Het verhaal van Iris

Ik ben Iris, 29, en sinds mijn 26ste autistisch. Ik ben zo’n vrouw die op een feestje met een glimlach in haar gezicht verstart. Van buiten lijkt het alsof ik me “best goed red”, van binnen raak ik er steeds minder aan uit.

Jarenlang dacht ik: dit is wat liefde is, je bijt door alles heen, je slikt, je past je aan, en als je instort doe je dat vooral netjes alleen. Pas toen ik wist dat ik autistisch ben, begon ik te snappen: er was niets mis met mijn vermogen om lief te hebben, maar de wereld had me nooit geleerd hoe iemand mij kon liefhebben op een manier die voor míj klopt.

Ik schrijf dit als autistische vrouw, voor een man die mij (of iemand zoals ik) liefheeft, wil liefhebben, of net ontdekt dat hij dat doet. Niet als handleiding van bovenaf, maar als verhaal van binnenuit. Dit is hoe ik graag liefgehad word.

Hoe ik graag gezien word

In een relatie heb ik geen behoefte aan groots spektakel. De grootste liefdesverklaring is dat jij echt oplet. Dat je ziet hoe ik verander na een drukke dag, dat je doorhebt dat mijn stilvallen iets betekent, dat je je gedrag een beetje mee buigt met wat voor mij haalbaar is. Niet omdat jij jezelf moet wegcijferen, maar omdat we een team zijn en mijn binnenwereld niet vanzelfsprekend zichtbaar is.

Een voorbeeld: we komen thuis na een druk familie-etentje. Ik hang mijn jas op, zet mijn schoenen netjes recht, en dan stokt er iets. Mijn schouders gaan omhoog, mijn gezicht wordt wat platter. Jij kent dat inmiddels. In plaats van “Alles oké?” te roepen terwijl je al half op je telefoon zit, zeg je: “Wil je eerst twintig minuten op bed met je koptelefoon op? Dan leeg ik de auto.” Ik hoef dan niet uit te leggen dat praten me nu pijn doet. Jij neemt me serieus zonder dat ik eerst een PowerPoint moet geven over mijn brein.

Ik voel me ook gezien als je snapt dat mijn interesses geen hobby zijn “erbij”, maar een manier van verbinden. Als ik je twintig minuten vertel over een detail in een documentaire, is dat niet alleen informatie, dat ben ik die zeg: “Hier zit ik, in dit soort details woon ik.” Als jij later een opmerking maakt over precies dat detail, voelt dat als een soort herkenning: jij bent er echt bij, je doet niet alleen sociaal mee.

Ik kan niet lezen wat jij niet zegt

Hints zijn voor mij een soort escape room zonder aanwijzingen: misschien kom ik eruit, maar ik ben gegarandeerd kapot daarna. Ik kan vaak wél zien dat er “iets” is, maar niet wat je bedoelt, wat de onzichtbare regels zijn, welke laag grap en welke laag serieus is.

Als jij van mij houdt, maak je het makkelijker door dingen hardop te zeggen. Zeg gerust: “Ik heb zin in een knuffel van jou, is dat oké?” in plaats van steeds dichterbij te schuiven en te hopen dat ik de boodschap oppik. Dan kan ik even inchecken bij mijn lijf en eerlijk antwoorden, zonder het gevoel dat ik een toets moet halen. Soms wordt het dan “ja, graag”, soms “nu niet, mijn huid staat in brand”, en het grootste cadeau is als jij dan niet mokt maar gewoon bij me blijft.

Ik hou ook van zinnen die voor jou vanzelfsprekend lijken, maar voor mij enorm veel ruis weghalen. Dingen als: “Als ik stil ben, ben ik niet boos op je, dan ben ik gewoon moe,” of “Als ik sneller ga praten, is dat omdat ik enthousiast ben, niet omdat ik je wil overrulen.” Zulke expliciete uitleg geeft me ruimte om bij jou te zijn zonder steeds tussen de regels door te hoeven lezen.

We mogen van mij ook gerust kleine “scripts” maken. Bijvoorbeeld: als ik “pauze” zeg in een ruzie, dan betekent dat dat we een half uur uit elkaar gaan, zonder elkaar te negeren, en daarna verder praten via chat als praten te intens is. Dat klinkt misschien overdreven, maar voor mij is het juist volwassen: we ontwerpen bewust manieren om met elkaar om te gaan die passen bij hoe we in elkaar zitten.

Mijn lichaam is geen automatisch recht dat meekomt met de relatie

Lichamelijke nabijheid is voor mij niet zwart-wit. Er zijn dagen dat aanraking mijn zenuwstelsel tot rust wiegt, en dagen dat zelfs een hand op mijn arm voelt als te veel. Dat zegt niets over hoeveel ik van je hou. Het zegt alles over hoe mijn systeem prikkels verwerkt.

Je helpt me enorm als je lichamelijke dingen nooit als vanzelfsprekend neemt, maar als iets waar we inchecken. We liggen bijvoorbeeld op de bank, jouw hand glijdt naar mijn been. Jij voelt hoe ik nét iets verstijf. In plaats van dat weg te lachen of juist harder te knijpen, vraag je: “Is dit fijn zo, of wil je minder aanraking?” Dan kan ik zeggen: “Hand op mijn enkel is nu beter,” of “Vandaag liever niet.” En dan is het klaar. Geen zuchten, geen verwijten, geen “maar je bent toch mijn vriendin?”. Alleen maar: oké. Dat is liefde.

In bed is het hetzelfde. Seks is voor mij geen vast script. De ene keer wil ik graag verder, de andere keer is lepeltje-lepeltje ongeveer mijn maximum. Als ik durf te zeggen: “Vandaag liever geen penetratie, maar ik wil wel graag bij je liggen,” en jij reageert met iets als: “Tuurlijk, ik wil gewoon bij je zijn,” dan leert mijn lijf stap voor stap: hier mag ik eerlijk zijn zonder dat de hele relatie instort.

Ook de praktische dingen zijn niet saai, maar zorgzaam: lichten dimmen, geen zware parfum, zachte lakens, geen onverwachte ruk aan mijn lijf als ik dromerig ben. Dat zijn de momenten waarop ik voel: hij ziet mijn lichaam niet als obstakel, maar als iets dat we samen proberen te begrijpen en te beschermen.

Veiligheid moet voelbaar zijn

Ik heb, zoals veel vrouwen, ervaringen die niet oké waren en die ik jarenlang heb weggeschreven als “zal wel aan mij liggen”. Ik nam mensen letterlijk, dacht dat anderen het beter wisten, of dat ik overdreef. Daardoor twijfel ik vaak aan mijn eigen gevoel: is dit nu echt grensoverschrijdend, of stel ik me aan?

In een relatie heb ik dus niet genoeg aan iemand die “niets ergs” doet. Ik heb iemand nodig die actief veiligheid neerzet. Die zinnen zegt als: “Als jij twijfelt, stoppen we,” of “Ik ga je nooit straffen omdat je een grens aangeeft.” Niet één keer, maar vaker. Niet alleen in theorie, maar vooral op de momenten dat het erom gaat.

Als ik schuchter zeg: “Toen je net zuchtte en wegkeek, voelde het als een straf,” en jij reageert met “Oké, ik snap dat dat zo kan voelen, dat is niet wat ik wil. Hoe kan ik dat anders doen?” dan gebeurt er iets in mij. Dan schuift mijn oude reflex – ik overdrijf vast – een millimeter op richting: mijn gevoel doet ertoe. Het is moeilijk om uit te leggen hoe groot dat is.

Ik heb ook ruimte nodig om met jou te praten over verwachtingen rond vrouw-zijn, seks, relaties. Hoe ik lang dacht dat “lief zijn” betekende dat ik vooral niet lastig moest zijn. Als jij dat gesprek aandurft, niet als therapeut maar gewoon als mens naast me, dan voelt dat als samen een oude huid afleggen.

Structuur is voor mij net als intimiteit

Relaties zonder duidelijke afspraken voelen voor mij als een huis zonder muren: misschien romantisch in theorie, maar ik weet niet waar ik mag lopen zonder eruit te vallen. Onuitgesproken verwachtingen, onduidelijke status, “we zien wel” – dat soort dingen maakt me onrustig en kost me bakken energie.

Ik ontspan als we dingen wat concreter durven maken. Bijvoorbeeld door elke week een vast moment te hebben waarop we checken hoe het gaat tussen ons. Dat we dan bewust vragen: “Wat ging goed? Wat was moeilijk? Wat heb je van mij nodig?” Niet pas als het misloopt, maar gewoon standaard. Dan hoef ik niet te wachten tot de spanning te hoog is, ik mag dingen ook zeggen als het nog klein is.

Ook simpele afspraken helpen: welke avonden zijn voor ons samen, welke voor ieder z’n eigen ding? Als we daar een soort baseline in hebben, voelt het minder bedreigend als jij zegt: “Vanavond wil ik graag alleen zijn.” Dan valt mijn brein niet meteen in: hij is me zat.

En als we ruzie hebben, helpt het als we samen kunnen zeggen: “Wij tegen het probleem, niet jij tegen mij.” Het klinkt bijna cliché, maar als je zenuwstelsel snel overspoelt, maakt zo’n zin echt verschil. Het herinnert me eraan dat ik niet vecht om mijn bestaansrecht, maar dat we samen zoeken naar een manier om elkaar te bereiken.

Een gezamenlijke autistische kracht?

Eerlijk? Ik kan me best voorstellen dat er wel iets van aan is dat het charmes heeft te houden van iemand die óók autistisch is. Die hoeft niet uit te leggen waarom je na een sociaal uitje even niet meer aanspreekbaar bent; die kent dat, denk ik toch. Bij zo iemand hoef ik me niet te schamen voor mijn hyperfocus op een willekeurig onderwerp; ik doe hetzelfde. We herkennen elkaars “raar” en kunnen er soms zelfs om lachen. Hoewel ik ook al ervaringen heb met autistische mannen die dat niet lijken te begrijpen.

Ik hou wel van directheid, juist als die zacht is. Dat mijn liefste niet doet aan sociale spelletjes, maar wel bereid bent om na te denken over hoe je iets zegt. Dat je durft te zeggen: “Ik snap je nu niet, maar ik wil je wél snappen, kun je het anders uitleggen?” Dat je je detailblik niet alleen gebruikt om fouten te zoeken, maar ook om dingen te zien die anderen missen: hoe mijn stem een fractie lager wordt als ik moe ben, hoe ik aan mijn mouw trek als ik overprikkeld raak.

We kunnen samen oplossingen kiezen die misschien niet “standaard” zijn, maar wel werken. Apart slapen omdat we allebei prikkelgevoelig zijn. Een vast “intimiteitsmoment” plannen omdat spontane seks na een uitputtende dag gewoon niet realistisch is. Belangrijke dingen eerst via chat uitspreken, en pas daarna hardop, omdat schrijven soms veiliger voelt dan praten. Noem het vreemd, noem het atypisch – voor mij zijn het gewoon manieren waarop wij ons eigen soort liefde vormgeven.

Ik lijk handig in sociale situaties, maar dat zegt helemaal niets over hoe ik ben

Van buiten lijk ik vaak sociaal handig. Ik weet hoe je moet lachen, hoe lang je ongeveer iemand aankijkt, wanneer je een grapje terug maakt. Ik kan vergaderingen trekken, telefoontjes plegen, smalltalk voeren. Wat je dan niet ziet, is hoe leeg ik daarna ben. Hoe vaak ik daarna op de bank lig, met het gevoel dat mijn hele zenuwstelsel in slierten aan het plafond hangt.

In een relatie hoop ik dat ik dat masker bij jou minder nodig heb. Dat je niet zegt: “Maar je kan het toch?” als ik moe thuiskom, maar vraagt: “Heb je vandaag veel moeten doen alsof?” En dat je mijn “ja hoor” niet meteen gelooft, maar nog een keer zacht checkt.

Mijn relatie met seks is ook niet simpel. Er zijn periodes geweest waarin ik veel deed zonder mezelf echt af te vragen of ik het wilde. Omdat ik dacht dat het hoorde, omdat ik bang was om iemand teleur te stellen. Tegenover jou wil ik leren dat “ik weet het niet” een geldig antwoord is. Dat we samen mogen uitvinden hoe vaak, hoe intens, in welke vormen seks voor ons klopt – niet voor “de norm”, maar voor ons.

Leren, samen, is liefde

Ik ben op heel veel vlakken laat geweest. Laat met woorden voor wat ik voelde, laat met informatie over consent, laat met begrijpen hoe relaties “normaal” werken. Ik heb veel moeten bijleren, opnieuw lezen, herdenken, herkauwen, napluizen, reconstrueren.

Het fijnste is als jij niet boven me gaat hangen als expert, maar naast me gaat zitten als mede-onderzoeker. Dat we samen iets lezen, kijken, bespreken. Dat jij niet lacht als ik op mijn 35ste een vraag stel waarvan jij denkt dat iedereen dat op zijn 16e al wist. Dat je zegt: “Oké, dan leren we dit nu. Beter laat dan nooit.”

En als we ooit zorg nodig hebben, of hulp van een autismecoach, wil ik dat jij met me meekijkt. Dat we samen iemand zoeken die autisme niet als defect ziet, maar als onderdeel van wie we zijn, als een oplossing en niet als een uitdaging. Dat jij niet met de therapeut één team vormt en ik “het probleem” ben, maar dat we als twee mensen binnenstappen die samen iets willen verbeteren.

Hoe liefde er bij mij uitziet

Liefde, in mijn leven, is minder vuurwerk en meer gereedschapskist. Minder grote gebaren, meer kleine, consequente dingen.

Liefde is dat jij de gordijnen dichtdoet voordat ik thuiskom omdat je weet dat fel licht me pijn doet. Liefde is een appje: “Ik heb nul sociale energie vandaag, maar mijn gevoel voor jou is hetzelfde.” Liefde is een gedeeld notitieblaadje met zinnen die we kunnen gebruiken als we vastlopen: “Ik ben overprikkeld, niet boos,” “Ik hou van je, maar ik kan nu niet praten,” “Ik kom straks terug.”

Als jij mijn grenzen niet als aanklacht ziet, maar als iets waar je mee wilt samenwerken. Als je mijn prikkelgevoeligheid niet irritant vindt, maar relevant. Als je eerlijk bent zonder me kapot te maken. Als je bereid bent om samen rare, mooie constructies te bouwen die passen bij wie wij zijn.

Dan gebeurt er iets wat ik lang niet voor mogelijk hield: ik voel me niet langer het probleem in de relatie, maar een echte partner. Een autistische vrouw die niet “ondanks alles” lief te hebben is, maar precies zoals ze is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *