Bruikbaar voor iedereen …

Universal Design‘ of ‘ontwerpen voor iedereen‘ (‘design for all‘) betekent zoveel als de dagelijkse dingen om ons heen, en in het bijzonder de openbare dienstverlening, zo gebruiksvriendelijk en toegankelijk mogelijk ontwerpen voor een zo groot mogelijke groep gebruikers.

De samenleving laat zich niet per decreet veranderen, wel kan men de gebruiken en gewoonten leiden naar een betere kwaliteit van leven voor allen via een proces van interacties tussen professionelen op het veld, beleid, wetenschappelijke deskundigen en ervaringsdeskundigen.

Universal Design zou dus meer moeten zijn dan een sexier term voor de klassieke aanpak van toegankelijkheid. Doorgaans focust die voorbijgestreefde vorm vooral op meer zichtbare vormen van handicap, zoals rolstoeltoegankelijkheid, ‘ad hoc’ oplossingen’ (voorschriften, regels, minimumnormen) en mensen met specifieke beperkingen.

Gebruikers van dagelijkse dingen

Onder de gebruikers van de ‘dagelijkse dingen’ bevinden zich echter ook mensen met minder zichtbare mogelijkheden en beperkingen.

Het gaat daarbij niet alleen om ouderen, allochtonen of mensen die laaggeschoold zijn. We spreken ook over mensen met een minder duidelijk profiel of onzichtbare handicap, zoals mensen met autisme (of autistische mensen, zo u wil), en in één adem hun ‘systeem’: hun partner, ouders, familie, broers & zussen, persoonlijk assistenten & begeleiders …

Voor hen zijn andere elementen dan de fysieke toegang belangrijk, zoals verstaanbaarheid, overzicht, compatibel maken van de context of rekening houden met een vorm van incompatibiliteit met de context.

Het is daarom noodzakelijk rekening te houden met een ‘design for all‘, rekening houdend met de eeuwenoude diversiteit van mensen, en alle fasen in & bestaansvormen binnen de menselijke levenscyclus.

Oude wijn in nieuwe zakken ?

Het is een terechte opmerking dat Universal Design niet met het warm water afkomt en een reactie is op de klassieke vormen van toegankelijkheid.

Toch denk ik dat tot nu toe toegankelijkheid vooral onbegrepen en onvolledig is geweest en initiatieven zich al eens verliezen in details die niet de essentie (verstaanbaarheid, bruikbaarheid, vermindering van vereiste energie) realiseren.

Universal Design stelt echter al meer de samenleving, de omgeving en haar functioneren in vraag.

Binnen Universal Design is er een deel dat individueel en een deel dat binnen een maatschappelijke context te benaderen is. We kunnen ons daarbij bijvoorbeeld baseren op de visie van het Noorse Delta Centrum die een toegankelijkheidspiramide maakte.

Figuur 1 Toegankelijkheidspiramide Noors Delta Centrum (bron: Froyen, H.. Lezing Universal Design, Studiedag Provinciehuis Leuven, 2008)

Verder wordt binnen Universal Design het principe gehuldigd van een blijvende evolutie, of een “voortdurend verruimende horizon waar goed design continu naartoe beweegt” (Salmen, 2001).

Bij elke stap van Universal Design is bovendien interactie met gebruikers, ervaringsdeskundigen in dit geval, belangrijk om het design te testen op gebruik in de dagelijkse context.


De inbreng van de verschillende ‘stakeholders’ bij het design proces zal uiteraard een andere vorm aannemen, al naargelang de insteek, of het gaat om bijvoorbeeld het ontwerp van een openbaar gebouw (en welke functiebestemming), een privé-praktijk, een informaticatoepassing of een vrijetijdsconcept (concert, voorstelling, activiteit, speelterrein …).

Het is daarbij niet de bedoeling dat alle stakeholders op alle terreinen mee kunnen praten, maar elkaars expertise respecteren.

Het kan best zijn dat iemand die software test niet op de hoogte is van de achterliggende architectuur. Zijn functie is vooral de gebruiksvriendelijkheid te testen voor het vooropgestelde doel, en of dit binnen zijn functioneren bijdraagt of integendeel meer energie vraagt dan hij zou willen. Een spoedcursus informatica om mee te kunnen praten met het jargon van de informaticus, is daarom onzinnig. Een dialoog vanuit specifieke inzichten elk op hun domein is vruchtbaarder. Er zijn namelijk meerdere vormen van kennis met elk hun rijkdom en gelijkwaardigheid.

Binnen een project kunnen verschillende actoren vanuit hun positie op een gelijkwaardige manier bijdragen tot het welslagen van het project als ze openstaan en elkaars kennis legimiteren.

Dat is in de praktijk veelal nog een ideaal. De deskundigen die een project starten en regisseren, overschatten zich vaak op vlak van inzicht in de belevingswereld van hun (eind)gebruiker. Veelal is men er nog niet aan toe om die (eind) gebruiker aan het woord te laten en verschillende invalshoeken en kennis te integreren tot een universeel bruikbaar eindproduct. Vaak is het eindproduct zelfs helemaal niet bruikbaar, tenzij voor de ontwikkelaar.

Bruikbaar voor iedereen


In een omgeving of ruimte die bruikbaar is voor iedereen, zou de gebruiker eerst en vooral het gevoel moeten krijgen welkom te zijn. Voorts zou het duidelijk moeten duidelijk waar de gebruiker terecht kan voor welke functies, wanneer en welk traject moet gevolgd worden. Voor 95% van de gebruikers zou dit zonder assistentie moeten kunnen, de overige 5% moet de ruimte met de nodige assistentie (bij voorkeur zonder externe assistent) volledig kunnen gebruiken.

In de praktijk blijft het nog vaak het bruikbaar maken van de fysieke omgeving (vaak als het bouwproject al bezig is), voor mensen met een zichtbare beperking en de nodige consumptiekracht, door het maken van aanpassingen die op plan afleesbaar zijn.

In sommige gevallen wordt een omgeving nog steeds ingericht volgens het principe van de Vitruvian Man van Leonardo Da Vinci, het ideaal van de humanistische mens met de perfecte maten. In heel wat betogen over het onderwerp toegankelijkheid helt men echter ook over naar het andere uiterste, en focust men vooral op de beperkingen.

De nadruk ligt voor het merendeel van de projecten & studies rond toegankelijkheid & bruikbaarheid vooral op de zichtbare beperking, het economisch aspect en de fysieke omgeving, namelijk het bereiken van een zo groot mogelijke doelgroep met koopkracht en het toegankelijk maken van de werkomgeving.

Men kijkt wel steeds vaker naar tijdelijke en situationele beperkingen. Voor mensen met minder zichtbare beperkingen (verstandelijk, visueel, verbale, of autisme), met tijdelijke of situationele beperkingen (de moeder met een hyperactief of autistisch kind die haar aandacht en handen opeist), of die minder sociaal of economisch kapitaal hebben (allochtonen, kansarmen), blijven ruimtes en omgevingen echter nog vaak beperkt of zelfs helemaal niet bruikbaar.

Goede en minder goede gebruiken

Er zijn uiteraard mensen die zich hiervan bewust zijn en proberen er verandering in te brengen. Ir. Hubert Froyen (PHL/UG) bijvoorbeeld merkt in zijn geschriften op dat er nog heel wat handicap-situaties zijn in de fysieke, sociale en virtuele omgeving. Vlaamse bouwmeester Marcel Smets geeft al toe dat de toegankelijkheid van de sociale, economische en virtuele omgeving binnen de openbaarheid & in het privé-aanbod nog veel kan verbeteren.

Op speelterreinen mag er bijvoorbeeld nog meer aandacht besteed worden aan diversiteit aan spelmogelijkheden. De signalisatie en de openheid voor verschillende spelvormen (sociaal, receptief, fantasie, constructie, uitdaging, repetitief, regel) verdienen bijvoorbeeld aandacht. Elke ontwikkelingsleeftijd heeft bovendien zijn eigen specifieke speelbehoefte (wild of rustig, actief of passief) en consequentie is hier heel belangrijk.

Het doet me denken aan de moeder met een autistische zoon die vertelde dat haar kind na een tijd de andere kinderen op het springkasteel op de Gentse Feesten aanviel. Het ene uur waren er begeleiders die de instroom & beweging op het kasteel wat in de gaten hielden, terwijl het andere uur er niemand meer was.

Een autistisch persoon zou zich voor minder bedrogen voelen, en ‘het kot afbreken’. Als de regels duidelijk en consequent zijn, is de speelruimte des te plezieriger. De gebruiksmogelijkheden uitbreiden, is dus in veel gevallen interessanter dan de (rolstoel) toegankelijkheid verzekeren. Jammer genoeg niet steeds zichtbaar, en dus weinig mediageniek.

Een autismevriendelijke benadering …

Een van de redenen dat heel wat ruimtes niet voor iedereen bruikbaar zijn, is vaak een beperkt of onbestaand inzicht, in dit geval in wat autisme is, en de verwarring dat autisme & verstandelijke handicap onlosmakelijk met elkaar verbonden zouden zijn.

Autisme zie ik echter als een ontwikkelingshandicap met als rode draad een andere zintuiglijke waarneming en informatieverwerking en een gradatie in blindheid voor de context en sociale etiquette. Voor de omgeving geeft dat last door schijnbaar contextvreemd gedrag en denken, voor de persoon zelf is er overlevingsstress en frustratie.

Autisme kan maar hoeft niet samen te gaan met andere beperkingen, zoals verstandelijke beperkingen op kennisvlak, fysieke beperkingen, een psychische handicap, een visuele of auditieve handicap …

Een autismevriendelijke benadering houdt volgens mij in dat mensen zonder expertise erop letten consequent te zijn in hun communicatie en gedrag, de ruis (abstracte begrippen, zintuiglijke toeters en bellen) in de informatieoverdracht beperken, en correct omgaan met bepaald contextvreemd gedrag dat zou kunnen irritant of onbeschoft overkomen.

Zo’n omgeving elimineert in veel gevallen de handicap(situatie) en wordt ook meteen duidelijker en minder stressvol voor iedereen (ook voor hen zonder autisme). Autisme Centraal in Gent heeft het begrip ‘autismevriendelijkheid’ uitgewerkt tot een project, waar ook een aantal bekende Vlamingen zich bij aansluiten.

Net als bij andere handicaps betekent dit natuurlijk niet dat autisme ‘genezen’ of verholpen is. Autisme – de ervaring van autistisch denken en voelen – behoort onlosmakelijk tot de handicapidentiteit en – cultuur. Bovendien staat de persoon nog altijd centraal, niet het ‘ding’ autisme.

Vanuit het autismevriendelijk perspectief een omgeving bruikbaar maken kan volgens mij  dusvooral door consequentie in communicatie (duidelijk zijn over verwachtingen en aanbod), beperken van ruis door irrelevante zintuiglijke prikkels (licht, geluid, geur, tast) en door beperken van het vakjargon (abstracte begrippen, verduidelijking termen). Daardoor wordt een omgeving niet minder ‘sexy’, maar vooral meer terzake, met minder stress bruikbaar voor een breder publiek, dat evenmin van al die toeters en bellen houdt.

Voorbeelden uit de openbaarheid: vervoer & bibliotheek

De openbare vervoersketen en de openbare bibliotheek zijn volgens mij twee belangrijke peilers binnen onze samenleving, en een mooie vertrekpunt voor een analyse.

Ik zou ook een lokale Politie, een vakbond, een van de plaatselijke Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn (of Sociaal Huis) of andere kandidaten voor de jaarlijkse ontoegankelijkheidsprijs kunnen aanhalen.

Openbaar vervoer

Het openbaar vervoer gebruiken is voor heel wat mensen met autisme nog steeds lang niet zo eenvoudig en heel vaak zeer oncomfortabel.

Er is uiteraard al veel vooruitgang gemaakt, zowel bij De Lijn, de NMBS als bij de andere vervoersmaatschappijen. Mensen met een handicap kunnen weliswaar rekenen op heel wat faciliteiten, maar soms loopt het toch nog behoorlijk mis. Een studiedag van het Toegankelijkheidsoverleg Vlaanderen rond mobiliteit maakte dit duidelijk.

Vooral in de continuïteit en aansluitingen in het traject dat mensen volgen, en op vlak van duidelijkheid van informatie (in het stationsgebouw, op de perrons, in de trein zelf) is er nog wat werk aan de winkel. Een pleidooi voor gebruik eerste klasse binnen treinen op bepaalde (drukke) tijdstippen zou gezien de eigenheid van autisme zeker te rechtvaardigen zijn. Blijvende communicatie met ervaringsdeskundigen is daarom nodig.

Openbare bibliotheek

Anders is het gesteld met de plaatselijke openbare bibliotheken. Het voorbeeld is misschien merkwaardig gekozen, maar als iemand met een opleiding bibliotheekkunde ligt ’t mij toch genoeg aan het hart.

Heel wat plaatselijke openbare bibliotheken lijken volgens mij vooral te focussen op verbetering van de fysieke toegang en het digitaliseren van hun documentatiemateriaal. Het gebruikscomfort, de digitale geletterdheid, collectievorming en communicatie voor een groter publiek wordt daarbij al eens uit het oog verloren.

In de evolutie van de oude ‘boekerij’ met haar ‘gewijde stilte’ en rigide moraliteit naar een drempelvrije bibliotheek, is de evenwichtsoefening wat aan het overslaan. Naar andere titels dan bestsellers lijkt het steeds verder zoeken.

In heel wat plaatselijke bibliotheken is het daardoor ondoenbaar om nog binnen te stappen. Dat is jammer, omdat bibliotheken vaak nuttige informatie bevatten (zoals doe-het-zelf, sociale informatie, literatuur, …) om beter te functioneren in een samenleving.

Allereerst is het er te stressvol geworden. Niet alleen te chaotisch. Niet alleen omdat er een overvloed van geluid, licht, kleur en geur is. Ook door het muzikaal behang en de geluidsoverlast van buiten en binnen de bibliotheek (smsjes, gsm-gesprekken, computerlawaai). Het lijkt soms een markt.

Openbare bibliotheek en plaatselijke boekhandel lijken van rollen te verwisseld. In die boekhandel is het stil genoeg om een boek te kiezen en krijg ik informatie en persoonlijke attentie aan de balie.

In een bibliotheek is daar amper tijd voor of wordt mijn vraag niet verstaan of gewoon weggelachen wegens ‘niet gevraagd’, ‘nooit gehoord’ of (ik verzin het niet) ‘zever’.

Ik kan niet ontkennen dat ik niet in de marketingcategorieën ‘pleziermakers’ of ‘koffiekletsers’ val, maar hoef ik dan met barstende hoofdpijn mijn bibliotheekbezoek af te breken ? Of misschien ben ik aan het evolueren tot de marketinggroep ‘te herwinnen gebruikers’ ?

Tot besluit

De belangrijkste principes van Universal Design gaan uit van zeven richtlijnen, zijnde bruikbaarheid voor iedereen, flexibiliteit in gebruik, eenvoudig & intuïtie gebruik, verstaanbare informatie, marge voor vergissingen, beperkte inspanning, geschikte afmetingen & gebruiksruimten.

In beide voorbeelden, openbaar vervoer & openbare bibliotheek, kan de inbreng van ervaringsdeskundigen nog heel wat positieve evoluties teweegbrengen op deze vlakken, zodat beiden voor een grotere bevolking bruikbaar zouden worden.

Wat uiteindelijk hun maatschappelijke doelstelling zou moeten zijn.

1 Comment »

  1. Auctores vzw is al een aantal jaren bezig om vanuit de eigenheid van een persoon met autisme, onderwijs, werken, vrije tijd en oud woorden te bekijken, en daar ook antwoorden op te formuleren. Onderzoek is uiteraard een belangrijke peiler. Auctores was initiatiefnemer aangaande Universal design – desgin for autism, meer informatie kan u zien op webpagina: http://www.ud-da.eu.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.