Een vergissing van jewelste …

Waarin ik mij zoal heb vergist, in wat voorbij is, vraagt ze. We bevinden ons in een vijfde van een lunchgesprek in een vegetarisch eettentje niet ver van het Stadspark. 

Tussen een zij en een ik. De kans dat zij een hij zou zijn, is gering. Met een hij is het veel moeilijker praten dan met een zij. De uitzonderingen zijn eerder witte raven. Bij wijze van spreken, want ik praat niet met vogels.

Haar zou ik wel willen beschrijven, maar ik ben niet goed in mensen beschrijven. Zeker niet zonder in clichés te vervallen. Ik, aan de andere kant van de tafel, ben gewoon mezelf. Voor alle duidelijkheid niet in een romantische verhouding met haar. Ik vind dat duidelijkheid in dit soort situaties altijd raadzaam is.

Je weet nooit wat de mensen denken, zegt mijn moeder altijd. De mensen denken veel, maar zeggen weinig over wat ze denken. In dat opzicht heb ik veel gemeen met de mensen. Het lastige aan de mensen, en waarin wij verschillen, is dat zij weinig zeggen over wat zij denken maar veel over wat anderen (zouden moeten) denken of (niet) (zouden moeten) doen.

Al zegt een spreekwoord ook: waar het hart van overloopt, ligt op de tong. Wat zou betekenen dat ze onbewust toch veel loslaten over wat hen sterk bezig houdt. Die uitdrukking heb ik trouwens nooit echt gesnapt. ‘Waar je de buik van vol heb, komt langs de tong’, leek me dan nog logischer. Met een iets andere nuance, weliswaar, maar toch.

Zij stelt, in dit gesprek, vragen. Ik geef, niet altijd, antwoorden. Antwoorden die vooral leiden tot meer vragen. Zo verhouden wij ons tot elkaar.

In veel, zeg ik. In veel heb ik mij vergist. Blunders, black-outs, dwalingen, flaters, lapsussen, misrekeningen, misverstanden, misstappen, missers, misgrepen, ontsporen, mededelingen die niet pasten, parapraxis en schrijffouten … ze hebben een of meerdere keren in mijn leven de revue gepasseerd.

Toch kan ik op zo’n vraag alleen maar vaag antwoorden. Daarom zeg ik maar iets. Een alternatief op het ‘ik weet het niet’ of gewoon stilte. Al had ik ook ‘wat bedoel je’ kunnen zeggen. Mocht ik meer tijd gehad hebben om te denken. Gesprekken worden bij mij meestal vooraf of achteraf gevoerd, zelden op het moment zelf.

‘Wat zijn zoals je grootste vergissingen, die je het meest bijblijven?’ vraagt ze. Een hiërarchie bedoel je, vraag ik. Want ze blijven me allemaal bij, zeker op het moment dat er nog een bij komt.

En ze zegt ja. En ik zeg tja, jeetje, wrijf over mijn gezicht, zucht eens heel diep. Oh, is dat een moeilijke vraag? schrikt ze. Sorry, ik wou het je niet lastiger maken. Vergeet de vraag. Ik heb niets gezegd.’

Die laatste opmerking komt wel vaker voor en vind ik erg vreemd. Woorden kan je immers niet meer inslikken of terugtrekken. Ze blijven rondzweven in de ruimte en komen je nu en dan terug in je gezicht. Oh, zeg ik, maar dat geeft niet.

Ik heb me gelukkig in zowat alles vergist. In het wat, het wanneer, het wat. In het hoe, met wie en vooral in het waarom. Maar om daar nu een rangschikking, een lijstje, een top zoveel in te maken? Daar kan ik zelf moeilijk over oordelen. Ik ben me gelukkig wel bewust van die vergissingen, en daarin vergissen anderen, die hun vergissingen vaak onderschatten, zich veel meer.

Bovendien: misschien moeten de grootste vergissingen nog komen? Net zoals al het beste nog moet komen.

‘Maar denk je dan niet eens aan de schade die dat aan anderen heeft berokkent?’ vraagt ze. ‘Ben je dan nooit eens met anderen bezig?’ Voortdurend, denk ik, teveel, continue. Dag en nacht. De klok rond. Teveel. Maar moet ik er dan ook nog voortdurend over praten? En is dat dan geen roddelen (als zij er niet bij zijn), ook als het over goede dingen gaat (want vinden die mensen dat wel zo goed?).

Aanvankelijk zweeg ik, ik dacht aan de mensen, de mensen dachten hetzelfde als ik, dus was er geen probleem. Vervolgens ging ik een beetje compenseren door voortdurend over mezelf te praten, ik vond van mezelf dat ik dat daarmee de zaak heel goed had opgelost. Toen duidelijk werd gemaakt dat dit niet goed was, ben ik dan maar weer beginnen zwijgen. En als het moest hier en daar een woord ertussen werpen.

In dit gesprek leek ‘raar‘ wel op zijn plaats. Alles is een beetje raar, iedereen is een beetje raar. En autisten zijn een beetje anders raar, maar hebben, dat moet ik benadrukken, positieve eigenschappen.

En het is raar dat ze veronderstelt dat alle vergissingen ook meteen schade tot gevolg hebben. Of minstens op de lange termijn blijven negatief uitdraaien. Iets doen wat niet juist is, een verkeerde conclusie trekken, iets doen dat slecht afloopt of ongelukkige gevolgen heeft, kan net ook goed uitdraaien.

Want waar zou ik zijn zonder mijn vergissingen en die van anderen? Elders, wellicht. ‘Het had inderdaad nog veel erger gekund’ zegt ze. ‘Ja,’ zeg ik of het zou kunnen dat het ergste al voorbij is, en ik me alleen nog maar kan vergissen dat het ergste er staat aan te komen.’ Dat zou nog al eens een vergissing van jewelste zijn!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s