Buitengesloten! … autisme en slotenmakers

Foto van Dima Solomin op Unsplash

Het is een ervaring die ik zelden heb. Gisterenavond had ik ze wel. Dat moment waarop je de deur in het slot hoort vallen en meteen daarna voelt dat je broekzak te licht is. Nog even denk ik: het zal wel meevallen. Het viel niet mee. De sleutels lagen binnen, wij stonden buiten, en de kat lag op het terras in de laatste zon, zich te wassen en te spinnen. Eindelijk rust, zal ze gedacht hebben, de baasjes zijn eens weg.

Wat die avond nog moest gebeuren, schoof plots een heel eind op. Op zo’n moment denk ik niet meteen aan wat ik zelf ga doen. Ik denk — je vindt dat misschien vreemd — aan wat anderen zouden doen. Andere autistische mensen in het bijzonder. Waarschijnlijk iemand bellen die een reservesleutel heeft, of iemand die naar huis kan komen om open te doen. Alleen: de mensen bij wie ik zou aankloppen zijn op reis, het is bijna donker, en mijn liefste staat naast mij, eveneens zonder sleutel. Als wij iets vergeten, doen we dat doorgaans met twee. Ook het buitensluiten van onszelf.

Drie meter en een paar plantenbakken

Daar zitten we dan, op de trap naar de gemeenschappelijke binnentuin van het gebouw. Het is niet te koud, niet te warm en er staat geen wind. Dat scheelt. Mijn liefste merkt op dat de terrasdeur nog openstaat. Ze zegt er lachend bij dat er wel drie meter en een paar plantenbakken tussen zitten. Wij kennen geen ninja in de buurt, dus dat mag alvast van het lijstje.

Waar vind je een inbreker als je er een nodig hebt, vraag ik me af. Ik overweeg heel even om het zelf te proberen, misschien komen al die misdaadseries nu eindelijk van pas. Dan schiet het me te binnen: ik heb mijn smartphone nog op zak. Er staat zelfs een slotenmaker in. Ik heb mezelf nog nooit buitengesloten, maar ik ben ooit wel de sleutel van de kelderberging kwijtgeraakt. Bel maar gerust als er iets is, zei die man toen.

Naam, adres, gsm-nummer en vier cijfers

Ik bel. Een computerstem. Ik word doorverbonden. Ik moet mijn postcode intikken. Ik word opnieuw doorverbonden. Dan, ver weg, een mannenstem. Ik leg uit dat ik buitengesloten ben en dat ik hem graag zou zien komen. ‘Natuurlijk, madammetje, ik ben er binnen het halfuurtje.’ En: ‘Mag ik uw naam, adres, gsm-nummer en vier cijfers?’ Ik ben even verbaasd, maar doe wat gevraagd wordt. Dan haakt hij in. Misgenderd worden ben ik gewoon. Als ik maar geholpen word.

Zo blijft er een halfuur over om door te komen. We overlopen wat er van onze avond nog overeind blijft. De woningbeheerder hoeven we niet te bellen, lees ik op hun website. Bij de buren aankloppen om te bellen, te wachten of hulp te vragen heeft weinig zin. Die zouden de politie bellen. Wij bellen die net niet. Onze ervaring leert dat het verloren moeite is. Wat we wel doen: de time-timer opzetten en de tijd zien wegschuiven.

Drie kwartier tegen één deur

Net voor het laatste rood van de time-timer stopt er een zwarte bestelwagen voor het gebouw. Er stapt een man uit die zich voorstelt als de slotenmaker. Ik geloof hem eerst niet. Geen shirt, geen broek, geen pet met een logo. Ook op de bestelwagen staat niets. We wisselen een visitekaartje uit en daarmee is dat opgelost.

Even later begint de man aan zijn inbraak. Het is fascinerend om te zien welk gereedschap er allemaal aan te pas komt. Drie kwartier later staat onze voordeur op winst: ze verroert voor geen meter. De slotenmaker baadt in het zweet. Wij ook, terwijl we tegelijk rekenen aan wat dit gaat kosten en aan welk hotel om deze tijd nog een kamer heeft.

Tien minuten later horen we de klik. De deur gaat open. Aan de andere kant staat onze kat met grote ogen te miauwen. Aan haar zullen we bij een echte inbreker weinig hebben: zodra ze de slotenmaker ziet, schiet ze onder de zitbank. Betalen, een attest voor de brandverzekering, en dan kunnen we verder met onze avond. De komende dagen zullen we onze sleutels bijzonder stevig vasthouden. En elkaar natuurlijk ook.

Geef een reactie