Waarom koesterdingen voor mij meer zijn dan spullen … autisme en identiteit

Een zin die blijft hangen
“Zullen we de kleine dingen, de koesterdingen, nog wat vaker liefdevol uitdelen? Ze maken zo hard het verschil.”
Gisteren bleef die zin van Liz is More, het alter ego van de Vlaamse schrijfster en dichteres Liz Corthals, bij mij hangen. Hij kwam op een onopvallend moment, ergens op het einde van mijn eerste kleine pauze van de dag. Zo’n moment dat meestal geruisloos voorbijgaat, maar nu plots bleef nazinderen.
Mijn eerste reactie was eerlijk gezegd ‘dat is niet meteen mijn sterkte’. Ik ben niet meteen vlot in het liefdevol (uit)delen van koesterdingen. Ik zag mezelf al zoeken naar wat daar dan precies onder valt, en tegelijk al half afhaken.
Tot ik verder las. Het ging om zoiets als een glimlach. Een goeiedag. Een helpende of troostende hand. Een onverwacht berichtje. Een wang die spontaan bloost.
Wanneer een ding geen ding is
En toen botste het even in mijn hoofd. Want met mijn vrij letterlijk denkend brein zijn dat geen “dingen”. Dat zijn sensaties, indrukken, ervaringen. Vluchtig, moeilijk vast te pakken, nog moeilijker te bewaren. Dingen associeer ik met iets dat blijft liggen waar je het achterlaat. Iets dat je kan vasthouden, verplaatsen, terugvinden.
En toch, als ik eerlijk ben, deel ik die andere dingen — die indrukken en kleine gebaren — best vaak. Alleen voelt het zelden alsof ze landen. Eerder alsof ze terechtkomen op harde, onvruchtbare grond. Of terugkaatsen, soms zelfs met een blik die eerder vraagt: wat moet je van mij?
Misschien zit daar al een eerste spanningsveld. Wat voor de één een klein, warm gebaar is, kan voor de ander onduidelijk, verwarrend, onverwacht of zelfs ongemakkelijk aanvoelen. Zeker als je communicatie en intenties anders leest.
Mijn soort koesterdingen
Wanneer ik zelf aan koesterdingen denk, kom ik dan ook zelden uit bij dat soort uitwisselingen. Mijn koesterdingen zijn geen perfect gestylede hoekjes of zorgvuldig gekozen objecten op een plank. Ze zijn rommelig, onlogisch en vaak onopvallend. Een kopje met een afgebroken oor, bijvoorbeeld.. Een boek vol ezelsoren. Een mail die ik al jaren niet durf te verwijderen.
Van buitenaf bekeken stelt het weinig voor. Voor een opruimcoach ben ik waarschijnlijk een nachtmerrie. Mijn spullen lijken precies te bestaan uit wat weg kan. Of zelfs weg zou moeten.
Maar voor mij zijn het geen overbodige dingen. Het zijn ankers.
Ze houden iets vast wat anders gemakkelijk zou verdwijnen: niet alleen herinneringen, maar ook versies van mezelf. Versies die ik niet altijd zomaar kan oproepen zonder zo’n concreet aanknopingspunt.
Tegen de logica van het ontspullen
We leven in een tijd waarin “ontspullen” bijna een morele waarde is geworden. Minder bezitten, meer overzicht, een opgeruimd huis als spiegel van een opgeruimd hoofd. Er bestaan stappenplannen, methodes, challenges en checklists die beloven dat je leven lichter wordt als je maar genoeg loslaat.
Op papier zou dat mijn autistische brein moeten aanspreken. Ik hou van structuur, van voorspelbaarheid, van overzicht.
En toch voelt dat hele verhaal vaak als een vreemde taal. Omdat “minder” voor mij niet automatisch rust betekent. Soms betekent het net minder houvast.
Een versleten mok kan mij meer rust geven dan een lege, perfect georganiseerde kast. Niet ondanks zijn imperfectie, maar net daardoor. Omdat hij iets draagt wat niet in een systeem te vatten is.
Dingen die tijd vasthouden
Mijn koesterdingen functioneren als hulpmiddelen om tijd te begrijpen. Zonder zulke concrete ankers lopen periodes in elkaar over. Ik weet dan nog wel ongeveer wat er gebeurd is, maar het blijft vaag, alsof delen zijn uitgegomd.
Dat kopje hoort bij een periode waarin ik elke dag uitgeput thuiskwam, zonder te begrijpen waarom. Dat boek zat in mijn rugzak in een tijd waarin ik mijn overprikkeling nog “gewoon druk” noemde. Die ene mail komt uit het jaar waarin iemand mij voor het eerst echt zag in mijn autisme.
Zonder die objecten worden die herinneringen diffuser. Met die objecten worden ze opnieuw tastbaar. Ze geven vorm aan iets wat anders moeilijk te grijpen blijft.
Betekenis laat zich niet opruimen
Voor buitenstaanders is dat vaak moeilijk te zien. Want koesteren is niet objectief. Het gaat niet over esthetiek, waarde of nut. Het gaat over betekenis. En betekenis laat zich niet altijd netjes uitleggen.
Soms merk ik het pas in het moment zelf. Tijdens het opruimen, wanneer iets zogezegd “weg” kan. Alles verdwijnt zonder moeite in een doos, behalve dat ene voorwerp dat ik telkens opnieuw opzij schuif. “Niet nu. Jij blijft.”
Zonder duidelijke reden. Of toch zonder reden die in een efficiënt systeem past.
Tussen overzicht en gehechtheid
Daar zit ook de spanning. Ik wil rust. Ik wil overzicht. Ik wil niet elke dag moeten zoeken, want mijn hoofd heeft al genoeg werk met het begrijpen van de wereld.
Maar tegelijk wil ik ruimte laten voor wat niet in schema’s past. Voor de doos met oude brieven. Het mapje met screenshots en pdf’s dat al jaren meegaat. Losse papiertjes met halve zinnen die misschien ooit iets worden.
Volgens de logica van ontspullen maken die dingen mij zwaarder.
In mijn ervaring geven ze mij net genoeg gewicht om niet los te raken van mezelf.
De andere helft van het verhaal
Dat wringt met hoe autisme vaak wordt voorgesteld. Alsof het vooral draait om structuur, logica en behoefte aan orde. Dat beeld klopt, maar het is onvolledig.
Mijn koesterdingen tonen de andere kant: de gehechtheid, de chaos, de emoties die zich niet laten reduceren tot systemen of stappenplannen.
Soms lukt praten niet goed genoeg om dat uit te leggen. Woorden schieten tekort of raken ergens onderweg hun scherpte kwijt.
Maar dan kan ik iets vastnemen, het tonen, en zeggen: “Dit dus.”
En dat object vertelt dan het deel van het verhaal dat in mijn mond blijft steken.
Zacht verzet
Misschien zijn koesterdingen voor mij uiteindelijk ook een vorm van zacht verzet.
Tegen de druk om altijd te optimaliseren. Tegen het idee dat loslaten per definitie beter is. Tegen de verwachting dat een goed leven overzichtelijk, efficiënt en licht moet zijn.
Mijn koesterdingen zijn geen decorstukken. Ze zijn een kompas.
Ze wijzen niet alleen naar waar ik ben geweest, maar ook naar wie ik was — en nog altijd ben, in verschillende lagen tegelijk.
En zolang zij mogen blijven, mag ik dat ook blijven koesteren.