A self-determined future: oplossingsgericht werken

selfdetermined future

Hoewel ik heel wat informatieve boeken lees, zijn daar erg weinig boeken rond autisme bij. Dat komt ondermeer omdat veel titels uit die laatste categorie het ‘probleem autisme’ knuffelen.

Nochtans heb ik onlangs een boek gelezen dat daar helemaal van afwijkt. A Self-Determined Future van Veronica Bliss & wijlen Genevieve Edmonds. Eerder een oplossingsgericht boek.

En daar wil ik het dit keer over hebben. Niet door u te tergen met een hervertelling. Want u moet ’t maar eens lezen. Al heb ik natuurlijk wel een paar bedenkingen gehad tijdens het lezen.

Wat mij in A Self-Determined Future aansprak

A Self-Determined Future with Asperger Syndrome is me aangeraden door mijn autismecoach. Na enig zoekwerk waarover het boek ging en wat ik mocht verwachten, heb ik uiteindelijk besloten het een kans te geven. Ik lees namelijk zelden zomaar iets wat mensen mij aanraden.

A Self-Determined Future, uit 2007 is uitgegeven bij Jessica Kingsley, een redelijk betrouwbare uitgeverij, en is geschreven door een oplossingsgerichte therapeute met een vermoeden van autisme, Veronica Bliss, samen met wijlen Genevieve Edmonds, een vrouw met gediagnoseerd autisme.

Voor zover ik weet bestaat zo’n auteurscombinatie nog niet in het Nederlandstalige aanbod van boeken over of rond autisme. Soms werken mensen met autisme wel (op de achtergrond) mee aan boeken maar zelden met een auteursnaam op de voorkaft. Vermoedelijk omdat er ‘deskundigen’ zijn die vinden dat mensen met autisme geen boeken kunnen schrijven.

Wat het boek nog aangenamer maakt, is de nodige zelfspot, zelfrelativerende humor en vooral de kritische vragen die voor sommige hulpverleners wellicht ongemakkelijk overkomen.

Want laat ons eerlijk zijn (anders zou ook moeilijk zijn), boeken over autisme in ons taalgebied, zelfs al zijn ze door ervaringsdeskundigen geschreven, zijn doorgaans onvoorstelbaar braaf, saai en weinig kritisch geschreven.

De auteurs stellen ondermeer de macht van hulpverleners over hun cliënten sterk in vraag.

Hulpverleners, zeker de zelfverklaarde autisme-deskundigen, maken immers een aantal veronderstellingen over mensen met autisme die ze zelden in vraag stellen of waar anderen hen niet op durven aanspreken.

Het ontbreekt hen volgens de auteurs eraan de stem van de mensen met autisme die ze begeleiden ernstig te nemen en te luisteren naar hun unieke inzichten en creatieve gedragsstrategieën, die misschien soms bizar zijn maar uiteindelijk het beste werken.

Vandaar dat ze zelden komen tot een ‘expert to expert’-gesprek, vanuit erkenning dat elk een expertise heeft die elk kan helpen. Uiteraard zijn er hulpverleners die daar wel in slagen, maar ze zijn toch op één hand te tellen.

Het boek gaat, in tegenstelling tot de titel doet denken niet enkel of niet zozeer over mensen met het Aspergersyndroom.

Doorheen het boek gebruiken de auteurs vooral de term ASD – de Engelse term voor autismespectrumstoornis – vaak afgekort als ‘autism’ – de Engelse term voor ‘autisme’ en niet te verwarren met ‘autistische stoornis’.

Over het herontdekken wat er mogelijk was

A Self-Determined Future bestaat uit zeven hoofdstukken en telt 160 pagina’s, voorwoord en handige index inbegrepen.

In het voorwoord staat te lezen hoe oplossingsgerichte werkers mensen helpen om duurzame oplossingen te vinden door, in plaats van te zoeken naar het waarom mensen problemen hebben, te zoeken naar reeds bestaande sterkten, competenties en persoonlijke kwaliteiten.

Zo wordt er vooral tijd besteed aan het ontdekken & ontwikkelen van sterkten die mensen reeds in zich hebben, maar om allerlei redenen ondergesneeuwd zijn. De bedoeling is dat mensen met autisme hun leven (terug) in handen nemen.

Waar het boek zoal over gaat

In de inleiding komt aan bod waarover het boek gaat.

Zoals na elk hoofdstuk is er hier een samenvatting in één à twee bladzijden. Handig voor wie, zoals ik, eerst de samenvattingen wil lezen vooraleer rustig te beginnen aan de eigenlijke lectuur. Dat neemt al meteen een heleboel druk weg.

A Self-Determined Future gaat kortweg over het zelf in handen nemen van de toekomst. Maar het gaat over veel meer uiteraard.

Over het benoemen van sterkten en vaardigheden die mensen met autisme reeds gebruiken om door hun dagen te komen. Over het ontwikkelen van een wederzijdse respectvolle verhouding. Over leren luisteren naar en geloven in wat iemand met autisme zegt. Zelfs als je er als gesprekspartner of hulpverlener niet direct mee akkoord gaat of het niet meteen volledig begrijpt.

Het boek gaat ook over het zoeken naar gemeenschappelijke taal tussen mensen met autisme en neurotypicals (hulpverleners, ouders, omgeving) om een toekomst te bouwen die belangrijk is voor iemand met autisme. Een gemeenschappelijke taal om de voortgang van de realisatie van (wederzijdse) doelen te meten. Zeker omdat elke autist een eigen dialect spreekt en er (nog) geen woordenboek autistisch-neurotypisch bestaat. Een tip voor uitgeverij Van Dale ?

Het boek wil ook een gids zijn in de soms wanhopige zoektocht van neurotypicals om binnen een voor hen vreemde autistische cultuur te functioneren en hierin zowel mensen met autisme als zichzelf te blijven respecteren.

Maar het gaat eveneens om een gids voor mensen met autisme die de neurotypische cultuur willen leren kennen en respecteren en daarbinnen willen leren functioneren. Zonder het nodige zelfrespect te verliezen, zoals in de meeste vaardigheidscursussen en therapieën een noodzakelijke voorwaarde lijkt te zijn.

Van probleemgericht naar oplossingsgericht denken

A Self-Determined Future gaat ook over de veranderende houding van een therapeute van probleemgerichte naar oplossingsgerichte veronderstellingen. Er wordt in het boek geschreven over therapeuten maar volgens mij gaat dit op voor een veel ruimere groep professionele hulpverleners.

Een probleemgerichte hulpverlener vertrekt volgens de auteur vanuit de veronderstelling dat hij (of zij) denkt te weten hoe hij problemen moet verhelpen, dat mensen met autisme ‘normaal’ (lees : ‘zoals ik’) willen zijn en erbij willen horen, willen meedoen.

Zo’n probleemgerichte hulpverlener denkt dat hulpverleners vanuit hun beroepsfunctie moeten aangeven aan mensen met autisme hoe ze zich gepast moeten gedragen.

Een andere veronderstelling van een probleemgerichte hulpverlener is dat mensen met autisme op een bepaalde manier in de samenleving moeten functioneren om gelukkig te zijn.

Een laatste veronderstelling van een probleemgerichte hulpverlener is dat hun job eruit bestaat mensen met autisme te leren emoties te identificeren en hoe emoties hun gedrag en gevoelens beïnvloeden zodat ze kunnen leren zich meer gepast te leren gedragen.

Oplossingsgericht denken

Daartegenover staan de veronderstellingen van een oplossingsgerichte hulpverlener die de auteur mettertijd, met meer dan twintig jaar ervaring in de begeleiding van mensen met autisme, geworden is.

Mensen met autisme zijn steeds in verandering, weet ze nu, ongeacht wat de therapeut of hulpverlener doet, en die verandering is niet te sturen.

Problemen komen evenmin ononderbroken voor. Er zijn momenten waarop een bepaald probleem niet voorkomt of waarop de intensiteit van een bepaald probleem vermindert of toeneemt. Een oplossingsgerichte therapeut kijkt vooral naar de moment waarop een probleem vermindert.

Mensen met autisme zijn bovendien bekwame mensen die weten wat er voor hen werkt. Ze hebben elk een basis voor positieve verandering in de vorm van bestaande sterktes en vaardigheden om zich te redden als ze er alleen voor staan. Eigenlijk staan ze er altijd alleen voor, hoe goed de bedoelingen van anderen, van in de omgeving of hulpverleners, ook zijn.

Verder vind de auteur dat mensen met autisme de belangrijkste inbreng hebben wanneer het gaat om doelen te stellen in de therapie, de zogenaamde therapeutische doelen. De job van therapeut of hulpverlener bestaat erin op te merken wat reeds werkt voor de persoon en te zien hoe dit kan versterkt of uitgebreid kan worden om de eigen doelen van de persoon te bereiken.

Mensen met autisme hebben reeds de basis voor positieve verandering in de vorm van bestaande sterkten en vaardigheden om zich te redden als er niemand is.

Mensen met autisme hebben dan ook de belangrijkste inbreng wanneer het komt om therapeutische doelen te stellen.

De job van de therapeute bestaat er vooral in op te merken wat reeds werkt voor de persoon en te zien hoe dit kan versterkt of uitgebreid kan worden om de eigen doelen van de persoon te bereiken.

Zo zegt de cliënte, Genevieve, dat oplossingsgericht werk haar helpt om sterkten en vaardigheden te herinneren die ze al had, ondanks haar depressie. Deze sterkten versterkt ze door het werken met dieren. De sterktes exploreren en versterken kan dus ook buiten de therapeutische ruimte gebeuren.

Volgens Gen helpt oplossingsgericht werk haar ook een “betekenis te vinden voor zichzelf en haar wereld” want “gesprekken over sterktes zijn beter dan deze over depressie, angst en de beperkingen die ik heb om ermee om te gaan.”

Waarover het boek niet gaat

A Self-Determined Future gaat niet over supermarkten. Nochtans wordt daar in de inleiding een hele brok tekst aan gewijd. Een leuke tekst, als je wat Engels kent, die de zintuiglijke, organisatorische en sociale overlast die de meeste autistische personen tijdens het winkelen in een supermarkt ervaren (zie ook Naar de Supermarkt).

Het boek gaat evenmin over veronderstellen dat mensen met autisme hetzelfde bedoelen als neurotypische mensen wanneer ze dezelfde woorden of taal gebruiken.

Het kan best dat mensen met autisme zodanig bedreven zijn in de vertaalslag autistisch – neurotypisch dat dit zo lijkt, maar het is altijd beter dat niet te veronderstellen als hulpverlener en om verduidelijking te vragen bij het minste vermoeden. En er niets achter te zoeken wat er niet is.

Dit boek gaat evenmin over veronderstellen dat neurotypische hulpverleners het beste of het beter weten hoe het moet. Niettegenstaande een hele reeks opleidingen, praktijkmomenten, inleefstages enzovoort in dure en peperdure expertisecentra.

Zo maakt het boek komaf met de helaas vaak gedeelde veronderstelling tussen hulpverleners (en soms zelfs mensen met autisme zelf) dat er iets mis zou zijn met mensen met autisme. Ook met zwaar of ernstig of problematisch ingrijpend superserieus autisme. Of dat mensen met autisme meer ‘normaal’ zouden moeten zijn en dat mensen met autisme hulp nodig hebben die zij eigenlijk niet vragen.

Filosofie en technieken van oplossingsgericht werk

In een volgende hoofdstuk bespreken de auteurs de doelen die oplossingsgericht werk zichzelf stelt en de technieken zoal gebruikt kunnen worden.

Te weten komen wat mensen met autisme willen in hun leven (hun doelen) en bestaande middelen identificeren die gebruikt kunnen worden om die doelen te realiseren zijn de twee voornaamste doelen van oplossingsgericht werk.

De onderliggende filosofie wordt vervolgens samengevat in een aantal principes.

Hulpverleners of therapeuten leren tijdens de begeleiding heel wat over de persoon en doen slechts in beperkte mate iets aan het probleem.

Ze leiden de begeleiding van net achter de persoon die ze begeleiden en identificeren wat er goed gaat, bestaande sterkten, vaardigheden en hoop voor de toekomst.

In de begeleiding ontwikkelen ze een gemeenschappelijke taal met de cliënt en werken op een expert-to-expert basis.

Met een gemeenschappelijke taal bedoelen de auteurs ondermeer een bepaalde woordenschat die de cliënt vaak gebruikt overnemen maar ook in een ‘hoopvolle’ taal gebruiken (zonder nadruk wat verkeerd gaat).

Dat hulpverleners veel te weinig of niet luisteren naar mensen met autisme is een van de belangrijkste redenen waarom begeleiding stopt. Sommige hulpverleners of therapeuten slagen er zelfs na langdurige opleidingen in de communicatie nog niet in.

Vaak beginnen ze de gesprekken al met een houding alle antwoorden te hebben, met een volle toolbox & woordenschat en met een ‘professionele’ uitstraling (kledij, interieur, gevulde boekenkast met ‘vakliteratuur’, …). Terwijl het net mensen met autisme zijn die best weten waarover ze spreken, en weten of iets helpt of niet.

Werkelijk interesse tonen, goed luisteren, geloven wat de cliënt zegt (en daarbij de eigen veronderstellingen even laten varen), om reactie vragen of een gesprek werkelijk heeft geholpen, de woorden van de cliënt gebruiken bij het parafraseren, het tempo van de cliënt respecteren, veronderstellingen keer op keer aftoetsen, de houding van ‘onwetende’ innemen … het kan helpen voorkomen dat iemand met autisme al snel afhaakt of zichzelf niet gehoord voelt.

Het moeilijke, veelal voor probleemgerichte hulpverleners, is echter hun ‘macht’ afstaan of relativeren. Mensen met autisme wordt meestal verteld, door hulpverleners of anderen zonder autisme, wat ze moeten doen, wat goed en wat fout, wat gepast en wat ongepast is. Zonder hen te vragen naar hun ideeën of om mee te denken.

Een aantal mensen met autisme kan ook gewoon niet meewerken met instructies die geen betekenis hebben, zoals wanneer hen gezegd wordt ‘je kan dit of dat niet doen’, of ‘je moet ’t zo doen’ of ‘je moet die en die regels volgen’ (zeker als die regels geen steek houden).

Een leeg hoofd hebben en authentiek nieuwsgierig zijn komen vaak voor in dit hoofdstuk.

Een leeg hoofd omdat een hulpverlener geen doelen stelt voor de cliënt en naar het gesprek komt met ideeën wat het best zou zijn voor die persoon of welke antwoorden juist en welke eerder weerstand tegen ‘juiste veranderingen’ zouden zijn. En nieuwsgierig over hoe een dag in het leven van iemand eruit zou zien mocht hij of zij geen problemen meer hebben.

Een aantal technieken die in het boek aan bod komen zijn

  • het opmerken van veranderingen voor en tussen de gesprekken/afspraken,
  • niet-probleemgerichte gesprekken voeren (de ‘non-problem-talks’, over wat de persoon zoal graag doet met als bedoeling daarin sterkten & wat er goed gaat te zien),
  • vragen hoe mensen met bestaande situaties omgaan (wat werkt al goed ? – de 40% goede gewoontes bekijken ipv de 60% slechte proberen te verhelpen),
  • uitzonderingen zoeken (wanneer ging ’t even beter en is dit werkbaar in een andere situatie ?),
  • de ideeën over een gewenste toekomst verkennen (‘de Mirakel-vraag’)
  • en de schaalvragen (hoe zou je zeggen dat het vandaag is gegaan : van 0 tot 10 ?).

De Mirakelvaag waarover sprake vind ik zelf bijzonder interessant. “Veronderstel dat jou op een nacht een mirakel overkomt en je problemen opgelost waren. Hoe zou je dat merken ? Wat zou er veranderd zijn ?”.

Niet zo eenvoudig. Alleen al als je bedenkt hoe lastig het is iets dat niet bestaat of toekomstig is voor te stellen, als je de letterlijke betekenis van het woord ‘mirakel’ weet, als je moet doen alsof problemen verdwijnen en denken over dingen die anders zijn dan op het moment van de vraag. Mensen met autisme hebben immers meestal een logische, praktische en eerlijke houding.

Toch kan ’t via omwegen helpen om een ‘nieuw beeld’ te vormen of om te dromen over wat er beter zou moeten. Het belangrijkste van de mirakelvraag is volgens de auteurs dat de cliënt de details identificeren van hoe hij of zij dingen veranderd willen zien.

Autisme in het probleemgericht denken

In een derde hoofdstuk gaan de auteurs in op wat autisme volgens hen is. Meestal wordt autisme beschreven vanuit een medisch denken. Op basis observeerbaar gedrag worden symptomen opgelijst naargelang hun ernst en invloed op het functioneren van de persoon zelf en de last voor diens omgeving.

Op basis van die oplijsting komt men tot een diagnose. Die dan weer dient als basis voor een behandelingsplan om de effecten van het autisme door een of andere methode te beperken.

Ook in ons taalgebied diagnoseren hulpverleners autisme nog steeds vanuit een medische visie, door te kijken naar de aanwezigheid of afwezigheid van bepaald gedrag dat wijst op moeilijkheden in sociale vaardigheden, communicatie en gedrag.

Met deze oplijsting in de hand proberen andere hulpverleners dan het effect van elk symptoom te onderdrukken, kwijt te geraken of te beperken. Het is nog altijd beter dan de attitude van de sceptische meerderheid die deze symptomen gewoon negeert, belachelijk maakt of bespot, maar toch.

Aanvankelijk keken diagnosten vooral naar observeerbaar gedrag dat moest leiden tot een verstandelijke of psychische handicap. Mettertijd is men gaan inzien dat autisme ook best zonder verstandelijke of psychische beperkingen kan voorkomen en in meer of mindere mate kunnen evolueren.

Autisme wordt dan ook beschouwd als een spectrumstoornis.

In dat spectrum bevinden zich aan het ene eind mensen met een ingrijpende leerstoornis en alternatieve vormen van expressie (anders dan standaard gesproken taal) die veel ondersteuning nodig hebben, met uitzondering van gesprekstherapie. De basisprincipes van oplossingsgericht werk zouden nochtans wel hun begeleiders kunnen helpen.

Aan de andere kant van het autismespectrum bevinden zich mensen met een bovengemiddelde begaafdheid die op ’t eerste zicht goed mee functioneren maar niettemin een beperkt sociaal leven hebben, en vreemd beschouwd worden door mensen die hen goed kennen.

In bepaalde gebieden van ’t leven kunnen ze echter wel succesvol zijn en lijkt ’t op ze geen handicap hebben. Op andere gebieden is dat wel het geval. Bovendien zijn die niet alle beperkingen als gevolg van autisme op die een of meerdere levensgebieden even gemakkelijk te zien of te erkennen.

Autisme vanuit het oplossingsgericht denken

Autisme is, stellen de auteurs, een relatief nieuwe handicap die hulpverleners nog met veel moeite erkennen en die de samenleving nog moeilijk kan aanvaarden.

Tegenover de medische visie van hulpverleners staat de eerder sociale visie van mensen met autisme zoals Temple Grandin.

Grandin omschrijft autisme als een samengaan van een innerlijk proces van informatieverwerking (opslaan, organiseren, terugvinden van informatie), cognitief anders functioneren (toepassen van informatie en stukjes van de puzzel eerder dan het geheel zien) en zintuiglijk/perceptueel anderszijn (de ‘dingen’ anders ervaren).

In het werk van Grandin worden de neurologische en biologische verschillen benadrukt terwijl de meeste hulpverleners de nadruk leggen op de uitwendige, observeerbare symptomen van autisme. Autisme is dus een beperking in de zin dat de hersenen van iemand met autisme anders informatie opnemen, opslaan, verwerken en gebruiken dan zijn neurotypische tegenhanger.

Grandin zou dus zeggen dat iemand met autisme zijn oren bedenkt en heen en weer wiegt in een ruimte met veel geluid omdat zijn zintuiglije ervaring verschillend is dan die rond hem, en hij ervaart dat pijnlijk eerder dan plezierig.

Een professional aan de andere kant zou zeggen dat het gedrag dat deze persoon stelt autistisch is, en zou het een ernstige handicap beschouwen waar weinig aan te doen valt.

De auteurs scharen zich achter deze sociale visie op autisme en verbinden ze met de sociaal-constructionistische visie van oplossingsgericht werk.

In mensentaal: autisme is veeleer een maatschappelijke variatie dan een medische stoornis en de beperkingen als gevolg van autisme zijn vooral het gevolg van het gedrag, de attitudes en de ideeën van een meerderheid. Dit zijn dan mensen zonder autisme, die mensen met onaangepast gedrag ontwijken, onzichtbaar maken en in aparte voorzieningen onderbrengen.

Zo staat er : “De enige reden waarom we spreken over een stoornis is omdat er meer neurotypicals zijn. Mensen met autisme ontwikkelen zich anders. Dat hoeft niet noodzakelijk iets negatief te zijn, maar dient wel erkend te worden.”

Verderop staat : “Mensen met autisme zijn niet ‘gehandicapt’ door hun autisme maar in gezelschap te zijn van onwrikbare, intolerante en onwetende mensen.” Daarmee bedoelen de auteurs volgens mij vooral de onwetende samenleving, een weinig aangepaste werk – en schoolomgeving en sociale groepen van neurotypicals die vooral op zichzelf gericht zijn.

Nochtans bestaat er ook een individuele beleving van autisme, die zowel beperkend kan zijn als mogelijkheden, talenten en zelfs genieten kan inhouden.

Ook mensen met autisme kunnen hulp nodig hebben

Sommige hulpverleners durven al eens te beweren dat er aan de psychische problemen van mensen met autisme niets te doen is omdat ze direct gelinkt zijn aan autisme.

Maar de auteurs weerleggen dat. Mensen met autisme hebben net als andere mensen mogelijks problemen met geestelijke gezondheid en moeten toegang krijgen tot dezelfde hulp in centra.

Werkers in de geestelijke gezondheid moeten in hun communicatie wel rekening houden wel meer rekening houden met specifieke aspecten in de communicatie met mensen met autisme.

Het is eerder omdat deze werker daar tegenop zien – omdat het een veel grotere inspanning vergt dan communiceren met neurotypicals met problemen in de geestelijke gezondheid – dat mensen met autisme doorverwezen worden.

Maar in tegenstelling tot sommigen denken is de oorsprong van psychische problemen (voornamelijk een onbuigzame omgeving) bij autistische of niet-autistische mensen hetzelfde. Het is eerder de communicatie & vertrouwensopbouw die anders aangepakt moet worden.

De triade besproken

Verder in het hoofdstuk wordt de triade aan beperkingen die mensen met autisme ervaren besproken maar ook de misverstanden die bij bepaalde hulpverleners ontstaan wanneer die daar geen rekening mee houden.

Beperkingen in de sociale interactie kunnen mensen met autisme ongeïnteresseerd, schuld, depressief en ‘moeilijk leesbaar aan de buitenkant’ doen lijken voor wie er mee in gesprek treedt.

Voor hulpverleners of anderen die daar geen rekening mee houden, lijkt ’t of mensen die hen niet in de ogen kijken wantrouwig zijn, niet zeker van wat ze vertellen of zelfs liegen. Of ze vinden dat staren als bedoeling heeft te intimideren. Terwijl dat veelal niet het geval is en de persoon in kwestie zich niet bewust is dat hij of zij staart. Meer zelfs, volgens de auteurs is wat op het gezicht van iemand met autisme af te lezen is meestal misleidend.

Daarnaast gaan hulpverleners vaak teveel achter de woorden van hun cliënten met autisme zoeken of geloven ze die zelfs niet. Minder geïnformeerde hulpverleners denken dat mensen met autisme niet bedoelen wat ze bedoelen, niet volledig meewerken, weerstand tonen tegen verandering en dergelijke meer. Terwijl ze niet zien hoeveel inspanningen hun cliënten werkelijk al doen.

Mensen met autisme worden volgens de auteurs meestel doorverwezen naar hulpverlening of therapie door de effecten van de schijnbare onmogelijkheid met anderen mee te functioneren in onze samenleving, vanuit een geïsoleerde kindertijd af. Ondanks de inspanningen die ze doen om in een vreemde cultuur mee te doen.

Jammer genoeg wordt dat beperkte zelfvertrouwen, na beperkt resultaat te zien voor veel inspanning, vaak nog eens extra op de proef gesteld omdat ze van hulpverleners of therapeuten horen dat ze niet genoeg hun best doen, dat ze het foute geprobeerd hebben, dat ze verkeerde beïnvloed zijn of dat ze er gewoonweg niets aan kunnen doen, en het maar moeten leren aanvaarden. Want het is ofwel je eigen blijvende beperking, of de schuld van de samenleving of die van je ouders. Niet bepaald hoopgevend.

Beperkingen in de communicatie kunnen leiden tot een tekort aan informeel gesprek, moeilijkheden om conversaties te beginnen of vol te houden met een therapeut, de therapeut onderbeken, een verhaal beginnen in het midden, taal letterlijk interpreteren, zelfgemaakte woorden gebruiken of langdurig of langdradig spreken over een bijzondere interesse of fiep of fixatie.

Beperkingen in zintuiglijke ervaringen en waarneming kan de reden zijn waarom een typische kantooromgeving oncomfortabel is, de persoon niet kan zien hoe kleine stappen kunnen leiden tot een groter doel, of de persoon wriemelt tijdens de gesprekken.

Een oplossingsgerichte praktijk

In een volgend hoofdstuk gaat de auteur dieper in op details over haar praktijk. Deze bestaat uit 56 mensen tussen 18 en 65 waarvan 66% mannelijk en 33% vrouwelijk. 44% werd doorverwezen voor diagnostiek, terwijl anderen kwamen voor depressie, angst of relationele moeilijkheden. Ze blijven tussen 1 en 21 sessies.

De meesten zagen niet in waarom ze aangemeld waren, of vonden dat het probleem bij de anderen lag. Nog anderen vonden dat er helemaal geen oplossing mogelijk was of waren ervan overtuigd dat de therapeute het op haar eentje zou oplossen.

De eerste ontmoeting verliep doorgaans op twee manieren: ofwel was de cliënt een fantastische prater (die alle sociale trucjes kent) ofwel was hij of zij stil, teruggetrokken, met wantrouwige blik en grappig rollende ogen.

Verder komt in het hoofdstuk aan bod dat alle regeltjes van het oplossingsgericht werk steeds aangepast moeten worden aan de persoon zelf, zeker als het om iemand met autisme gaat.

Oplossingsgericht leven

Therapie is immers niet de enige vorm van ondersteuning, maar maakt eerder een fractie uit van iemands leven. Dat wordt vaak al eens vergeten. Oplossingsgericht werk kan ook helpen in het dagelijks leven zoals op vlak van werk, onderwijs, relaties en professionele grenzen.

Zo begint de auteur met te zeggen dat werksituaties waarin mensen met autisme tevreden zijn helaas zeer zeldzaam. Dat zou enerzijds te wijten zijn aan de beperkingen in begrip & aanvaarding door het ‘normale’ deel van de bevolking. Maar het komt ook omdat werkgevers te weinig rekening houden met de bijdrage van hun autistische werknemers om de werkomstandigheden te optimaliseren.

Door te luisteren naar een persoon met autisme op de werkvloer kunnen beide partijen op dezelfde golflengte komen en aan een gezamenlijke toekomst werken Het is ook niet steeds mogelijk te weten of iemand tevreden is met zijn werk, omdat die dat niet duidelijk uit. Maar als collega’s en bazen werkelijk interesse zouden tonen in de bijdragen of opmerkingen van iemand met autisme zou het werk er voor allen op verbeteren.

In het boek wordt duidelijk dat onderwijs en werk veel parallellen hebben. De auteur gaat vooral in de rol van mensen met autisme in hoger onderwijs. Een van de belangrijkste problemen in hoger onderwijs is de chaos die er heerst. Zeker tussen de lessen in de tijd zo goed mogelijk gebruiken, is vaak een uitdaging. In het onderwijs kan duidelijkheid op vlak van verwachtingen naar gedrag en aanwezigheid ook helpen. De auteur gaat tevens kort in op pesten.

Het meest centraal in iemands leven liggen daarnaast sociale relaties. Het begint volgens de auteur met het formuleren van verwachtingen binnen een bepaalde relatie.

Ook de auting en grenzen in hulpverlening komt aan bod. Mensen met autisme die met hulpverleners werken moeten immers heel wat blootgeven van hun persoonlijke leven.

“Als we een werkelijk respectvolle, gelijkwaardige relatie hebben, moeten we dan niet bepaalde informatie over onszelf vrijgeven tegenover de cliënt ?” Het doet me denken aan die hulpverleners, psychologen die doodsbenauwd zijn om toch maar iets van hun leven prijs te geven. Ik herinner me bijvoorbeeld een psychologe die me ooit verschrikt vroeg waarom ik haar, eigenlijk gewoon uit sympathie, wilde toevoegen. Uiteraard zonder dat ze inzage kreeg op mijn meer persoonlijke berichten, ze zat in ‘groep 10’ (de laagste privacy-kring).

De auteurs stellen ook duidelijk dat er nooit meer dan noodzakelijk informatie moet gevraagd worden in de begeleiding, en dat er zeer zorgvuldig met deze verkregen informatie moet worden omgegaan. Dus niet het uitwisselen met collega’s zonder toestemming van de cliënt, zoals veelal gebeurt. Vertrouwen is namelijk belangrijk voor mensen met autisme.

Een interessant stuk gaat over de opmerking dat mensen met autisme veelal ‘ik weet het niet’ of ‘geen idee’ antwoorden als iemand hen een vraag stelt. Hoe zou je zelf zijn als je na al die jaren over problemen praten en horen wat fout gaat iemand hoort zeggen wat je denkt of wil zeggen over wat er allemaal goed gaat ? Je valt uit de lucht en kan ’t eerst niet geloven. Of je bent wantrouwig om zoveel lof. Dat kan niet waar zijn, toch ? Soms kan geduld en tijd om te denken ook al veel helpen. Het is ook ontroerend als een hulpverlener je om hulp vraagt en toegeeft niet alles te weten, of zelfs niets.

Daarnaast vind de auteur het belangrijk te beseffen dat mensen met autisme altijd hun best om relaties uit te bouwen. Nochtans kan iemand zijn eigen kleine kantjes veel meer toegeven wanneer hij erkend wordt in zijn inzet. Ook al lijkt dat op ’t eerste moment niet het geval.

“Veel mensen met autisme hebben een verleden van verkeerd gelopen relaties, maar weten niet precies hoe het zover is gekomen. Niet iedereen wil ‘normaal’ zijn, een praatje slaan of een heleboel vrienden hebben. Wat meer voorkomt zijn mensen met autisme die hun eigenheid willen behouden maar er toch af en toe in de omgeving willen bijhoren”.

Een paar ‘gevalstudies’

In het zesde hoofdstuk worden een aantal ‘gevalsstudies’ besproken.

Deze zijn realistische verhalen waarin mensen met autisme vooral hun eigen mogelijkheden meer leren kennen en een weg afleggen naar een betere situatie. Het zijn telkens erg herkenbare verhalen die op deze blog nog aan bod zullen komen.

Ze illustreren hoe uiteenlopende situaties vanuit oplossingsgericht denken benaderd kunnen worden, zoals criminaliteit, depressie en huwelijksconflicten. Het is daarbij ontroerend hoe de therapeute zich ‘echt’ engageert in haar taak om te luisteren naar de cliënten en met hen mee te zoeken vanuit hun eigen visie, hun ‘preferred future’ en wat er al werkt.

Waardoor de hulpverlener uiteindelijk het gevoel heeft dat ze eigenlijk niet nodig is. Wat net betekent dat hij of zij goed bezig is. Want een hulpverlener of therapeut die denkt of voelt dat hij of zij onmisbaar is, die is vaak (nog) niet goed bezig.

Praktisch toegepast

In het zevende en laatste hoofdstuk komen een aantal praktische toepassingen aan bod.

Er komen vooral werkbladen aan bod (samenvatting per gesprek, schaalbladen ‘hoe gaat het met je van 0 tot 10’). Er komt ook een ‘cheat-sheet’, met alle oplossingsgerichte vragen.

Dit is meer een aanvullend dan een echt hoofdstuk, hoewel het interessant kan zijn voor hulpverleners die oplossingsgericht willen werken.

Tot slot

Samengevat beschrijft dit Engelstalige boek hoe oplossingsgericht werken kan bijdragen tot vruchtbare relaties op de verschillende levensgebieden.

De nadruk ligt in dit boek vooral op authentiek samenwerken met mensen met autisme. Vooral eerder probleemgerichte therapeuten, zeker pas afgestudeerden, hebben ’t daar vaak lastiger mee. Dit boek zou ik hen dan ook van harte willen aanraden.

Authentieke interesse in de unieke manier van de wereld zien en ervaren tonen kan nochtans de oplossing van veel schijnbaar onoplosbare problemen veel dichterbij brengen.

Ook als persoon met autisme vind ik het boek een verademing. De nadruk op oplossingen eerder dan problemen en kijken naar wat werkt, wat al gedaan is, de focus op de inspanningen en realisaties, zal hopelijk ook bij anderen met autisme leiden tot een beter leven.

A Self-Determined Future with AS : solution focused approaches van Veronica Bliss & Genevieve Edmunds (Jessica Kingsley, 2007)

1 Comment »

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s