Waarom het ‘neurotypische’ brein eigenlijk een mythe is

(c) Sam Peeters, gemaakt met AI

We gooien graag met termen als ‘neurotypisch’ en ‘neurodivergent’. Het helpt ons om de wereld – en de mensen daarin – te ordenen. Maar wat als een van die basiscategorieën eigenlijk niet bestaat?

Peter Vermeulen, iemand die veel van autistisch denken weet, schreef een tijdje terug op zijn blog op zijn website Autism in Context precies dat: het idee van een ‘neurotypisch’ of ‘normaal’ brein is een illusie. De kern van zijn blog is even eenvoudig als diepgaand: ieders brein is uniek en niemand is echt neurotypical. Neurodiversiteit is niet de uitzondering, het is de regel.

Het oorspronkelijk (Engelstalig) artikel is intussen besproken door Google Gemini. Je kan het hier in iets minder dan 7 minuten beluisteren: “Waarom niemand echt neurotypisch is“. Als je het deelt, graag mijn blog vermelden. Dankuwel.

Een grap die serieus werd genomen

De term ‘neurotypisch’ heeft een opvallende geschiedenis. Hij werd populair gemaakt door de autistische activiste Laura Tisoncik in 1998, deels als satire. Ze bedacht het fictieve ‘Instituut voor de Studie van het Neurologisch Typische’ (ISNT), compleet met spottende diagnosecriteria voor een zogenaamde ‘neurotypische stoornis’. Haar doel was om een spiegel voor te houden: ze wilde de manier waarop autisme als een pathologie werd benaderd, op de korrel nemen.

Ironisch genoeg gebeurde er iets wat ze wellicht niet had voorzien. De term ontsnapte aan zijn satirische context en werd een serieuze beschrijving voor mensen wiens hersenen en gedrag lijken te voldoen aan de maatschappelijke norm. Maar dat roept meteen een belangrijke vraag op: wat is die ‘norm’ eigenlijk, en wie bepaalt die?

Het drijfzand dat ‘normaal’ heet

Wat we als samenleving als ‘normaal’ beschouwen, is voortdurend in beweging. Het is een product van cultuur, geschiedenis en tijdgeest. Een bekend voorbeeld: tot 1974 stond homoseksualiteit in de DSM, het handboek voor psychiatrische aandoeningen, te boek als een mentale stoornis. Vandaag zien we het als een doodgewone variant van de menselijke identiteit.

Voor ons brein geldt precies hetzelfde. Statistisch gezien wordt ‘normaal’ vaak geassocieerd met de beroemde klokcurve: de meeste mensen bevinden zich rond het gemiddelde, met aan de uiteinden de uitzonderingen. Volgens die logica zou je ‘neurotypisch’ kunnen definiëren als iemand die op allerlei cognitieve vlakken binnen een bepaalde marge van het gemiddelde scoort.

Maar ons brein is geen simpel rapport met cijfers. Het is een duizelingwekkend complex orgaan met een waaier aan vaardigheden: geheugen, emotionele regulatie, logisch redeneren, aandacht, creativiteit… noem maar op. En niemand scoort op al die vlakken gemiddeld. De meesten van ons hebben een uniek profiel: we blinken uit in het ene en hebben moeite met het andere.

Niemand past perfect in het ‘normale’ vakje

Als we de proef op de som nemen, wordt het snel duidelijk hoe wankel het concept ‘neurotypisch’ is. Ik neem even de redenering van Peter Vermeulen over, alle credits voor hem.

Stel je voor dat we iemands brein op een reeks verschillende eigenschappen testen.

  • Test je 10 cognitieve eigenschappen, dan is de kans al 42% dat iemand op minstens één daarvan buiten de ‘norm’ valt.
  • Verhoog je dat naar 25 eigenschappen, dan springt die kans naar 75%.
  • Bij 50 eigenschappen zou bijna iedereen – zo’n 92% van de mensen – in zekere mate als ‘neurodivergent’ kunnen worden bestempeld.

Wat betekent dit? Dat de kans dat iemand op alle vlakken perfect ‘normaal’ is, statistisch gezien verwaarloosbaar klein is. Paradoxaal genoeg zou een écht ‘neurotypisch’ persoon zo zeldzaam zijn dat hij of zij net… atypisch is.

De valkuil van de terminologie

Hoewel termen als ‘neurotypisch’ en ‘neurodivergent’ nuttig kunnen zijn om vooroordelen aan de kaak te stellen of om toegang tot ondersteuning te krijgen, creëren ze ook een risico. Neurodivergent is oorspronkelijk bedoeld als politieke term, om maatschappelijke frictie en verdrukking van mensen die een brein hebben die daartoe aanleiding geeft te duiden, niet als medische of psychologische term en al zeker geen synoniem voor wie een diagnose (formeel of zelf) heeft.

Zoals de termen nu gebruikt worden, versterken ze het idee van een strikte tweedeling die de rijke complexiteit van de menselijke aard miskent. Door ‘neurotypisch’ als de denkbeeldige standaard te zien, bestempelen we elke afwijking daarvan als ‘anders’ en is er een vermoeiend debat van wie nu eigenlijk neurotypisch en neurodivergent is.. En dat voedt net de marginalisering die de neurodiversiteitsbeweging probeert te bestrijden.

Bovendien is menselijk gedrag sterk afhankelijk van de context. Iemand kan in de ene omgeving perfect ‘typisch’ lijken, maar in een andere situatie als ‘divergent’ worden gezien. Culturele normen spelen hierin een gigantische rol. Wat op de ene plek als een normale sociale interactie geldt, kan ergens anders als vreemd worden ervaren.

Een spectrum, geen scheidslijn

In plaats van mensen in nette doosjes te proberen stoppen, is het veel accurater om te denken in termen van een spectrum. Geen twee breinen zijn hetzelfde. Er zijn weliswaar ontelbare categorieën mensen: zoals zij die proberen mee en in te denken met autistische mensen en zij die het zelf beter denken te weten, enzovoorts. Maar verder heeft iedereen een unieke neurologische cocktail van sterktes, uitdagingen en aangeleerde strategieën.

Diagnostische systemen zoals de DSM-5 proberen weliswaar orde te scheppen door bepaalde clusters van eigenschappen een naam te geven (autisme, ADHD, dyslexie). Die kaders zijn waardevol voor onderzoek en voor het verkrijgen van de juiste hulp. Maar het blijven modellen – vereenvoudigingen van een veel complexere werkelijkheid. Ze evolueren ook voortdurend onder invloed van nieuwe wetenschappelijke inzichten en veranderende maatschappelijke waarden.

Conclusie: Leve de diversiteit!

De term ‘neurotypisch’ mag dan wel goed bedoeld zijn, het is gebouwd op drijfzand. Het veronderstelt een neurologische standaard waar vrijwel niemand aan voldoet. Of je het nu statistisch, cultureel of wetenschappelijk bekijkt, het concept houdt geen steek.

Laten we dus maar stoppen met die denkbeeldige lijn te trekken tussen ‘neurotypisch’’ en ‘neurodivergent’. De echte norm is de diversiteit zelf. Net zoals biodiversiteit een ecosysteem gezond en veerkrachtig maakt, maakt neurodiversiteit onze samenleving rijker, empathischer en creatiever. En dat is het soort ‘normaal’ waar we met z’n allen naar zouden moeten streven.

Dit artikel verscheen eerder op mijn Engelstalige blogs The European Autist en Tistje op Medium.com

2 Comments »

  1. Dank je wel sam

    Hoe het woord neurotypich is ontstaan wist ik nog niet.

    En dat je me brengt naar een onderdeel zijn van een waardevolle diversiteit maakt mij blij.

    Ik wens je een mooie dag…. dagen.. jaren.. 😊

    Grtjs arie

    Geliked door 2 people

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *