‘Neem hem maar mee’ … autisme en crisis

Het is half twee ’s nachts. Ergens, in de koele lentenacht, in West-Vlaanderen, is er in een huis, waar van buitenaf weinig aan te zien is, een probleem. Nu ja, wat heet probleem, het kan toch eerder doorgaan voor een crisis. Erg genoeg om de telefoon te nemen en de 112 – de hulpdienst – te bellen. Of liever: moeder belt. ‘Ik heb een probleempje’, vertelt moeder aan de vriendelijke vrouw van de noodcentrale. Het lijkt eigen aan mensen uit West-Vlaanderen om hun problemen (en eventueel ook die van anderen) te minimaliseren.

“Mijn zoon is 13. Hij heeft autisme. Morgen is het weer school. En dat is voor hem héél moeilijk. Hij is agressief. Hij gooit met van alles en nog wat. Hij slaat, schopt en bijt. We hebben daarnet de politie gebeld. Die is een uur bij ons geweest. Uiteindelijk heeft hij dan toch zijn gewoonlijke medicatie genomen. En nog iets bij om zich te kalmeren. Maar dat helpt precies niet. En … kijk, we weten eigenlijk niet meer wat we met hem aan moeten.”

Intussen heeft de ‘call-taker’ aan de andere kant van de lijn alles netjes ingetikt. ‘En wat wenst u, mevrouw?’ is haar logische vraag. ‘Een ziekenwagen?’ De radeloze moeder weet niet anders wat ze zou kunnen vragen. In eerste instantie niet om haar zoon mee te nemen, maar om ‘iets te geven’.

De vrouw van de noodcentrale wil vooral duidelijk zijn: “Als ik u een ziekenwagen stuur, zal het medisch team uw zoon meenemen naar het ziekenhuis, mevrouw’.Maar ze mogen hem meenemen’, klinkt de vrouw radeloos “We hebben er genoeg van.” Blijft nog de vraag of de jongere met autisme dat zelf ziet zitten, en hoe hij zal reageren. ‘Moet er politie bij?’ is dan ook een logische laatste vraag. ‘We proberen het zonder politie. Mijn man en mijn broer is hier. Ze hebben beiden veel macht”. “In orde, een ziekenwagen zal binnen een vijftal minuten bij u zijn.” En het gesprek wordt afgesloten.

Intussen zitten wij, mijn liefste en ik, te kijken, met chips en cola, naar de Noodcentrale. De Noodcentrale geeft een beeld van het werk van de mensen die naar de 101, de 100 of de 112 bellen.  In het programma wordt alvast duidelijk dat enorm veel psychologisch inzicht, communicatievaardigheid en vooral geduld nodig is. En dat er veel mensen in nood zijn. Al interpreteert de ene ‘nood’ anders dan een ander. Soms is dat een gevolg van dementie of dronkenschap, soms gewoon van egoïsme.

Meestal blijken de oproepen wel terecht Of ze zijn laatste redmiddelen. Als het echt niet meer gaat. Midden in de nacht. Met iemand die zichzelf verliest in angst en gedachten. Onder andere door autisme. Want laten programma’s rond talenten en superkrachten wel eens mooi zijn om naar te kijken, dit is ook een facet van het leven met autisme dat in beeld mag komen. Niet alleen bij de jongere van hierboven maar ook bij volwassenen die het anders goed lijken te doen. Hoe het daarna is afgelopen met de jongere en zijn omgeving, wordt er niet bij vermeld. Al is dat natuurlijk ook een deel van het verhaal.

Soms lachen we wel eens met ‘stommiteiten’ van bellers, of met de bemoeizucht van ‘bezorgde burgers’ die zich van alles inbeelden. In bovenstaand geval worden we evenwel stil. Het komt dan wel heel dichtbij, maar het is goed dat dit wordt getoond. Dit raakt ons meer dan de triestige programma’s over talenten en victorie, of het zoveelste gekanker over medicalisering. Hier kunnen we ons iets – zij het lang niet de werkelijke situatie – voorstellen. Momenten van crisis zijn er hier ook al geweest, hoewel een ambulance nog niet nodig was. Brandweer en politie echter wel. Dan is het een grote stap om de telefoon te nemen, en emoties en gedachten de baas te blijven.

Voor de moeder en vader van hierboven was het wellicht ook niet eenvoudig om de stap te zetten. Bovendien blijken ze – zo wordt nadien verteld in het programma – bekend bij de hulpdiensten. Die avond is er al beroep gedaan op het noodnummer. ‘Het gaat niet meer’, zucht de vrouw naar haar mannelijke collega. ‘Erg voor die ouders’. ‘Ook erg voor die jongen, die kan er niets aan doen’, zucht haar collega terug.  Een hoopvol signaal, vond ik dat. Dat er nog mensen zijn die kunnen inleven, en alle kanten van het verhaal proberen te zien. Zonder de ander meteen gemakzucht of oneerlijkheid te verwijten. En zolang die hoop er is, is er leven. Al dan niet afgewisseld met een crisis nu en dan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s