer diverse steekproef, een robuustere methodologie en een grondige ethische evaluatie nodig om de bevindingen scherp te stellen en een breder begrip te krijgen van de impact van VR in het onderwijs.