Op de afspraak … een dag naar de specialist

ziekenhuis

Het moet een voorteken zijn, zegt de man die naast me zit in de trein. We zijn op weg naar het Verre Oosten van dit land. Hij om een onbepaalde reden, ik om er een half uurtje met een arts te spreken over medische aangelegenheden.  De enige arts die in ons land over die aangelegenheden iets zinnigs kan zeggen. Het zou pas echt goed zijn mocht ik naar Parijs gaan, maar zowel mijn reisvaardigheden als mijn Frans zijn zo brak dat ik het er niet voor over heb.  In een tijd waarin gecommuniceerd wordt met de ruimte, zal ik vandaag dus een volle dag wijden aan iets dat gerust per videoconferentie zou kunnen.

Zo  sta ik die dag om zeven over zeven te wachten op de bus, om op tijd te zijn voor een afspraak om twaalf over twaalf. Al weet ik dat het moeilijk zal zijn om op tijd te komen, en nog moeilijker om voor het avondeten terug thuis te zijn.  Ik kijk op mijn gsm en zie dat het net acht over zeven is. De bus is er niet, dus besluit ik maar te wandelen naar het station. Een kwartier later zie ik de bus voorbij rijden.

Op de kop af drieëndertig minuten later stap ik de stationshal binnen. Het liefst van al loop ik naar rechts, om er aan de ticketautomaat een retourtje te kopen. Om die defect is, stap ik naar het loket. Ook daar heb ik blijkbaar geen geluk. Mister Cash aan loket 1 heeft zich vandaag ziek gemeld. Nog een geluk dat ik dit voorzien heb, en cash geld heb om te betalen. Al lijkt de printer ook niet bepaald zijn dagje te hebben. De inkt is uitgelopen, en blijft aan mijn vingers kleven. Het eindstation is door de loketbeambte met zwarte pen aangevuld.  Als dat maar goed afloopt.

Als ik het perron zoek waar de trein staat, is het niet meteen duidelijk waar ik moet zijn. Het omroepsysteem werkt vandaag niet en ook de elektrische borden zijn tijdelijk defect. Gelukkig is de stationschef vandaag zijn stem en goed humeur niet verloren. Als een volwaardige belleman klingelt hij met de vooroorlogse stationsbel aan wat hij vervolgens door de iets modernere megafoon schreeuwt: de vertrekuren van de treinen en op welk perron het publiek ze vindt. Nog een geluk dat zijn station maar vier sporen heeft.

Een half uurtje later dan gepland komt de trein het station binnen. Intussen heb ik me op een bankje gezet – ‘alleen voor mensen met een geldig vervoerbewijs’ hangt er een bord boven. Al van wie vermoed wordt geen vervoerbewijs te hebben, wordt kordaat aangesproken door een corpulente veiligheidsbeambte, en moet elders gaan zitten. Zwervers en andere mogen wel op banken zonder dit bordje slapen, drinken en fluiten naar vrouwen. Nog even de Wifi testen, maar die laat het ook afweten. De hotspot is vandaag eerder een koelkast, en dus zit er niets anders op dan offline te tikken. Even later kan ik gelukkig de trein op, voor een lange reis met hier en daar onverwacht lang oponthoud. Buiten is het intussen oude wijven beginnen regenen. Heel dikke oude wijven dan.

Het is de man die naast me zit ook opgevallen. ‘Dat moet een voorteken zijn’, zegt hij.  ‘Een voorteken van de zondvloed. We gaan er allemaal aan.’ Hij maakt grote ogen, verheft zijn stem, slaakt een diepe zucht en kijkt weer in het dik boek dat op zijn schoot ligt. Ik kijk hem intussen aan. ‘Ik dacht dat het die meteoor was, die op ons afkomt’, zeg ik hem. ‘Mijnheer’, mompelt de man. ‘U mag de mainstream media niet zo geloven. Die maken u doof, blind en autistisch’. ‘Ah’, zeg ik en vraag hem, om het over een andere boeg te gooien, welke vertaling van de Bijbel hij leest. Hij kijkt me langdurig aan, maar zonder oogcontact. Ik lees de Dikke van Dale, antwoord hij, de dertiende editie, de enige echte. Gesigneerd door Herr Seele, mijn idool, laat hij, fier als een gieter, zien. We keuvelen nog even over puntjes op de i, spijkers op laag water, de dt-fouten in de media en de dictee-tor. De man feliciteert me met mijn Brabants accent en vraagt me voor hij afstapt of ik voor hem wil bidden. Ik beloof het hem.

Een kwartier later komt de conducteur ons compartiment binnen. Vergezeld door twee gewapende heren met twee flink uit de kluiten gewassen hoonden. Controle door de Vreemdelingendienst. Of ik een geldig vervoerbewijs heb. Of ik mijn identiteitskaart kan tonen. Of ik ben wie ik ben, en dat zal blijven. Of ik geen smokkelwaar in mijn rugzak heb. De honden snuffelen aan de koekjes die ik mee heb, likken hun lippen af maar blaffen niet. Ze lusten graag speculaas, maar nu zijn ze in dienst.  Ik lust het ook graag, maar ben niet in dienst, en geen hond.

Net op tijd, met slechts enige tientallen minuten vertraging, kruipt de trein het station binnen. Met de verontschuldigingen van de spoorwegmaatschappij op zak, haast ik me naar het busstation even verderop. Daar rijdt de bus die ik moet halen net weg. Elf perrons verder staat een volgende te wachten. Dat die nog niet weg is, heeft te maken met een defect. Dat zal snel verholpen zijn, wordt me beloofd. Een minuutje of vijftien later vertrekt de bus dan toch. Gelukkig met bestuurder en passagiers erin.

Met mijn neus platgedrukt tegen het bedampte raampje, krijg ik ruim de tijd om de uitgeregende bevolking te observeren. Kijken mag, aankomen niet, zo kijk ik naar de mensen. Ik zie heren met paraplu’s, dames met laarsjes en studenten in een optocht door de historische binnenstad. Wat ze precies willen laten horen of zien weet ik niet. Ze hebben vlagen mee, dragen vuilniszakken als regenjas (of andersom) en laten zich luidkeels horen.

Flink wat scherpe bochten, optrekken en afremmen later, kan ik, ietwat duizelig en door elkaar geschud, aan de juiste halte afstappen. Ik kan niet missen, want het is de eindhalte. Intussen is de wind opgestoken, en is het flink beginnen gieten. Gelukkig ben ik even later warm en droog binnen. Ik schuif aan bij de wachtrij voor de elektronische inschrijving in het ziekenhuis. Helaas heeft de computer even een koffiepauze ingelast. Dan maar naar de onthaalbediende. Dat verloopt nog minder vlot, want zij stelt allerlei moeilijke vragen. Ze tekent ook een grondplannetje dat volgens mij niet juist is.  Gelukkig weet ik de weg al van vroeger.

Dan volgt een weg door dit doolhof van gangen, trappen, deuren en liften. Flauw naar rechts, rechtdoor, scherp naar links en dan meld ik me aan bij de eerste balie. Waar ik krijg te horen in welke wachtzaal ik mag zitten. Vandaag is dat in de ruimte tussen wachtzaal G en H. Daar plof ik na flink wat stappen in stoel 15 neer. Ik ben er precies op tijd geraakt, het is twaalf uur twaalf. Nu kan het wachten beginnen.  Intussen heb ik mijn tablet, een leesboek, pen en papier, en kan ik de mensen om mee heen observeren. Die zijn meestal veel dikker en kijken bedrukt. Sommigen hebben onlangs nog gehuild, hun gezicht staat rood en ze vegen nu en dan een traan weg. Een paar mensen zijn druk aan het bellen. Dit is een wachtzaal waar je beter niet terecht komt.

Het vlot behoorlijk dit keer. Al na anderhalf uur wachten kan ik op consultatie. Ik was dit keer dan ook goed op tijd. Eerst is er een gesprek met de gewone arts, die vraagt of ik bezwaar heb of er een paar specialist-stagiaires bij mogen zijn. Helemaal niet, antwoordt ik. Ook bij mijn psychiater gebeurt het dat er stagiaires het gesprek observeren. Drie knappe jonge dames, die er bijzonder intelligent uit zien, en vriendelijk bovendien.

‘Jullie lopen nu wel het risico op de blog van mijnheer hier terecht te komen. Hou daar rekening mee als je vragen stelt of opmerkingen geeft,’ waarschuwt de arts. Ik geef intussen de verwijsbrief van de huisarts af, de brief voor korting op de ziekenhuisfactuur hou ik zelf.  Er volgen enkele routine-onderzoeken, zoals een smartphone-fotosessie (ik heb een wat afwijkend lichaam), ademhalingstest, spiertest, bloeddruk, gewicht en temperatuur. Vervolgens wordt er van alles getikt in het elektronisch dossier. Dan gaat het hele groepje weer naar buiten. Naar de overzijde van het gangetje. Waar druk overlegd wordt met de professor, achter gesloten deuren. En ik, daar zit ik dan … bijna volledig uitgekleed, op boxershort na, op de onderzoekstafel. Aan het raden wat ze daar zoal over mij zouden zeggen. Gelukkig is het nooit erg koud in ziekenhuizen en heb ik vrij scherp gehoor.

Na een half uurtje wachten komt de professor dan breed glimlachend binnen, schudt mij de hand, gaat naast me zitten op de onderzoekstafel en begint een gemoedelijk en vertrouwelijk gesprekje. Over vorderingen en prognoses. Over twijfels over de toekomst. En of het nog lukt met de pijn. Een grapje, nog enkele onderzoeken, een pakje voorschriften voor medicatie en hulpmiddelen en enkele handdrukken later, kan ik terug naar de wachtzaal.

Amper drie kwartier later komt iemand van de verpleging me halen om een nieuwe afspraak te maken, en een attest te ondertekenen. Het gaat snel vandaag, merk ik op bij de verpleegster. Zo snel dat ik dit keer maar een half uurtje op de bus moet wachten. Ook in het station valt het goed mee, ik hoef maar drie kwartier te wachten. De spoorwegmaatschappij wordt steeds stipter, denk ik bij mezelf, straks komen daar nog ongelukken van. Bovendien is de trein ook nog eens onverwacht snel: amper vijftien tot twintig minuten vertraging. Het is al donker als ik, onder een flinke bui smeltende sneeuw, bij mijn vriendin in de auto stap. Nog net tijd om te eten, wat te knuffelen en dan mijn bed in. Om te dromen van een lange, maar zeldzaam vlotte dag.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.