Het verhaal van Vera

Ik weet eigenlijk niet zo goed hoe ik dit moet beginnen. Ik schrijf veel en graag, maar niet vaak over mezelf. Zeker niet zo, openlijk, voor mensen die ik niet ken. Maar Sam en ik kennen elkaar al een tijdje. En voor de beste autismeblog in ons taalgebied (en waarschijnlijk daarbuiten) wil ik een uitzondering maken. Graag. En nu zit ik hier.

Ik ben Vera. Ik ben negenenveertig. En vrouw. Autistische vrouw.

De verkeerde taal spreken

Wat ik het langst heb gedacht — jaren, tientallen jaren — is dat er iets mis was met mij. Niet de onzekerheid die iedereen wel eens heeft, dat is het niet wat ik bedoel. Iets diepers. Een soort scheefheid die ik niet kon benoemen en ook niet kon laten zien, want niemand zag het toch. Anderen leken gewoon te bewegen in het leven. Gesprekken, gezelligheid, die kleine sociale dansjes die mensen met elkaar doen — zij deden het alsof het niets was. Ik moest elke stap beredeneren.

Praat ik te veel? Te weinig? Kijk ik te lang?

Dat soort dingen.

Als kind al keek ik naar mensen zoals je naar een film kijkt in een taal die je niet spreekt. Ik leerde de grappen, de blikken, de juiste momenten om te knikken. Uit mijn hoofd, zoals je een tekst leert voor een toneeloptreden. ’s Avonds in bed herhaalde ik dan wat er gezegd was, op zoek naar waar ik het verkeerd had gedaan. Want er was altijd wel iets.

Ik was een goede leerling. Niemand wist het.

Instorten

Wat er daarna komt, is niet makkelijk om op te schrijven. Ik schrijf meestal fictie. Toch ontmoet ik vaak vrouwen die hetzelfde overkomt, en die er geen woorden voor vinden.

Op mijn drieëndertigste ben ik ingestort. Niet ineens — het was meer als mist die steeds dikker wordt tot je je eigen hand niet meer ziet. Ik bleef gewoon doorgaan, zoals ik altijd had gedaan. Glimlachen, functioneren, “sterk” zijn. Tot ik op een ochtend opstond en er niets meer was. Geen energie. Geen richting. Alleen een dof gezoem in mijn hoofd.

Ik dacht eerlijk gezegd dat ik kapot was. Definitief.

Dat was ik niet. Maar het heeft lang geduurd voor ik dat wist.

Het woord dat zweefde

Een jaar later zat ik tegenover een psycholoog. En die zei: autisme.

Ik weet nog precies hoe het klonk. Hoe het even zweefde, dat woord, in de stille kamer. Ik had paniek verwacht, of verdriet. Wat ik voelde was — herkenning. Alsof er iemand eindelijk ondertitels onder mijn leven zette. Vierendertig jaar beelden die ineens een verklaring hadden.

Maar daarna, in de weken erna, kwamen de tranen alsnog. Niet om de diagnose zelf. Wel om het besef dat ik nooit “normaal” zou worden — iets waarvan ik niet eens had geweten dat ik er nog op hoopte. Die hoop had me jarenlang uitgeput. Nu mocht ze weg. En dat voelde niet als bevrijding. Eerder kaal. Alsof ik een jas had uitgetrokken en nu niet meer wist hoe ik moest staan.

Niet koud, maar te veel

Ik wil even iets rechtzetten, omdat ik het zo vaak verkeerd hoor.

Mijn autisme zit niet in afstand. Niet in kilte. Mensen denken dat soms — dat autistisch zijn betekent dat je niet echt voelt, of niet echt verbinding maakt. Bij mij is het precies andersom. Ik voel te veel, te hard, te snel. Geuren die anderen niet eens opmerken. Geluiden die me doen opschrikken alsof de wereld even kantelt. Ik hoor iets in stemmen — een spanning, een verdriet — voordat de persoon er zelf woorden voor heeft.

Dat is geen gave. Of toch, soms wel. Maar het is ook uitputtend op een manier die moeilijk is om uit te leggen.

Leren afzeggen

Grenzen leren was — moeilijk. Dat is een understatement.

Ik had mezelf zo lang getraind om altijd beschikbaar te zijn, altijd aan te passen, altijd door te gaan. Het losweken van dat patroon deed pijn. Echt pijn, niet figuurlijk. Maar ik leerde mijn eigen lichaam lezen. Wanneer mijn ademhaling verkrampt. Wanneer ik de geur van koffie ineens niet verdraag. Dat zijn mijn signalen.

Ik leerde afzeggen. Dat klinkt klein. Het was voor mij enorm.

Nu, op negenenveertig, gaat het beter. Niet altijd. Maar wel vaker.

Over liefde

Over relaties wil ik het ook even hebben, omdat het erbij hoort.

Ik houd intens van mensen. Misschien te intens, dat is me wel eens gezegd. Ik werd verliefd op woorden, op beloftes. Op mannen die mijn gevoeligheid kwetsbaarheid noemden en er niet altijd goed mee omgingen. Soms liet ik dingen gebeuren die ik niet had moeten laten gebeuren, omdat ik dacht: misschien is dit gewoon wat liefde is.

Dat is het niet.

Dat weet ik nu.

Wat me heeft gered

Wat me heeft gered — echt gered, dat woord gebruik ik bewust — is creatie.

Ik schrijf. Ik schilder. Schrijven brengt orde in dingen die in mijn hoofd geen orde willen aannemen. Ik schrijf erotische romans, wat mensen soms verbaast, maar voor mij klopt dat volkomen. In mijn verhalen mogen vrouwen voelen zoals ik voel: intens, intuïtief, zonder dat ze zich daarvoor moeten verantwoorden. Dat voelt als vrijheid. Als echtheid.

Schilderen is iets anders. Schilderen is stilte. De geur van verf, het penseel, de structuur van doek onder mijn vingers — dat grondt me. Als het te veel wordt, ga ik schilderen. Altijd.

Een beetje thuis

Ik weet niet of dit het soort verhaal is dat ze verwachtten.

Ik ben geen schrijver van nature. Ik ben iemand die dingen voelt en er dan lang over nadenkt en ze uiteindelijk ergens opschrijft, voor zichzelf. Dit is de eerste keer dat ik het zo deel.

Wat ik zou willen dat iemand het leest en denkt: oh. Dat ken ik. Dat gevoel van de verkeerde taal spreken, van je hele leven aanpassen en dan uitgeput wakker worden en niet meer weten wie je eigenlijk bent zonder het masker.

Dat gevoel is echt. En het heeft een naam. En er is een leven mogelijk daarna — niet beter in de zin van genezen, maar anders. Rustiger. Zachter voor jezelf.

Ik ben negenenveertig. Ik ben nog steeds aan het leren.

Maar ik ben ook eindelijk een beetje thuis in mezelf. En dat is genoeg.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *