Jij, ik en dito … ontmoeting op een terrasje

ik jij dito

Hij verontschuldigt zich nog voor hij zijn logge fiets, zo’n oude niet-elektrisch ros met gigantische tassen achterop, stalt en zijn hond, een vervaarlijke pitbull, aan de waterbak parkeert.

Sorry, sorry, sorry. Dat hij wat last heeft van zijn bipolariteit, een beetje te manisch, zelfs naar zijn eigen gedacht. Vorige week was het drie jaar drie weken en drie dagen uit met zijn vorig lief en dat moest gevierd worden.

Daar ging hij speciaal voor naar Amsterdam. Hij kent er een adres waar je het beste spul vind. Hij noemt enkele stofnamen maar die doen er niet echt toe, tenzij voor wie de weg weet in de middelen van illegale verdovende middelen.

Hij benadrukt dat ik het er best niet over heb met amateurs. Ik wil geen doden op mijn geweten, zegt hij. Alsof ik mensen zou kennen die interesse hebben in iets om te snuiven. Ik hou het bij voorgeschreven middelen, zeg ik hem. Veel gevaarlijker, drukt hij me op het hard, maar je wil me niet geloven, ‘you, Junkie’. Ik moet daar eens mee lachen.

We zitten beiden op het terrasje van een rustig café. Zowat het enige waar ik nog welkom ben, zegt hij. Zeker mijn lief hondje schrikt wel eens wat mensen af. Maar hij doet echt niets. Ik, daarentegen, glimlacht hij.

En, voegt hij eraan toe, terwijl hij wijst naar de cafémadam die in de opening van haar etablissement is komen speuren naar klanten, op dit terras mogen zelfs gehandicapten komen. Met wielen of stokken, gepast of ongepast gedrag, stuiterend of stil, met of zonder krak in de kop. Zonder te reserveren. Dat mag wel eens in de krant. Of op je blog. Zo heb je niet zoveel horecazaken meer aan de kust. Geld, dat willen ze, maar diversiteit op het terras, ho maar, stel je voor dat die dames en heren op het terras zich zouden verslikken of er ’s nachts van zouden dromen.

‘Mensen met een beperking, Pol’, werp ik tussenin. ‘Je weet hoe gevoelig het ligt bij bepaalde mensen’. Maar daar trekt Pol zich niets van. Een paar Engelstalige vloeken met verwijzingen naar vrouwelijke lichaamsdelen en geslachtsverkeer volgen. ‘Je moet de dingen bij de naam durven noemen, of je bent een mietje’, mompelt hij, voor hij een slok van zijn Johny Walker (‘tot aan het rokje’) neem. Zelf heb ik een bruisend watertje bestelt, on the rocks.

Niet teveel last met je autisme in die hitte, vraagt hij, in zijn niet aflatende woordenstroom. Ik hoorde gisteren dat mijn zoontje uit het eerste huwelijk ook zo’n diagnose heeft. Ja, we leven nu eenmaal in een tijd van diagnostische culturen, ik vond eigenlijk dat het al lang duurde, hij is al acht, en hoe later je zo’n diagnose krijgt hoe meer je mist. Vroeger zou ik er problemen mee gehad hebben, maar nu ik jou een beetje ken, kan ik dat relativeren. Het is niet dat hij nu plots verandert in een normale mens, mijn lieve asociale vuilbekkende stuiterende jochie.

Zo gaat het gesprek maar door. Niet lang, want zo zoon zo vader, en dat vermoeit mij. Bovendien wacht er iemand op mij. Maar voor ik ga wil ik nog wel iets kwijt.

We hebben het te gemakkelijk over ‘wij’ en ‘ons’. Kijk nu naar ons, wat hebben wij met elkaar gemeen? Niet veel, natuurlijk, tenzij de kans om te leven en ontnomen mogelijkheden misschien, maar dan nog, die kans ligt bij jou heel anders dan bij mij, bij hem, bij haar, en bij die daar.

Kijk hier, in de krant, wat er staat: wij moeten daar iets aan doen, wij kunnen het beter, wij zijn nu eenmaal. Zonder te zeggen wie die wij dan wel is. Erger nog, waar een wij is, daar is een zij. En die zij, om ons aan te spiegelen of ons tegen af te zetten. Ik vind het allemaal maar niets, en bovendien : er is toch alleen maar een ik en een jij die mij inspireert, reageert, met mij omgaat en soms ook wel eens irriteert? En de rest is dito, ipso facto, ogni scarrafone è bello a mamma sua, niet?

Whatever, denk ik, maar ik zie me lang niet als een kakkerlak. Dan komt er een sms’je. Tijd om op te stappen, een afscheid, en ik ga. Nog een sms’je. Waar ik blijf. En nog eentje. Of ik wel op de tijd let. Ze weet goed dat ik minder voeling heb voor die tijd, maar iets minder dat mijn marsepeinen vingers beter kunnen strelen dan sms’en.

Opgelet, want daar komt alweer een sms’je terug. Dat er straks nog een wandeling gepland staat. Een ijsje ook. In hetzelfde ijssalon, het beste van de kust. Waar ze al weten wat we willen: twee bolletjes vanille voor mij en voor haar de smaak van het moment. In een potje met een lepeltje. Twee ijsjes die we samen opeten terwijl we op de dijkrand zitten te kijken naar de golven die aan en af rollen. Want het is donderdag, en donderdag zou hetzelfde niet zijn als we niet doen wat we gewoon zijn. Zo is zij, en zij is mijn liefste jij. Geen ons of dito die daar voorlopig een eind aan kan maken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s