Aan het strand

Nu het zomer is, wordt een mens, zoals ik er een ben, verondersteld zomers te doen. Wat dat ook moge betekenen. Maar als je niet gemaakt ben om zomers te doen, maar eerder om in de tussenseizoenen te leven, zoals ik, dan vergt dat wat creativiteit. En energie natuurlijk.

De verandering der seizoenen

Enkele tientallen zomers ervaring helpen daarbij. Zo heb ik intussen geleerd dat er geen seizoenen meer zijn. Die vaststelling was voor mij een opluchting. Het zomert nog wel eens, het wordt nog wel eens (te) warm. Maar zelden lang genoeg om het onder de huid te voelen kruipen. Net zoals ik ook blij ben dat het niet te hard wintert.

Een constante blijft wel het wennen aan de verandering, de overgang der seizoenen. Daarin blijf ik altijd een beetje achterop. Het troost wel dat heel wat mensen niet mee lijken te zijn in de maat van de wals van het weer. Eenmaal ze oud zijn, nemen ze het openbaar vervoer om er tegen hun leeftijdsgenoten steen en been over te klagen. Wie het oneens is met hen, zoals ik wel eens durf te zijn, krijgt van de stok van een knar of een nijdige blik van een oud besje of mag een zitplaatsje op bus of tram vergeten.

Tegen de verveling

Enkele lastige aspecten aan de verandering van seizoen zijn voor mij verandering van eten, andere kledij, het slaapritme (langer dag), de verandering van televisieprogrammatie en het wegvallen van vrijwilligerswerk.

Mettertijd heb ik een catalogus ‘seizoensspecifieke activiteiten’ kunnen opstellen. De verveling van vroeger, die ik zo haatte als kind, komt maar zelden meer voor.

Vroeger kon ik me bezighouden met dobbelstenen te gooien, een uur of zeven per dag, de hele vakantie door. Of ik werd bezig gehouden door mijn moeder of iemand anders van de familie. Of ik ging mee met vader die een bloemenzaak had en de ‘garnituur’ van feesttafels verzorgde. In een grote banketzaal driehonderd keer hetzelfde bloempje op exact dezelfde manier op exact dezelfde plaats op tafel leggen, was voor mij geen probleem.

Nu is verveling misschien een goede zaak, zoals een vroegere psychiater me ooit op de borst spelde, want het stimuleert de verbeelding en de creativiteit, werpt me terug op mijn (te) kleine ‘ik’, doet me de omgeving in vraag stellen enzo … maar ik vind het toch maar niks.

Wandelen in het zeewater

Eén van de pijlers van mijn ‘zomerprogramma’ is ongetwijfeld elke avond een stukje wandelen aan het strand, met voeten in het zeewater.

Mocht ik toevallig niet op een honderdtal meter van het mooiste strand van Europa (of zeg maar ‘Het Westen’) wonen, zou ik dat natuurlijk niet kunnen. Dan zou het wellicht een park – of boswandeling geweest zijn. Of een wijkwandeling. Of een fietstocht.

Na het avondeten en een stukje televisie, samen met mijn vriendin. Daarna wandel ik naar huis – we wonen immers samen apart. De meeste toeristen hebben zich dan van het strand verwijderd. Liefst ook bij eb. Bij vloed of bij springtij voel ik me teveel bekeken vanaf de zeedijk.

Het is dan ook een stuk stiller. Tenzij een televisiezender een zomershow met live lippende concept-artiesten heeft gepland natuurlijk. Maar die zijn er niet zo vaak meer. Wel allerlei avond – en rommelmarkten.

Melancholisch

Een andere vroegere psychiater vond strandwandelingen maar niets, herinner ik me. Aangezien ik gevoelig ben voor depressies, zeker ’s zomers en ’s winters, zou ik dat door dat wandelen alleen maar activeren. Of er migraine van krijgen. Door de zon, de wind, het geluid en het licht. En dan niet slapen, en slaappillen moeten nemen. In het beste geval een of ander kruidenextract.

Hoewel ik gek ben op strandwandelingen, had hij ergens wel gelijk. Ik word er namelijk soms extreem melancholisch van. En vaak nostalgisch. En nog vaker denkend aan eindigheid. Of de som maken van een leven. Of dat proberen. Door de inval van het licht misschien, of de contact met de aarde, of het zien van mooie jonge mensen.

Met dat terugblikken stoot ik meestal ook op mijn grenzen. Zowel in het terug gaan in de tijd zelf als omgaan met de gevoelens of bespiegelingen die dat oproept.

Als kind vond ik het strand geen leuke plek

Als kind vond ik het strand, zeker overdag, immers geen leuke plek. Er was zand, en heel ver weg, zee. Tussen de uren zitten was het enige leuke de schier eindeloze trip naar ‘het water’, daarna het ijsje, de frisdrank en de aankondiging van het vertrek. Achteraf kan ik niet herinneren dat ik dacht dat er andere kinderen waren, die leken volstrekt afwezig.

Wat ik me wel herinner zijn de reacties. Dat heeft veel te maken met hoe mijn lichaam eruit zag en nog steeds ziet (hoewel uiteraard al wat veranderd).

De meeste mensen hebben een lichaam dat er in grote lijnen hetzelfde uitziet als dat van anderen. De ene is al ronder dan de andere, of hier en daar gehavend. Daar is niets ophefmakends aan. Bij sommige mensen ziet het er iets anders uit. Er is iets teveel of te weinig, te asymmetrisch of te krom, te recht of te lang.

Zo is het voor mij, net als toen ik kind was, niet mogelijk om in zwembroek en ontbloot bovenlijf het strand af te lopen tot aan de vloedlijn zonder gefluister, bekijks, ouders die hun kinderen aanmanen niet te lachen met ‘die zieke mijnheer’ of gewoon uit de buurt houden.

Erkennen is geen nederlaag

Hoewel ik het nu beter kan plaatsen dan toen, kwetst het me nog wel. Maar ik zoek het ook niet op. Ik draag een T-shirt op strand en ga op plekken waar pootjebaden mij geen last bezorgt.

Net als het erkennen van autisme, vind ik het erkennen van een fysiek ernstig beperkt lichaam geen nederlaag. Eerder stappen zetten in het afstand doen van een niet-passend leven. Dat laatste is trouwens een opdracht voor bijna alle mensen, en een opdracht waar maar erg weinigen in slagen. Het falen hierin – dus toch maar te doen wat niet kan door kracht en ambitie – is zelfs de meest gepromote maatschappelijke doelstelling geworden.

Fout lichaamsbeeld of gewoon bewustzijn

Nu begin ik er niet meer over, maar vroeger, toen ik het nog vertelde aan anderen, lachten die dat weg. Er was niets aan de hand met mijn lichaam. Of met mij tout court. Het was louter inbeelding, ik was gewoon niet tevreden om mijn lichaam, had een fout lichaamsbeeld.

Gelukkig voel ik bij mijn huidige coach en psychiater wel erkend in dat gevoel, en erkent ook mijn vriendin dat het geen inbeelding is. Zij had het in het begin trouwens ook erg moeilijk met dat lichaam. Het autisme vond ze net een pluspunt.

We leven eerst en vooral in een lichaam, dan in de samenleving

Op de vraag naar wat me het meest beïnvloed heeft in wie ik ben en wat ik doe, wat me onlangs gevraagd werd, antwoord ik meestal zonder aarzelen: ‘mijn lichaam’. Veel meer dan mijn verstand. Hoewel ik goed weet dat een mens zonder hersenen niet meer dan een plant lijkt.

Eerder dan in een samenleving met anderen, leven we eerst en vooral in een lichaam. Terwijl ik zit te schrijven, merk ik dat wel duidelijk. Mijn lichaam eist zijn tol als ik niet op tijd pauzeer en het toetsenbord laat voor wat het is. Mijn lichaam laat zich niet wegduwen, het komt altijd bij me terug, vroeger of later.

Begrippen als lijden, zoeken naar betekenis, maar evengoed behandelingen en medisch soelaas, de troost van spiritualiteit of van een pijnstiller … we hebben ze allemaal nodig om een goed leven te leiden.

Daarnaast is er ook een samenleving nodig die niemand buitensluit, natuurlijk. Maar dat vraagt wel eerst erkenning van wie we van top tot teen zijn.

Mensen zijn nooit alleen slachtoffers van een ontoegankelijke omgeving (die hen beperkingen of een handicap opleggen) noch enkel eenzaam ronddrijvende individuen die op hun eentje moeten leren omgaan met autisme.

Wanneer mensen gepaste ondersteuning en aanpassingen krijgen, en volledige zeggenschap over hun bestaan, zijn niet alle problemen van de baan. Want dan is er nog altijd dat lichaam, die psyche, is er pijn, zijn er angsten, voor achteruitgang of dood, en strijd om voldoende energie om die dingen te kunnen doen die het leven de moeite waard maken. En tegelijk zijn er evenveel andere fysieke ervaringen, die iedereen heeft, allemaal dwars door elkaar heen.

En dan is het tijd voor een ijsje

Om met die beroering die al die gedachten oproepen om te gaan, trakteer ik mezelf, na de routineuze wandeling, even routineus op een ijsje. Soms aan het ijshuisje op het strand. Dat wordt al jaren gerund door iemand die mij kent van toen ik kind was.

Een volslanke bruingebrande vrouw van rond de zeventig, die luistert naar de naam Claudine. ‘Je bent nog niets veranderd sinds je klein was’, zegt ze bijna elke keer als ik er een ijsje koop. Ik mag hopen dat dat figuurlijk bedoeld was.

Soms ook vuurwerk

Elke week op maandag is er ook vuurwerk op het strand. Ook op belangrijke feestdagen. Vaak dus. Voor mensen die vlakbij wonen en er niet tegen kunnen of voor honden (en misschien ook voor katten) is het dus wat minder.

Ik vind vuurwerk heel mooi. Alleen heb ik er flinke oordoppen voor nodig. En moet ik af en toe mijn ogen en soms ook mijn neus toeknijpen.

Vuurwerk is ook op andere vlakken een ongelooflijk fysieke ervaring voor mij. Nadien trilt mijn hele lichaam en geest van buiten tot binnen en van boven tot onder. Een beetje zoals de Heilige Teresa in haar autobiografie haar extase beschreef.

Maar het meeste indruk maakt toch het volk dat samen stroomt voor het vuurwerk, gezamenlijk stil wordt, even verbonden is in de belevenis en de verrukking (oh’s en ah’s) en als het voorbij is elkaar bijna vermorzelt op weg naar huis of het café.

Op zoek naar goede mensen

In de zomer, zeker als er felle zon en hitte is, blijf ik overdag vooral binnen. Er is immers werk genoeg. Eigenlijk ben ik dus nooit in vakantie. Alles loopt het hele jaar door.

Een jaar telt 52 weken, elke week heeft een aantal geplande taken, die een aantal uur in beslag nemen en waarvan ik een aantal uur bekom door andere activiteiten. Zo probeer ik een gelijkmatig levensritme aan te streven. Niet zozeer om oud te worden, eerder om voort te kunnen.

Onbewust maakt dat systeem het voor mij mogelijk om grenzen te verleggen en bepaalde nieuwe dingen uit te proberen. Een nieuw budgetprogramma, dat tot tien jaar terug gaat in de tijd. Of de auto aan de kant laten en alles te voet of met het openbaar vervoer doen. Of in plaats van acht na om zeven na opstaan. Of een aantal routines uitproberen, of ze iets helpen, nuttig, leuk of energiebesparend zijn.

Naar goede routines ben ik altijd wel op zoek. Zoals naar goede ideeën en vooral, niet in het minst, naar goede mensen.

3 Comments »

  1. mooie tekst, Sam, ik geniet telkens van het in – zicht dat ik krijg door jouw tekst te lezen, en het levert een mooie confrontatie op mijn eigen grenzen, en de grenzen van de context waarin ik leef. Of hoe je woorden mij toucheren en mij bewustmaken! Knap!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s