Op het welkomstontbijt … autisme en sociale situaties

Het is niet onze gewoonte om voor ons ontbijt ergens heen te gaan. Niet zozeer omdat we in onze nachtkledij ontbijten, zeker niet. Gewassen, gekleed en vrij wakker zitten we beiden, voor de kerkklok acht slaat, aan tafel. Om een of andere reden slaat onze kerkklok trouwens drie keer acht. Alsof onze pastoor wil zeggen: ‘al wie om acht uur nog niet wakker is, die heeft de kerkklokken niet gehoord, en slaapt goddeloos lang uit’.

We zitten recht tegenover elkaar aan de tafel voor zes. Ja, mijn liefste is voorbereid op alles, dus dacht ze: als ik ooit volk ontvang, dan moet er minstens een tafel voor zes staan. Die nog eens kan uitgebouwd worden tot een tafel voor negen. Ons netwerk telt weliswaar (nog) geen negen mensen, maar zeg nooit ‘nooit’, is een van onze leuzen. Dit jaar hebben trouwens ‘we laten ons niet opjagen’ tot (voorlopige) leuze van het jaar verkozen.

Tussen ons staat, behalve een bord en bestek, een kop koffie en een kop warme chocomelk, op specifieke wijze bereid door mijn liefste, ook een broodzaak met verse fijn-volkoren boterhammen, chocopasta van het bekendste merk, aardbeien – en kersenjam, honing en natuurlijk voor elk een pillentorentje, met een flink gevuld doosje voor elke dag van de week. Alleen het vakje ’s morgens is goed gevuld, voor ’s middags, ’s avonds en ’s nachts zit er nauwelijks iets in. Het valt dus nog best mee, en ook ons medicatieschema telt maar vier tot zes pagina’s.

Naast ons ligt onze smartphone, meestal dicht, tenzij om te kijken hoe onze Fitbit onze nacht heeft beoordeeld, en of we het daarmee eens zijn (wat zelden het geval is). Onze kat ligt meestal nog op bed, die slaapt gemiddeld vier uur meer dan wij. Tenzij ze vannacht heeft gemerkt dat haar voeding of water op is, dan staat ze op en gaat niet meer liggen vooraleer we in actie schieten door haar luid en dringend gemiauw.

Het is dus niet onze gewoonte om ergens heen te gaan. Omdat onze ochtenden bestaan uit vaste rituelen, en we eraan houden elke ochtend hetzelfde te doen vooraleer we elk naar ons werk vertrekken. Tenzij er natuurlijk geen werk is die dag, maar dan nog wijken we niet af van onze gewoonte en onze rituelen voor het ontbijt. Een ontbijt overslaan is voor ons beiden ondenkbaar.

Toen we uitgenodigd werden voor een welkomstontbijt voor nieuwe inwoners, twijfelden we dan ook even om daarop in te gaan. Een gegeven paard kijk je niet in de bek, klinkt het spreekwoord, maar of dat ook geldt voor een gegeven ontbijt, daar moesten we even over nadenken.

Mijn liefste deed dat op haar manier: nakijken in haar agenda wat in de periode van het ontbijt aan uitdagingen stonden gepland. Zelf probeerde ik de bek van het ontbijt voor te stellen en of ik daar wel of niet moest inkijken. Of zoiets. Uiteindelijk besloten we, los van elkaar, om erop in te gaan, maar eerst de ander te vragen of dat ok was. Met als voorwaarde dat we eerst zouden ontbijten vooraleer naar het ontbijt te gaan. We konden ons immers niet goed voorstellen hoe een welkomstontbijt eruit zou zien. Misschien was het wel een ‘bij wijze van spreken ontbijt’. Met overheden weet je maar nooit. De crisis in de gemeentes grijpt om zich heen, las ik onlangs, en misschien heeft die crisis ook wel alle broodjes en beleg gegrepen.

Toen we eenmaal waren ingeschreven, was het spannend afwachten tot we een bericht kregen dat het welkomstontbijt ook echt doorging. Dat bericht kwam er niet. Na enkele weken wachten, besloot ik het gemeentehuis op te bellen of we die zondagochtend nog moesten vrijhouden of dat het niet doorging. Het telefoontje verliep zoals alle telefoontjes met diensten of organisaties: drie keer doorverbonden, van de lijn gegooid, teruggebeld, een wachtmuziekje van viereneenhalf minuut, en dan iemand aan de lijn waarvan ik dacht dat het de wc-dame was. Uiteindelijk kreeg ik toch de juiste persoon aan de lijn, de mevrouw van het onthaal, die na uitvoerige uitleg snapte wat ik precies wilde weten.

Ah ja, maar natuurlijk, ik had u niet meteen begrepen. Mijn excuses. Wacht, ik zoek het op, de computer is vandaag een beetje traag, en het zijn ook zulke rare tijden hé. Wacht, hier staat de lijst met namen, en, even kijken hoor, ja u staat op de lijst van ingeschrevenen voor het welkomstontbijt, met partner. Is het dat wat u wou weten? Wist u dat u dat ook kan opzoeken op uw persoonlijke space online, als u inlogt met itsme of uw elektronische identiteitskaart? Kan ik u met nog iets helpen? Zou u nog drie vragen willen beantwoorden over onze dienstverlening alstublieft?’

Dat verliep nog vlotjes en na net iets minder dan een uur bezig zijn met dit taakje, zette ik in onze gezamenlijke virtuele agenda dat we die zondagochtend naar het welkomstontbijt zouden gaan. Onder voorbehoud dat het een en ander daar een stokje voor zou steken. Ziekte, een drama, een tegenslag, gebrek aan energie … maar we zouden ons best doen om er te zijn.

Die ochtend stonden we daar dan. Stipt op tijd. En blijkbaar veel te vroeg. Er was immers van alles fout gelopen, zo bleek later. Onverwachte omstandigheden, zo klonk het, en, in één adem, onze oprechte excuses voor het oponthoud. Uiteindelijk, na een half uurtje in de frisse lucht wachten, konden we de tent binnenwandelen.

Onze eerste horde was het inschrijvingstafeltje, waar de ambtenaren van de burgerlijke stand, voor ons nakeken of we wel op de lijst van de genodigden stonden. Gelukkig kennen we intussen het internationaal spellingsalfabet al uit het hoofd om onze voor – en achternaam te spellen. Na een vijftal minuutjes kregen we een sticker opgeplakt met onze naam met ‘nieuwe inwoner’. We kregen nog snel een zakje met het logo van het dorp en hun slogan ‘bruisend beter’ (doet me denken aan dalfagan), met een balpen, een notablokje, een opblaasbare ballon, een winkelbon van 1 euro (op te doen bij de plaatselijke handelaren) en een stratenplan (dat al dateert van 2018, zag ik later). Maar, zoals een bekend schlagerduo ooit zong, ‘wij vinden ook het minste deel sensationeel’.

De erehaag van notabelen stond zich even verderop alvast warm te schudden om ons de hand te schudden. Ze hadden elk een ‘sjerp’ rond, hun eretekens opgespeld en, indien relevant, hun kepie op. En ze waren voorbereid, want ze hadden elk een boodschap uit het hoofd geleerd en met de hand uitgestoken. ‘Ik ben burgermeester van het groter geheel waartoe uw dorp hoort, welkom en mijn deur staat altijd voor u open’. ‘Ik ben de korpschef van het politioneel domein waar uw wijk toe behoort, welkom en kom gerust langs als u zorgen hebt’. ‘Ik ben de voorzitter van de gehandicaptenraad. Als gehandicapte zorg ik ervoor dat deze sukkelaars zich veilig voelen in ons dorp’.  En zo waren er nog een stuk of zeven dikbuikige mannen.

Voor we ons naar de ontbijtzaal repten, fluisterde ik nog snel naar mijn liefste of ze de alcoholgel mee had, waarop ze knikte, en we snel naar het toilet verdwenen. Om onze handen te ontsmetten, want wie weet waar deze hoogwaardigheidsbekleders met hun handen hadden gezeten vooraleer ze ons de hand reikten. Als je weet dat we in onze gemeente nog steeds een covid-rating van 20% zieken hebben, is er, ondanks onze vijf vaccinaties, elke reden om voorzichtig te blijven. Zeker in contact met zwaarlijvige oudere en kortademige mannen, die volgens de huisartsenverenging nog steeds het meest risico lopen.

De ontbijtzaal bleek een grotere tent, met lange rijen tafels met goedkope stoeltjes, en achteraan een lang buffet, dat bediend werd door ambtenaren met witte handschoenen. Eens we daar stonden, met ons bord, kregen we eerst de regels van het spel te horen. ‘Elk krijgt één broodje – je kan kiezen tussen een croissant, stokbroodje of boterkoek – met beleg naar keuze – ham, kaas of roerei. Elk krijgt één drankje. Elk mag ook één stuk fruit nemen. Begrepen?’. We knikten.

Het bleek een goed idee geweest te zijn om vooraf te ontbijten. Heel wat andere burgers die na ons kwamen hadden het daar duidelijk moeilijker mee, en al gauw kwam het tot schermutselingen. Gelukkig was ook het wijkteam van de politie uitgenodigd, om te kijken hoe anderen zich te goed deden aan hun ene broodje, maar ook om tussen te komen in mensen die hun ongenoegen lieten blijken door de ietwat harde pistolets naar het hoofd van notabelen te gooien. Sommigen leken van plan er een heuse ‘foodfight’ van te maken, maar werden al snel afgevoerd om buiten af te koelen. En dan had de burgemeester nog niet eens zijn speech gegeven.

Zoals wel vaker gebeurt, zaten wij de eerste minuten alleen in de zaal. Zoals wel vaker gebeurt, kwamen er al snel een paar ouderen, enkele mensen met een handicap, en nog wat mensen die aan andere tafels die welkom waren, naast ons zitten. Aangezien ons broodje vrij snel op was, en andere mensen wel wat hulp konden gebruiken, besloten we ons nuttig te maken door deze mensen te helpen, en te bedienen, als ze dat natuurlijk toelieten. Als iemand antwoordde dat ze ‘oud en lelijk genoeg waren om zichzelf te helpen’, beaamden we dat en prezen hem of haar om wat ze geantwoord hadden. ‘Jef, we gaan nog van u horen in dit dorp, welkom’, antwoordde ik. Het volgende halfuurtje stapten ze van buffet naar tafel en terug om mensen die het moeilijker hadden dan wij te bedienen. Ze leken daar best tevreden mee. En ‘een smakelijk en nog een fijne dag’, vriendelijk en gemeend, hoort iedereen wel eens graag.

Net na de speech van de burgemeester, die traditioneel vooral zichzelf bedankte, vroeg om meer middelen en minder bemoeienis van de burgers, en prees wat zijn coalitie allemaal had verwezenlijkt, besloten we dat we onze plichtpleging hadden gedaan, en terug huiswaarts te keren. We waren weliswaar ook nog uitgenodigd voor de jaarlijkse nieuwjaarsreceptie met de traditionele dorpstombola, met als hoofdprijs een citytrip voor twee naar het exotische Gent. Onder het mom van ‘nog veel werk te doen’ grepen we echter snel onze jas, en stapten gezwind naar huis. Waar we nog snel een paar boterhammetjes en wat warms dronken. Met de leuze ‘Eigen ontbijt is nog altijd het beste’ in gedachten. Op de achtergrond kon je al een dafagan horen bruisen, en we hoopten dat onze hoofdpijn ook ‘bruisend beter’ zou worden.