Oplossingsgericht begeleiden

Af en toe krijgt de Pass een niet-autistische spreker over de vloer. Ook in Brugge is dat het geval. Zo heeft Peter Vermeulen er onlangs een uiteenzetting gegeven rond diagnostiek.

Dit keer spreekt Els Mattelin, psychotherapeute bij vzw Dynamiek over psychologische begeleiding. Ter illustratie van de synthese hieronder is ook gebruik gemaakt van de presentatie & nota’s bij de InService 2008-lezing van Els Mattelin bij het Opleidingscentrum Autisme van Theo Peeters te Antwerpen.

De juiste lijn brengt je waar je zou willen zijn …

Om te beginnen is het belangrijk te weten wie voor wat, waarom en vooral waar terecht kan. Er zijn namelijk verschillende niveaus van hulpverlening. Soms heeft men het over ‘lijnen’. Hoe hoger het niveau, het getal van de lijn, hoe verder de ondersteuning staat van de vertrouwde omgeving van de hulpvrager of mens die hulp nodig heeft.

Op de zogenaamde ‘nulde lijn’ vinden we niet-beroepsgebonden hulpverleners die mensen ondersteunen of begeleiden in een aantal zaken. Het gaat over de omgeving van de persoon in kwestie, de leerkrachten van een kind, zelfhulpgroepen zoals de Pass …

Eerstelijnshulp zou hulpverlening moeten zijn die rechtstreeks toegankelijk is. Els situeert hier de huisarts, psycholoog & psychotherapeut, het Centrum Geestelijke Gezondheidszorg (CGGZ), OCMW, CAW, Ziekenfonds en dergelijke meer.

Wie naar een specialist wordt doorverwezen, komt terecht op het volgende niveau, verder van de vertrouwde omgeving, namelijk bij de tweedelijnshulpverlening. Het gaat dan om hulpverlening die enkel toegankelijk is op verwijzing van iemand die op eerstelijnsniveau werkt. Wie bijvoorbeeld psychische of fysieke revalidatie volgt, wie in een ziekenhuis een diagnostisch onderzoek laat verrichten, wie een screening laat doen … komt meestal in aanraking met tweedelijnshulpverleners. Het is bij hen niet mogelijk zonder aanbeveling of verwijzing binnen te stappen of aan te kloppen.

Op de derde lijn vinden we dienstverlening waarop mensen die beroepsmatig bezig zijn met hulpverlenen beroep kunnen doen.

Zo zijn er laboratoria, vormingscentra, opleidingsdiensten maar bijvoorbeeld ook de Stichting Expertise Netwerken die vorming, intervisie & supervisie helpt mogelijk maken, bijvoorbeeld rond autisme.

Inzicht, begeleiding, behandeling … en de 3 G’s

Psychotherapeuten kunnen zich dus op verschillende niveaus bevinden. Zowel op de nulde lijn, wanneer ze niet-beroepsmatig bezig zijn, als op de eerste lijn, in een zelfstandige praktijk bijvoorbeeld, op de tweede lijn, in een ziekenhuis of revalidatiecentrum, maar ook op de derde lijn, binnen advies – of vormingsorganen.

Psychotherapeuten beoefenen de psychotherapie, ofwel het behandelen (therapie) van de geest (psychè). Daarin onderscheiden ze zich van andere hulpverleners die therapie uitoefenen, zoals een ergo – en kinesitherapeut, die voornamelijk met het lichaam bezig zijn.

Op bepaalde momenten van het leven kunnen mensen de nood ervaren zich te laten begeleiden door zo’n hulpverlener. Bij psychische klachten en problemen is een psychotherapeut meestal de aangewezen persoon.

Psychotherapeuten spreken van ‘behandeling’, maar niet van ‘genezing’, wat in de context van autisme trouwens niet mogelijk is. Mensen gaan niet zomaar naar een therapeut, veelal als ze last ervaren of als ze last ervaren van de signalen van een omgeving die last ervaart. Er hoeft niet noodzakelijk een ‘probleem’ te zijn. Een probleem is trouwens een beladen woord in de psychotherapie. Heel wat mensen met autisme die zich, al dan niet onder lichte druk, aanmelden, zien namelijk het probleem niet. Niet zozeer omdat het er niet zou zijn. Wel omdat het vaak ook te maken heeft met misverstanden door beperkte kennis en inzicht.

Daarom biedt psycho-educatie vaak heel wat handvaten om uit een impasse of lastige situatie te geraken. Psycho-educatie geeft mensen informatie en inzicht in hun eigen denken, hun emotionele leven en hun eigen functioneren. Inzicht in gedachten of in gedrag kan ertoe leiden dat gevoelens, bij voorkeur in positieve zin, veranderen.

Het kan bijvoorbeeld een dialoog opzetten over het autistische denken en hoe dit zo positief mogelijk aan te wenden. Of andersom, inzicht in gevoelens kan leiden tot verandering van gedachten of gedrag. Om dat te verduidelijken, gebruikt Els de driehoek van gevoelens-gedachten-gedrag, de 3 G’s.

Al naargelang de therapie wordt de nadruk dan gelegd op gevoelens, gedachten of gedrag.

De klassieke therapie mist vaak zijn doel, omdat de cliënt vaak het overzicht verliest en er teveel nadruk gelegd wordt op één van de invalshoeken

Over het algemeen leggen therapeuten de nadruk op gevoelens, zijn de therapieën erg verbaal en gaan ervan uit dat mensen (al dan niet met autisme) in staat zijn om naar binnen te kijken (introspectief te denken). Die verwachtingen zijn niet altijd terecht.

Mensen met autisme hebben eerder beperkte introspectie, een noodzaak om op een andere dan doorsnee & vanzelfsprekende manier te communiceren, en vragen aandacht voor sensorische over – of ondergevoeligheden.

Het is heel individueel bepaald wat helpend is, zeker bij mensen met autisme. Bij sommige mensen past de nadruk op gedachten het best, de cognitieve therapie. Anderen zijn meer gebaat bij gedragstherapie. Nog anderen, ook met autisme, vinden een betere ingang langs de gevoelenskant, hoewel dat al eens vergeten wordt.

De keuze …

Niet iedereen stapt zomaar een therapeut tegemoet en als dat wel zo is, zal de keuze ook niet evident zijn.

Soms is er zelfs geen hulpvraag van de autistische persoon. In dat geval is het niet de taak van een therapeut om de persoon te overtuigen, maar eerder om wat hij al bereikt heeft positief te waarderen. Ook de mensen die de cliënt hebben aangemoedigd om een gesprek te vragen, mogen positief gewaardeerd worden. Zij hebben een goede stap gezet.

Als de autistische persoon open staat voor de therapie, blijft de zoektocht naar een geschikte persoon.

Op zoek naar de juiste persoon … de 3 P’s

Wie vind dat hij of zij gevoelens, gedrag of gedachten heeft die best wel lastig zijn, of waarvan de omgeving aangeeft dat ze daar last van heeft, kan een van de 3 P’s aanspreken.

De meest gevreesde P is klassiek de Psychiater. Deze is een dokter die diagnoses stelt en in sommige gevallen ook medicatie voorschrijft. Een psychiater vertrekt dan ook uit een medisch denkkader. Het kan best zijn dat de psychiater ook gesprekken voert, maar dat hoeft niet noodzakelijk. De titel ‘psychiater’ is beschermd en voorbehouden aan mensen die de universitaire opleiding psychiatrie hebben beëindigd.

Voor gesprekken zullen mensen eerder bij een psycholoog terecht komen. Een psycholoog zal weliswaar diagnostisch onderzoek kunnen doen, maar zal niet de eindbeslissing over de diagnose doen. Een psycholoog is universitair geschoold maar kan ook eventuele bijkomende opleidingen gevolgd hebben, bijvoorbeeld een therapeutische opleiding. Samen met, maar misschien meer dan een psychiater kan een psycholoog dus psychologische begeleiding in de vorm van gesprekken aanbieden.

De derde P is een complexere situatie. Een psychotherapeut kan zowel psychiater, psycholoog, maatschappelijk werker als om het even wie zijn. Het gaat immers (voorlopig nog) om een niet-beschermde titel. Een langdurige opleiding in een discipline binnen de psychotherapie maakt iemand echter volledig therapeut.

Wie te kiezen, is niet zo’n eenvoudige vraag. Veel hangt af van de vraag ‘wat zijn mijn doelstellingen voor de therapie?’. Daarnaast is het ook belangrijk enigszins zicht te hebben op de verwachtingen, en wat de grootste vrees is naar een therapeut toe.

Tenslotte is ook de vraag ‘wie kan mij helpen om mijn doelstellingen te bereiken?’ (behalve de therapeut dan) ook belangrijk.

Op welke manier werkt mijn therapeut?

Er bestaan veel verschillende stromingen van waaruit therapeuten werken.

  • De psychoanalytische of psychodynamische stroming
  • Gedragstherapeutische therapie
  • Cognitieve therapie
  • Het systeemtheoretisch perspectief, waaronder het oplossingsgericht model

Het is best eerst te vragen of te weten te komen welke stroming of school binnen de psychologie de therapeut volgt.

Wanneer dit bijvoorbeeld de psychoanalytische of psychodynamische stroming zou zijn, is de kans gering dat je als persoon met autisme erop vooruitgaat. Een psychodynamische psychiater zal de diagnose autisme bijvoorbeeld niet of zelden erkennen, en het gedrag dat hij of zij ziet toeschrijven aan een gebeurtenis of gebeurtenissen uit het verleden die verwerkt moeten worden.

Ondanks de methode die de therapeut gebruikt, hangt het al dan niet ‘slagen’ van een therapie volgens Els echter vooral af van de klik tussen cliënt en therapeut.

Autistisch therapeut of tistjestherapeut ?

Soms komt al eens de vraag of een therapeut op de hoogte moet zijn van wat autistisch denken is ? Binnen kennis over het autistisch denken kunnen we, net als binnen het autisme zelf, een spectrum onderscheiden.

Aan de ene kant zijn er de mensen met autisme zelf. Kunnen zij therapeut zijn ? Het antwoord van Els is ‘nee’. Ze kunnen eventueel wel het autistisch denken beter kennen.

Maar ze hebben als grote nadeel dat ze veel trager zijn in het opmaken van een overzicht van het sociaal & relationeel netwerk van de cliënt. Die wil zo vlug mogelijk een antwoord op zijn vragen, en daar schiet een autistische therapeut te kort.

Aan de andere kant echter zijn mensen zonder autisme die enkel vertrekken vanuit de theoretische ervaring, zonder gebruik te maken van de ervaringskennis, en met een strikte, haast ‘autistische’ interpretatie van wat ze gezien hebben. Ook zij kunnen moeilijk een goede therapeut zijn voor mensen met autisme.

Het meest ideale is een therapeut die openstaat voor een brede manier van denken, en het autistisch denken daarbij erkent en herkent, maar tegelijk niet de omgevingsinvloeden, het karakter en vooral de persoon in kwestie uit het oog verliest. Elke autistische persoon is anders, maar tegelijk zal de therapeut ook het autistisch denken maar bij benadering kunnen kennen.

Openheid om te leren van de cliënt is dus belangrijk. De therapeut heeft misschien veel gelezen en gesproken over autisme, maar is nog geen ervaringsdeskundige. Die openheid is een belangrijke voorwaarde om langdurig vertrouwen op te bouwen.

Er moet vertrouwen zijn of komen …

Els gaat, op verzoek, ook wat dieper in op de opbouw van vertrouwen in een hulpverleningsrelatie met mensen met autisme.

Vertrouwen opbouwen kan door

  • concrete communicatie: ondermeer via een volgschrift dat een schriftelijke neerslag vormt van het belangrijkste wat gezegd is
  • duidelijke afspraken: wanneer kom je, wat gebeurt er met wat we gezegd hebben, wat mag je verwachten en wat niet
  • duidelijke doelstellingen: weten waar er naartoe gestreefd wordt,
  • respect voor het anders denken : het autistisch denken op zich is niet ‘fout’, niet te verhelpen en het besef dat de therapeut slechts bij benadering dat anders denken zal begrijpen (de ‘niet-wetende’ positie) en een ander tempo heeft
  • respect voor de waarden en normen van de cliënt : ook al kan bepaald gedrag wat vreemd overkomen, als daar geen schade door wordt aangericht is er geen probleem mee (respect voor het referentiekader)
  • en door rekening te houden met de ervaringen en de deskundigheid van de cliënt.

Wat voor Els eruit springt …

Eens duidelijk is dat de autistische persoon bij een therapeut naar keuze is aanbeland, is het belangrijk het te bereiken doel te verduidelijken.

Wat willen we bereiken ? Sommige mensen willen de eigen beperking begrijpen. Anderen wensen vaardigheden aan te leren. Voor nog anderen is de (sociale) wereld onduidelijk. Kennis is daarbij heel belangrijk.

Een visuele voorstelling kan hierbij noodzakelijk zijn. Het moet ook een realistisch doel blijven, bijvoorbeeld leren omgaan met beperkingen. Maar het moet vooral het doel van de cliënt blijven, niet het doel van de therapeut.

Een volgende vraag is : welke mogelijkheden zijn er beschikbaar om de doelen te bereiken. Volgens Els is het belangrijk ondanks de beperkingen ook de mogelijkheden van mensen met autisme te blijven zien. Het aanleren van vaardigheden om je doel te bereiken, is vaak de belangrijkste stap.

Concrete communicatie houdt zowel in dat er duidelijk afgesproken wordt wat er mag en niet mag verwacht worden, het eventueel nemen van nota’s (in een schrift) en structuur brengen in de chaos. Ook het tempo van de cliënt volgen vind Els belangrijk. Daarnaast komt therapie vaak neer op het geven van praktische hulp, heel concrete handvaten voor het dagelijks leven. Sociale verhalen, taakanalyses en algemene tips voor het samen leven kunnen daartoe behoren.

Wat kan helpen …

Eens de therapie begonnen is, kan het bijna doelloos lijken.

Dat heeft deels te maken met een beperkte verbeelding. Deels is therapie ook een confrontatie met de beperking.

Mensen kunnen tijdens hun therapie in aanraking komen met een rouwproces,onzekerheid, een veranderend zelfbeeld, en het besef dat er altijd wel hulp zal nodig zijn of blijven … Dat is uiteraard niet voor iedereen in dezelfde mate het geval en even ingrijpend in het dagelijks leven.

Het kan ook zijn dat mensen zicht krijgen op hun mogelijkheden, na een moeilijke periode van twijfel terug zicht krijgen op hun sterke kanten, te weten komen hoe ze anderen kunnen aanvullen, en een zicht krijgen op welke oplossingen ze zelf gevonden hebben.

Stressreductie kan al behoorlijk helpen in de stap naar een betere kwaliteit van bestaan. Weten wanneer het je te veel wordt, weten aan te geven wanneer het teveel wordt, en weten hoe te ontspannen … is niet evident maar leerbaar.

Zo zijn er niet enkel stressreducerende handelingen maar ook ontspanningstechnieken die aanvaard zijn. Het glas is bovendien altijd halfvol, niet half leeg.

In de meeste gevallen komt de helft van de aanpassingen van het individu, en de andere helft van de omgeving. Bij grote spanningen zal de omgeving vereenvoudigd moeten worden. Dat dit een grote belasting voor de mensen die rond de persoon met autisme leven, zou een wederzijds besef moeten zijn, maar dat het niet altijd zo is, is ook kenmerkend voor het autistisch denken. Daarom is het goed dat ook de naaste omgeving bij het therapeutisch proces van dichtbij betrokken blijft.

De vraag wat je jezelf ziet doen op het moment dat je niet meer in de lastige situatie van het moment bevindt, is niet vaak niet eenvoudig te beantwoorden. Het is al eenvoudiger te antwoorden op de vraag wat er anders zou zijn als het voor jou beter zou gaan op het werk.

Een andere gebruikte techniek is werken met schalen. Als nul (0) het moment is waarop het superlastig, (haast) onhoudbaar is, en tien (10) het moment waarop het allemaal wel gaat, is de vraag waar je nu staat. Dat gebeurt zowel door een verbale vraag als via een visuele voorstelling (ladder, trap, berg …). Daaraan wordt soms een doelstelling gekoppeld, naar welk getal de cliënt zou willen evolueren

Een andere vraag die cliënten binnen oplossingsgerichte therapie, en bij Els, al eens krijgen is wat ze willen behouden.

Wat willen we zeker behouden op vlak van werk, op vlak van relatie, … ? Zonder wat zouden we echt niet kunnen ? Dit zijn meestal de meest positieve elementen, wat we waarderen.

Het gebeurt vaak dat cliënten bij de therapeut stil vallen, niet weten wat te zeggen. Daarom kan het nuttig zijn thuis of op het werk of in de vrije tijd te observeren en te noteren wanneer de meest lastige momenten, conflicten, problemen, moeilijkheden voorkomen, en waarop het net wel goed gaat. Wat gebeurt er, met wie en hoe ?

Soms kan het een manier zijn om te overleven, van beide kanten. Soms zijn er al (halve) oplossingen gevonden, maar zijn die ongelukkig opgebouwd of niet voldoende doordacht. Dit kan (maar hoeft niet) in een schema voorgesteld worden.

Het belangrijkste van dat alles is aan te sluiten bij de taal en de wereld van de persoon met autisme. Het volgschrift kan helpen om het later nog eens te lezen. Ook als de persoon op ’t eerste gezicht therapie en daarbuiten strikt scheidt, kan ’t een veilig gevoel geven. Bepaalde gebruiken en interesses hoeven niet afgebroken te worden maar kunnen een goede oplossing zijn om stress te verminderen.

Positief gewaardeerd worden is voor ieder van ons belangrijk, maar zeker voor wie zich inspanning toont om te werken aan zichzelf en zijn relatie met de omgeving via een therapie. Dat er, soms ondanks alles, ook veel goede realisaties zijn, veel goed gaat, mag geweten zijn. Bij mensen met autisme is het best dit op een directe wijze te zeggen, niet door rond de pot te draaien en indirecte hints te geven.

Hoe Dynamiek werkt …

Els noemt haar manier van werken oplossingsgericht werken. Dynamiek, de vzw waar ze met haar collega Sofie werkt, vertrekt vanuit de mogelijkheden en competenties die de persoon doorheen zijn levensontwikkeling al heeft ontwikkeld.

Mensen zijn in staat zelf oplossingen te vinden voor hun moeilijkheden. Het komt erop neer om de oplossingen eerder dan de problemen te ontleden.

Daarnaast wordt emancipatorisch gewerkt, d.w.z. met als doelstelling mensen met autisme vaardigheden te leren die hen zelfstandiger en sterker in het leven doen staan. Iedere mens, autistisch of niet, heeft sterke mogelijkheden en krachten.

Binnen haar praktijk vertrekt Els niet vanuit het probleem maar vanuit een streven naar een oplossing. Klassiek binnen het probleemgericht denken is de vraag hoe je jezelf in de problemen hebt gewerkt, en de focus op wat er slecht gaat. Het is veel productiever om te focussen op wat goed gaat en hoe je jezelf uit de problemen werkt.

De mogelijkheid om keuzes te maken is daarbij essentieel. Mensen ervaren een probleem en dat volstaat soms al om een aantal keuzes uit het oog te verliezen. Op een rij zetten van keuzes, het zelf verwoorden van de mogelijkheden, zonder overdonderd te worden, is soms al een uitweg. Bovendien kunnen mensen met autisme op dezelfde manier, en met hetzelfde verantwoordelijkheidsgevoel keuzes maken als mensen zonder autisme. Ze maken volgens Els fundamenteel ook geen andere keuzes, alleen op een andere manier misschien.

Waartoe de therapie moet leiden, de doelstelling, ligt niet altijd vast. Het is de cliënt die bepaalt welke streefdoelen er zijn. De doelstelling kan heel erg variëren van gesprek tot gesprek. Naargelang de concrete ervaringen van dat moment, kan het gaan om sociale vaardigheden verwoorden in een bepaalde context, verwoorden wat je bedoelt, aanvaarden van beperkingen, stappen zetten om de depressie aan te pakken, …

In de loop van de therapeutische afspraken komen cliënt en therapeut dan ook af en toe terug op de basisvragen:

  • Wat wil de persoon met autisme bereiken met de therapie ?
  • Hoe wil hij of zij dat doen ?
  • Hoe kan hij of zij dat doen ?
  • Welke stappen kunnen we samen ondernemen om die doelstellingen te bereiken ?

Els sluit haar uiteenzetting voor de Pass af met de twee belangrijkste principes van Dynamiek.

De eerste is samen te vatten in de zin ‘Don’t fix what isn’t broken’. Wat goed loopt voor de cliënt, hoeft niet verholpen te worden. Als het een probleem is voor de omgeving, moet de persoon die er last mee heeft, in therapie gaan.

De tweede zin vertrekt uit het basisprincipe van empowerment. De hoofdbedoeling van therapie moet zijn door kennis te vergroten en door (praktisch toepasbare) vaardigheden aan te leren het eigen leven (weer) in eigen handen nemen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s