In zee met anderen … autisme en zomerbeleving

Foto van Sipan Hota op Unsplash

Het is een cliché, ongetwijfeld, maar wij, mijn liefste en ik, houden ervan gewoontes, tradities en rituelen te respecteren. Heeft het met ons autisme te maken? Mogelijk. Heeft het met iets anders te maken? Dat zou best kunnen. Voelen we er ons door geremd? Integendeel, we genieten ervan. Voelen anderen er zich door geremd? Mogelijk, maar daar maken we ons niet echt druk om. Tenzij we hen natuurlijk graag hebben en proberen tot een compromis te komen.

Zo hebben wij sinds jaren de gewoonte op oneven dagen van de week rond een uur of vijf naar een bepaalde zandstrook tussen twee golfbrekers, aan de Belgische kust te rijden. Daar eten we ons meegebracht avondmaal op – twee boterhammen, belegd met kaas, hesp, vis – of garnaalsalade – op een bankje met zicht op zee. Daarna wandelen we, een half tot anderhalf uur, van de ene golfbreker naar de andere en terug. Tot we weer naar huis vertrekken.

We kiezen die bepaalde zandstrook omdat mijn liefste sinds enige tijd rolstoelgebruiker is en daar strandrolstoelen kan huren. Sinds dit jaar is dat een elektrische strandrolstoel geworden. Samen met haar wandel ik op een rustig tempo de vloedlijn af. Tussen kwallen, pietermannen, gillende meisjes in badpak, stoere mannen vol tatoeages die het water induiken en redders die zich vergeefs te pletter blazen op hun toeter.

Vandaag was er ook een ambulance van Wens, een organisatie die zorgt voor de uitvoering van laatste levenswensen van terminale mensen. Een project van mijn hart, omdat er veel mensen die ik heb ontmoet in mijn leven op een of andere manier terminaal zijn, en daar heel verschillend mee omgaan. Ik kan het me dan ook levendig voorstellen dat iemand voor het laatst de zee wil zien en voelen.

Toch hangt er vaak een sfeer van tragiek en medische fataliteit rond berichten over dit soort initiatieven.  Als er iets dat ik heb geleerd als vrijwilliger in tal van situaties die met beperkingen of levenseinde hebben te maken, is dat gewoon als gewoon mens worden aanzien, soms nog de enige vraag is. Het is niet iedereen gegeven om mensen te zien doorheen de medische of tragische sluier. Ik voel veel genegenheid voor wie dat wel kan. Het tegendeel voel ik voor mensen die ‘oh jammer dat dit moet gebeuren’ of ‘ocharme sukkelaar toch’.

Ook de jobstudenten (meestal jonge vrouwen) van Zon, Zee en Zorgeloos, waar wij elk jaar opnieuw de hulpmiddelen halen om tot aan de zee te geraken, slagen daar telkens knap in. Ik vind het elk jaar opnieuw een plezier om hen te ontmoeten. Ik vind het telkens ontroerend hoe open ze staan voor anders-zijn, beperkingen en ziekte, zonder daar betuttelend over te doen.

Dat is nodig, want de verlegenheid om met zo’n mobiliteitshulpmiddel in zee te gaan, letterlijk of figuurlijk, blijkt vaak erg hoog. Veel mensen, ook die ik ken uit mijn engagement in handicaporganisaties, durven het niet aan, omdat ze een vorm van status – of blootstellingsangst hebben. Mijn liefste is daar gelukkig nooit mee bezig geweest, en ik evenmin. Waarom zouden we hulpmiddelen niet gebruiken die worden aangeboden, ook in de openbaarheid? Zeker als ze ons, in dit geval, dichter bij zee kunnen brengen. Toegegeven, het leidt regelmatig tot gestaar, vreemde blikken en lastige opmerkingen. We laten dat niet aan ons hart komen en plenzen intussen rustig verder, langs de vloedlijn, laverend tussen kwallen, de zonsondergang tegemoet.

Geef een reactie