Naar de huisarts

Soms heb ik een vreemd gevoel dat ziekte heet. Er is iets anders. Mijn lichaam doet vreemd. Het druppelt. Er komen sappen die niet passen. Er is ongemak. En als ik mijn temperatuur meet, blijkt dat een andere te zijn dan mijn gebruikelijke 35.3°C. Maar voor de rest kan ik er moeilijk een vinger op leggen wat het is. Bij het woord ‘ziekte’ kan ik moeilijk een beeld vormen.

Vroeger was ik ook al eens ‘ziek’. Dan zei mijn grootmoeder : ga eens naar ‘mijnheer de docteur’, die zal wel zeggen wat ’t is. Toen waren de dokters nog vooral mannen. Vandaar, aldus mijn grootmoeder, dat ze er ook wel eens naast zaten. Volgens haar wisten vrouwen gewoon meer van het leven zoals het is. Ik laat in  het midden of dat zo is.

Autoriteitsargumenten

In elk geval was in die tijd wat de dokter zei ook werkelijk de Waarheid. Zelf heb ik daar altijd wel serieuze twijfels over gehad.

Elke arts die ik al heb ontmoet, van huisarts tot professor-specialist, heb ik immers al tegengesproken en weerlegd. Zeker als een verhaal of diagnose echt niet consequent is opgebouwd en bestaat uit louter autoriteitsargumenten zonder harde wetenschappelijke bewijzen, cijfers en beelden en zonder rekening te houden met mijn deskundigheid of die van mijn omgeving.

Ik wil daar wel aan toevoegen dat een arts die keer na keer een overtuigende analyse met een positieve therapie brengt, bij mij wel meer vertrouwen kan winnen dan bijvoorbeeld een goede vriendin of mijn ouders die een verhaal brengen dat niet bij mijn eigen beleving aansluit.

Bovendien zeg ik dit ook maar bij wijze van spreken natuurlijk. Ik probeer beleefd te blijven. In de mate van het mogelijke.

Vroeger viel ik meestal in de rede dat vooral als een dokter begon te spreken over ‘een verkoudheidje van niets’ terwijl wat ik voelde mij eerder heuse ernstige griep leek, eentje om maar liefst veertien dagen thuis van school te blijven.

Voorschriften

In dat laatste geval kwam ik immers, met een onderdrukt gevoel van fierheid en blijheid, naar huis. Ik had de hoofdprijs mee. Precies Sjakie die de Gouden Wikkel had gewonnen. Alleen waren het bij mij meestal drie briefjes. Twee Getuigschriften en een Voorschrift.

Het eerste was een voorschrift voor dit of dat ‘medicament’. Enkel en alleen drankjes voor mij. Pilletjes krijg ik nog steeds niet door mijn strot. Hoewel mijn moeder het keer op keer heeft geprobeerd. Tot ze wanhopig uitriep dat zelfs een hond sneller een pil zou slikken. Waarop ik argumenteerde dat die hond gewoon slimmer was en die pil achteraf weer uitspuwde toen zij ’t niet zag.

Een tweede getuigschrift was er een die ik koesterde waarop stond dat ‘het mij verboden was de woning te verlaten gedurende veertien dagen’. Dus geen pesten op school, eindelijk eens op mijn gemak kunnen voortdoen met mijn leven, namelijk schoolboeken lezen en op mijn gemak studeren om meer punten te halen.

En het derde getuigschrift koesterde ik nog veel meer. Er stond op dat ik de volgende vier weken niet meer mocht turnen of zwemmen, ‘omdat het na een grondig onderzoek medisch tegenaangewezen bleek’. Geen gepest in het zwembad omdat ik niet kon zwemmen of te dik was of niet snel genoeg bij het aan – en uitkleden of er niet hip genoeg uitzag.

Met die drie getuigschriften in de hand kwam ik fier thuis. Het duurde even vooraleer het kattegeschrift van ‘mijnheer docteur’ ontcijferd was. Intussen wachtte ik vol spanning om te genieten van ’t moment waarop moeder, vader of grootmoeder zei dat ik best nauwgezet die voorschriften volgde en vooral geen contact mocht hebben met vreemde mensen. Wat kon ik nog meer wensen ?

De huisarts

De figuur van de huisarts, van wie ik lang dacht dat zijn voornaam ‘dokter’ of ‘docteur’ was, is voor mij altijd al omhuld door een mysterieuze bijklank. Ik heb er slechts twee gehad in mijn leven. Dat kan niet gezegd worden van andere gezondheidswerkers die komen en gaan.

Ik ben pas veranderd van huisarts toen deze pertinent weigerde om autisme, en vooral de inspanningen om hiermee om te gaan en de weerslag daarvan op mijn fysieke en psychische gezondheid daarvan, ernstig te nemen. Ik verwachtte niet zozeer een label, wel een erkenning van inspanningen die ik leverde. Om te beginnen een erkenning van de psycho-sociale keerzijde van mijn fysieke klachten.

Bij mijn tweede huisarts waren aanhoudende klachten plots wel verklaardbaar. Niet zozeer door de diagnose autisme. Wel omdat de huisarts zich al beter kon inleven in mijn autistisch denken, waarnemen en gevoeligheden.

Frequentie

Op dit moment ga ik 4 tot 5 keer per maand naar de huisarts. Het is eigenlijk een huisartsenpraktijk die bestaat uit een mannelijke en twee vrouwelijke artsen, en nog een aanvullende huisarts in beroepsopleiding.

Ik vind het niet erg om telkens een andere persoon te spreken. Maar ik kan wel begrijpen dat sommige mensen dat wel moeilijk vinden, omdat ze graag één persoon hebben om mee om te gaan. Kwestie van associatie. Voor mij is de huisartsenpraktijk één persoon. Zolang iedereen zo goed als mogelijk op de hoogte is van mijn dossier, en deskundige uitleg geeft vertrekkend vanuit mijn verhaal, maakt ’t mij niet uit hoe de persoon voor mij zit heet, of eruit ziet.

Als ’t kan, kies ik overigens voor de huisarts in beroepsopleiding, de ‘Hibo’ van vroeger die nu een ‘Haio’ is geworden als ik het goed heb. Het voordeel is vaak dat ik er meer persoonlijke aandacht krijg en dokters nogal eens openstaan voor iets vreemd als autisme. Hoewel er tussen die Hibo’s ook pipo’s zijn die naar hun mening wellicht teveel autisme herkennen in zichzelf en daardoor weerstand ontwikkelen.

Mijn voorkeur gaat ook uit naar een vrouwelijke in plaats van een mannelijke huisarts. Wellicht is dat volledig persoonlijk, en heeft het geen enkel verband met autisme op zich. Het beeld dat ik heb van een huisarts of zelfs hulpverlener op zich associeer ik gewoon meer met een vrouw dan met een man.

Niet louter een lichaam

Mijn huisarts is het voornaamste medische contact dat ik heb. Als er iets scheelt, meestal iets stoms of vervelend, ga ik bij haar langs. Vaak blijkt het meer dan nodig. Na een ‘quickscan’ van top tot teen blijkt er altijd wel wat meer aan de hand. Mijn huisarts bekijkt ook de situatie waarin ik leef, niet alleen mezelf als individu of in een of ander orgaan dat door functioneren last bezorgt. Zij houdt rekening met mijn culturele, sociale, psychologische, existentiële en fysisch context.

Soms kom ik langs voor iets dat me angst bezorgt, en ga ik correct en respectvol geïnformeerd buiten met een gerust gemoed. Zij heeft respect voor wat ik zeg, omdat ik tenslotte de deskundige ben in mijn eigen leven. Ziekte treedt bij mij meestal op als een voorloper op een (sociale) gebeurtenis, als een vorm van terugslag van een zware prestatie, en in mindere mate zoals bij andere mensen als een virus of weerstand van het lichaam tegen iets vreemds.

Toen ik nog kind was, en mijn ouders mij moesten helpen om te verwoorden wat ik voelde, luisterde ze ook naar hen. Bij de meerderjarigheid is het belangrijk die focus te verleggen, want na die drempel ben ik als patiënt de belangrijkste informatieverstrekker. Tenzij ik zelf uitdrukkelijk het initiatief neem om mijn ouders te betrekken.

Mijn huisarts kijkt verder dan de strikt biomedische oorzaak. Dat is voor mij heel belangrijk omdat mijn situatie meer is dan mijn individueel, lichamelijk functioneren.

Zoals ik mijn autisme bekijk vanuit een culturele invalshoek, als deel van mijn eigenheid, met lasten en lusten die meestal niet erkend worden door de samenleving. Wat dus de handicap uitmaakt, hoewel die handicap in bepaalde situaties (de ‘handicapsituaties’) sterker tot uiting komt.

Die handicapsituaties zijn afhankelijk van individu tot individu. In sommige levensdomeinen moet ik enorm veel inspanningen doen om ‘gepast’ te functioneren, in andere wat minder.

Spanningen op het traject naar de huisarts

Meestal ga ik pas naar de huisarts als ik voel dat er echt iets fout loopt in mijn lichaam of verstand. In praktisch alle gevallen heeft de huisarts mij al gezegd dat het tijd was dat ik kwam. Volgens haar kom ik doorgaans te laattijdig op bezoek, of net op tijd. Dat komt ook omdat het erg veel stress kost om de stap naar de huisarts te zetten.

Die spanningen zijn toe te schrijven aan verschillende elementen buiten mijn vertrouwde omgeving. Elke stap buiten deze vertrouwde omgeving vergt immers inspanning. Het traject van mijn woning tot in de spreekkamer van de huisarts en terug is vaak niet zo eenvoudig te nemen. Zeker niet als ik me al niet goed voel.

Eens ik weet dat het niet langer uit te stellen is, of mensen in mijn omgeving opmerken dat ik er echt niet goed uit zie, surf ik naar de website van mijn huisarts en kijk nog eens welke uren vrije consultatie en welke uren op afspraak zijn. Ik kijk ook op Google of ik met mijn symptomen eventueel al een diagnose kan stellen. Ik maak een online afspraak met mijn huisarts, en als dat niet gaat, stuur ik een mail.

Als het echt dringend is, maak ik telefonisch een afspraak. De secretaresse, of soms de dokter zelf, stelt vast op basis van een aantal vragen of ik best meteen kan komen of een afspraak krijg voor ’s avonds of voor de dag erop. Een diagnose per telefoon kan voor mij niet.

Ik ga zelden of nooit op vrije consultatie, tenzij de huisarts mij vraagt om meteen te komen, omdat het dringend is of omdat er op dat moment geen volk te verwachten is.

Ik verkies een afspraak te maken omdat ik niet langer dan vijftien minuten kan wachten, en omdat de kans bestaat dat ik op een vrije consultatie in een volle wachtkamer zit, en er informeel contact met anderen nodig is. Of, erger, dat mensen mij vragen beginnen te stellen over de gekste dingen.

Als ik op afspraak ga, verwacht ik dat ik ook op dat moment of binnen het kwartier geholpen wordt. Het kan best zijn dat een arts weggeroepen wordt, of dat het langer dan verwacht duurt. Daar heb ik geen probleem mee, want zelf heb ik liever een arts die de tijd neemt om een diagnose grondig te stellen en dan duidelijk te zijn.

Maar ik hoor graag van iemand, een dokter of een assistente, hoe lang ik nog moet wachten op de vermoedelijke consultatie, en of ik eventueel nog iets tussenin zou kunnen doen (om boodschappen gaan om de hoek, in het park wandelen, even naar de bib gaan even verder op). Als dat niet zo is, zal de kans groot zijn dat ik niet meer in de wachtzaal zit als het mijn beurt is.

Eenmaal in mijn agenda vast staat wanneer ik naar de huisarts kan, moet ik alle andere voorziene activiteiten ergens anders zien te plannen. Aangezien die bij ziekte meestal sowieso vervallen, en het onzeker is wanneer ik weer mijn normale taken zal kunnen opnemen, levert dat al de nodige spanningen op.

De huisarts heeft een belangrijke plaats in mijn leven

Al bij al heeft een huisarts dus een belangrijke plaats in mijn leven. Zij maakt deel uit van het medische luik van mijn ondersteuning. Zij coördineert mijn dossier en informeert mij in begrijpbare bewoordingen. Zij staat open voor de visies van andere professionelen en mensen die mij ondersteunen.  Die dus niet noodzakelijk artsen zijn.

Die ondersteuning bestaat uit drie luiken: de medische, de maatschappelijke en de coaching. Deze drie krachten worden enkel en alleen aangestuurd door mezelf.

Op dit moment zijn mijn huisdokter, een tandarts en een psychiater de voornaamste actoren binnen mijn medische ondersteuning. Mijn persoonlijk netwerk (partner, ouders, familie, vrienden) betekent mijn maatschappelijke ondersteuning. En mijn coaching, die zorgt voor een verbetering van de levenskwaliteit in mijn dagelijks organisatie, bestaat voornamelijk uit mijn auti-coach / therapeute, kinesist en ergotherapeut.

Kwaliteit van leven boven maatschappelijke integratie

Voor mij is het heel belangrijk dat mensen binnen mijn netwerk kwaliteit van bestaan boven maatschappelijke integratie of maatschappelijk functioneren stellen in hun manier van kijken naar mij als persoon.

Lichamelijk welbevinden is slechts een aspect van kwaliteit van bestaan. Als ik met een klacht of last naar de huisarts ga, is het echter belangrijk dat die dat bekijkt vanuit een verbetering van mijn situatie en niet in functie van verbeterde maatschappelijk functioneren of integratie.

Kwaliteit van bestaan betekent dat mensen bekommerd zijn om hoe ik mij voel, of ik mezelf kan zijn binnen persoonlijke relaties, of ik rondkom met mijn inkomen, of ik kansen krijg om te groeien in kennis en ervaringen, of ik hinder ondervind in mijn leven door lichamelijke lasten, of ik zelf kan beslissen over de invulling van mijn leven, of ik zoals ik ben kan deel uitmaken van de omgeving en of ik redelijk beroep kan doen op de voorziene rechten.

Aanzet tot vertrouwen en grove fouten

Het eerste contact met de huisarts, de contactname en het regelen van een afspraak, maar ook de eerste consultatie zijn voor mij een van de factoren om tot vertrouwen te komen.

Een huisarts is voor niet iemand die ik vertrouw omdat er een bord uithangt of omdat er twee letters en een punt voor de naam staan, wat een zekere sociale status en een kennisniveau moet veronderstellen.

De vertrouwensrelatie is opgebouwd uit een balans van concrete realisaties die elke consultatie opnieuw geëvalueerd wordt.

Zo zijn er een aantal ‘grove fouten’ die voor mij voldoende zijn om terstond van huisarts te veranderen. Ik ben niet zo sterk in veranderingen plannen, maar na zo’n ‘grove fout’ ziet een huisarts mij niet meer terug.

Naast belang voor kwaliteit van bestaan in plaats van maatschappelijke integratie kan de huisarts ook vertrouwen opbouwen door :

  • Concrete communicatie

Ik heb graag een beknopte schriftelijke neerslag van wat er gezegd is of wat moet onthouden worden. Mijn huisarts doet dit meestal door trefwoorden neer te krabbelen en daarbij eventueel een overzicht van medicatie of aanwijzingen. Ook een nieuwe afspraak wordt op een afsprakenkaartje genoteerd

  • Duidelijke afspraken

Wanneer ik kom, wat er gebeurt met de gegevens binnen de huisartspraktijk (het globaal medisch dossier, de privacy-garantie, duidelijke afspraken in verband met het delen van informatie met andere hulpverleners en zeker met mensen uit de omgeving), wat ik mag verwachten van de huisarts en wat zeker niet … ik waardeer ’t als dit uitgelegd en neergeschreven wordt.

  • Respect voor het anders denken

Autisme is niet louter iets individueel. Het is een andere manier van denken die leidt tot een handicap, die al naargelang de individuele mogelijkheden individueel anders tot uiting komt. Een huisarts moet hier rekening mee houden, en tempo en (sociale) verwachtingen aanpassen.

  • Respect voor mijn individuele waarden en normen

Ook al kan bepaald gedrag vreemd overkomen en soms woede oproepen of weerstand, tenzij daar schade wordt door aangericht mag je daar geen probleem mee hebben (respect voor het referentiekader)

  • En vooral door rekening te houden met de ervaringen en de deskundigheid van mezelf als patient

Als patiënt ben ik degene die deskundig is over mijzelf. Zoals de ouders spreken vanuit het ouder zijn (dat iets dichter bij mijzelf staat dan de dokter). En de dokter is deskundig in het dokter zijn.

Een vertrouwensbreuk komt er meestal na inconsequentie en bij gebrek aan inspraak.

Wanneer ik bijvoorbeeld merk dat er informatie buiten mijn wil of toestemming is uitgewisseld met andere artsen, hulpverleners of mensen uit mijn omgeving. Of wanneer ik merk dat de huisarts stelt dat ik meteen langs kan komen en ik daar een uur of langer moet wachten, zonder dat er een redelijke verklaring voor is. Of wanneer ik een doorverwijzing krijg naar een arts die mijn vertrouwen misbruikt. Of wanneer de huisarts laat uitschijnen dat mijn mening visie volledig belachelijk is om niet-objectief wetenschappelijke maar eerder om morele of maatschappelijke redenen.

Er zijn ook een aantal kleinere misvattingen die een huisarts bij mij in iets minder diskrediet kunnen brengen. Zoals het voorschrijven van medicatie die niet goed werkt, die te duur is en van placebo’s. Of zoals het niet meewerken met de partners in mijn ondersteuningsnetwerk in functie van mijn toekomst.

Tips voor huisartsen

Aansluitend op mijn ervaringen, zou ik als voornaamste tip willen meegeven dat huisartsen vooral goed moeten luisteren naar wat een patiënt, en de mensen die hem vergezellen zoals zijn ouders, vertellen, vooraleer een oordeel te vellen op basis van verworven kennis of ervaring.

Een tweede tip die daarbij aansluit is wat men ziet en hoort, ondermeer uit het verhaal van de moeder of vader als het gaat om een kind, niet op te blazen noch dood te relativeren. Elke informatie die een arts krijgt van iemand met autisme of zijn omgeving moet au serieux genomen worden. Dat wil niet zeggen dat de arts er bepaalde objectieve kennis tegenover kan zetten, maar waardeoordelen en normerende uitspraken kan iedereen missen.

Ten derde is het belangrijk niet alleen te oordelen op de zichtbare tekenen. Als ik naar de dokter ga, en iets bloot geef, letterlijk of figuurlijk, is dat meestal het topje van de ijsberg. Het is niet aan de huisarts te zeggen dat hij of zij mijn autisme niet ziet. Het is de taak van een multidisciplinair team met ervaring in de diagnostiek van autisme om al dan niet vast te stellen of ik beantwoord een de diagnostische criteria.

Een huisarts die niet ingaat op de diagnose of deze niet ernstig opvat, maakt een grove fout, die tot een vertrouwensbreuk leidt. Hoe kan hij immers oordelen over mijn gezondheidssituatie als hij een deel van mijn functioneren ontkent ? Hoe kan ik hem vertrouwen schenken als hij een deel van mijn eigenheid aan de kant schuift ? Hoe kan ik zijn adviezen volgen als hij mijn reeds geleverde inspanningen niet ziet ?

Ten vierde moet het duidelijk zijn dat autisme geen modeverschijnsel is. Autisme komt niet vaker voor dan vroeger. Mensen met autisme komen wel vaker dan vroeger in de problemen door een veranderde samenleving. De inspanningen die mensen met autisme moeten leveren zijn dan ook aanzienlijk verhoogd. De inspanningen die de omgeving (ouders, familie, partner) moet leveren is nog aanzienlijker, vermits die nog eens onder psychologische & sociale druk gezet wordt om mensen met autisme aan te passen of aan te sporen tot inspanningen. Het is belangrijk dat de huisarts dit beseft, en rekening houdt bij ziektes en symptomen, zowel bij de persoon met autisme als bij zijn omgeving.

Er is ook niet zoiets als ‘autisme light’. Men heeft niet ‘een beetje’ of ‘licht’ autisme. Er zijn vormen van autistisch denken die evenwaardig zijn, en er zijn mensen met autistisch denken die heel wat mogelijkheden hebben om inspanningen te doen om te compenseren of te camoufleren. Maar die inspanningen kunnen ze vaak niet de hele tijd, of hun hele leven volhouden. Net zoals mensen zonder autisme naarmate ze ouder worden ook niet meer de energie vinden om zo sociaal te zijn, vallen mensen met autisme meer terug op wie ze zijn: individuele, autonome mensen.

Bovendien is elke mens uniek in zijn vorm van functioneren, en bestaat dé mens niet. Elke patiënt is een nieuwe kans om vertrouwen te winnen. Elke keer opnieuw. Niets is vanzelfsprekend, en zeker niet een patiënt met autisme.

Naar aanleiding van een uiteenzetting voor een lokale kwaliteitskring voor huisartsen in Kortrijk

1 Comment »

  1. Ik was een jaar of elf toen ik vaststelde dat er een verband was tussen ziek worden en een ervaring korte tijd ervoor. Ik besefte dat ik mezelf ziek maakte of ziek liet worden door een onrechtvaardige behandeling op school of thuis (een onrechtmatige straf of foutieve punten), of door een misbruik van vertrouwen (toevertrouwde zaken misbruiken om te pesten en dergelijke). En geleidelijk aan kreeg ik een afkeer voor dokters en psychologen, wachtkamers en medikamenten. Ik besefte dat ik moest leren die onjuiste behandelingen te verwerken en dat ik dan niet meer ziek zou worden en geen medicijnen meer nodig had. Enkel neusverkoudheden kwamen zonder sociale reden wel eens voor, maar daar hoefde ik geen dokter voor. Een wespesteek was tot voor enkele jaren de enige reden dat ik op eigen initiatief naar de huisdokter ging (die van mijn vrouw en dochter, want mij zag hij nauwelijks). Tot ik enkele jaren geleden de strijd verloor als contractueel t.o.v. een vastbenoemde. Ik wou machtsmisbruik, discriminatie, bedreigingen,… aanklagen, maar vond jarenlang geen gehoor, niettegenstaande ik alle mogelijke kanalen gebruikte om steun te verkrijgen: vakbond, interne en externe preventiediensten, het centrum voor gelijke kansen en hun steunpunten in de gemeente waar ik werkte, sociale inspectie, politici, directie, noem maar op. Toen zat ik er zo door, dat ik enkele maanden antidepressiva heb genomen. Tot mijn klacht toch aanvaard werd, maar uiteindelijk er niets mee gedaan werd dat mij kon verder helpen. In afwachting dat mijn tijdelijke bescherming omwille van mijn klacht verlopen was, werd ik overgeplaatst naar een andere afdeling. Daarna werd ik op 62 ontslagen met de maximale ontslagvergoeding die ik ooit zou kunnen bekomen voor het gerecht, zodat het geen zin had om nog verder te strijden voor gerechtigheid. Tegen alle raad in, heb ik nog enkele maanden getracht opnieuw aan de slag te gaan, maar ik heb de strijd tegen vooroordelen moeten opgeven (ondanks mijn uitstekende reputatie, kon ik zelfs geen sollicitatiegesprek meer versieren) en ben dan toch maar vervroegd op pensioen gegaan, met de nadelige financiële gevolgen van een onvolledige loopbaan. Maar medicijnen slik ik nog altijd niet en uit eigen beweging naar de dokter gaan is ook opnieuw afgelopen. Ik ben nu 64 en in tegenstelling met vroeger doe ik geen moeite meer om te doen alsof. De maatschappij in haar huidige vorm, met haar mismaakte normen, waarden en wetten, kan voor mijn part de pot op. Ik spaar mijn kritiek niet en spreek nu vrijuit, zonder de mildheid en omfloerstheid van vroeger. Ik doe er geen doekjes meer rond en tot mijn verbazing merk ik op allerlei fora dat ik niet meer de enige ben die er de buik van vol heeft. Steeds meer mensen beseffen dat het zo niet verder kan. Maar diegenen die alternatieven aanbieden zijn schaars. De meeste schapen mekkeren wel, maar zijn niet bereid er iets aan te doen. Ik ben mijn vechtlust nog steeds niet verloren, maar blijkbaar moet het eerst nog veel slechter worden, eer de massa zal reageren. Een sociale meritocratie lijkt wel een interessante piste, maar ook de roep om terug naar de natuur te keren, is opnieuw springlevend. Beide invalshoeken kunnen me wel aanspreken, mits de nodige bijschavingen. De vraag is of de “normale” mensen wel bereid zijn om een weg in te slagen die hen minder vertrouwd is. Ik denk dat het voor autisten, die gewend zijn zich aan te passen, veel gemakkelijker en eenvoudiger zou zijn, dan voor de neurotypicals. Deze laatsten zouden plots een aantal houvasten kwijtspelen, een omgekeerde wereld. Terwijl anderen, die nu uit de boot vallen, zich veel comfortabeler zouden voelen. Ondanks de crisis vind ik dit een boeiende tijd. Ik ben overtuigd dat er een ommekeer komt, want de limieten wat mensen kunnen accepteren, worden veel te vaak overschreden. Ik vertrouw op mijn zesde zintuig, mijn intuïtief aanvoelen en denk dat de tijd rijp is voor verandering. Het wordt tijd dat ieders talenten gewaardeerd worden en niet enkel de verkopers van warme lucht, die het best kunnen doen alsof. Ik hoop het.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.