Wennen aan het dorpsleven … autisme en samen leven

Foto van Maria Teneva op Unsplash

Het is flink wennen om van een levendige stad naar een besloten dorpsgemeenschap te verhuizen. Je merkt het aan de sociale regels, hoe je brood vraagt in de bakkerij, hoe belangrijk de kerk is in gesprekken en gewoontes en hoe je je inkopen doet op de markt. En je merkt het ook een beetje aan de straatnamen.

Hier heb je vooral kerk, kasteel, kanunnik en kardinaal straten, en zijn geen pleinen vernoemd naar revolutionairen of verzetstrijders. Politioneel beschouwd is dit zelfs geen dorp, maar een wijk, wat betekent dat er geen echt politiekantoor is en veel van het dorpsleven op vrijwilligerswerk leeft. In de lokale krant wordt binnenkort een held van het jaar verkozen. Je kan stemmen op een mantelzorger, een sportster, een kleuterjuf en een brandweerman. Drie op de vier zijn grijsaards en op het eerst gezicht zeer vroom.

Maar in het complex waar ik woon is dat niet aan de orde. Daar komt geen priester over de vloer, en wordt er om de haverklap gevloekt. ‘Ik wil godverdomme geen pillen en pampers, ik wil euthanasie’ hoor ik iemand door het trappenhuis schreeuwen. ‘Je weet niet wat je zegt, Angèle’ hoor ik een andere stem rustig antwoorden. Anderen hoor ik dan weer vloekend bezig over de activering (tot een of andere vorm van werk) die vanaf 1 januari voor iedereen die hier woont verplicht wordt en de ‘middelen toets’, de verplichting om de verhuurder een volledig overzicht te geven over je bezit, in geld, goederen, gronden of gebouwen.

Ik heb de activering gelukkig al doorstaan en ben ‘volstrekt ongeschikt voor arbeid, begeleid of zelfstandig’ bevonden. Gelukkig wordt rijkdom hier ook niet afgemeten aan het aantal boeken of beschreven papier, anders was ik aardig de pineut geweest. Intussen sta ik klaar om te vertrekken naar mijn afspraak bij mijn podoloog die eens per van de stad naar hier komt.

Intussen blijkt de lift weer eens stuk, klinken er vanuit de elektriciteitskast aan de ingang van het gebouw vreemde geluiden en heeft iedereen in zijn brievenbus opnieuw een dreigbrief van een voormalig bewoner gekregen. Niets om van op te kijken, vinden de weinige bewoners die ik al heb ontmoet. De verpleegkundigen, thuiszorgers, verzorgenden, zorgkundigen en artsen zie ik veel meer. Met hen wissel ik regelmatig ook een vriendelijk woord. De bewoners zelf hebben daar de levenslust niet meer voor.

Buiten regent het oude wijven. Als het wat beter weer is, minder regent en waait, fiets ik wel naar de consultatie van de podoloog in de stad, maar voorlopig heb ik daar geen zin in.

Waar ik wel meer op let, is een vriendelijk begroeting bij iedereen die ik onderweg ontmoet. Ook als ik straks in de buurtwinkel, een kleine superette, ga winkelen, let ik daarop. Niet om bij iedereen in de gratie te staan maar om stilaan te integreren in deze kleine gemeenschap waar iedereen elkaar lijkt te kennen. Ik ken intussen ook de plaatselijke mythes, verhalen en de kapel van de zalig verklaarde dorpsheldin die intussen al een millennium onder de aarde ligt.

Net zoals ik, als een van de honderd nieuwe inwoners van 2022, binnen enkele dagen mag aanschuiven bij de ‘brunch van de burgervader’, een kennismakingsmoment met, als kers op de taart, zowaar een ontmoeting met de burgemeester zelf. Over die laatste las ik in het ‘dorpsmagazine’ dat deze brave mens niet alleen de namen kent van wie voor hem heeft gestemd, maar ook de namen van ‘alle anderen’. Nadien is er uiteraard, willen of niet, een groepsfoto voor de lokale krant.

Misschien is dat wel het geschikte moment om onze eerste burger het autismevriendelijke boekje te overhandigen. Zo weet hij ook meteen dat autisten niet alleen in de lokale instelling te midden de velden werken, wonen en leven maar ook in de dorpskernen en dat ze ook nog een stukje van de wereld gezien hebben. Het valt af te wachten met welke dorpspolitieke wijsheid hij daarop zal antwoorden.