Wie een lans breekt, heeft er één minder … autisme en taal

(c) Sam Peeters, 2026

Om mij heen, in gezelschap, komt het voor dat mensen geweld gebruiken. Ze winden zich op, doen hun ego geweld aan, of ze zeggen, zomaar, dat ze ergens een land voor breken. Voor toegankelijkheid, voor autismevriendelijkheid, voor rechtvaardigheid, voor de natuur of voor goed onderwijs.

Toch zijn volgens mij vooral pantoffelhelden die dat doen. Het blijft vaak bij woorden, opinieartikels in de weekendeditie van de krant, of op Linkedin. Ze komen bij wijze van spreken op voor een zaak. Ze spreken zich uit waar anderen, wijselijk, over zwijgen.

Ik vind het vreemd dat mensen die uitdrukking blijven gebruiken. Hoe langer hoe vreemder zelfs.

Waarom zou ik iets moeten breken om voor iets op te komen? Ik begrijp natuurlijk wel dat het figuurlijk bedoeld is. Ik ken ook de herkomst. Denk aan koene ridders, dramatische tornooien, ruiters die met volle vaart op elkaar inbeuken. Een lans die bij de botsing versplinterde, bewees moed. Mannelijke moed weliswaar. Wie zijn wapen liet sneuvelen, had alles in de strijd gegooid, en had zich niet gespaard.

Dat soort heroïek gaat volledig aan mij voorbij. Ik hou niet van tornooien en al evenmin van de held uithangen. Je kan daar een volledige analyse over mijn mannelijkheid op uitbouwen, maar ik ben nu eenmaal niet heldhaftig ingesteld. Meer blabla dan boem boem, zeg maar.

Bovendien is er al genoeg dat stuk is als ik om me heen kijk. Mensen die op zijn, relaties die het niet hebben uitgehouden, systemen die vastlopen, auto’s die opbranden, vertrouwen dat weg is en beloften die nooit zijn nagekomen. Aan breuken hebben we tegenwoordig echt geen gebrek. Wat volgens mij des te meer ontbreekt, is moed om te verbinden, te lijmen, de eigen breekbaarheid te erkennen, en met de brokken en scherven iets vruchtbaars te maken.

Telkens iemand zegt of schrijft een lans te breken, wringt dat bij mijt. Waarom zou iemand diens betrokkenheid moeten bewijzen door iets stuk te maken? Ik maak niet graag iets stuk, en al zeker niet om te tonen dat ik ergens om geef. Ik praat al helemaal niet over maatschappelijke kwesties of autistische ervaringen alsof het veldslagen zijn, met fronten en aanvallen, met geboekte overwinningen en geleden nederlagen. Het lijkt.soms of ik pas ernstig word genomen wanneer ik de taal van de oorlog spreek.

Dat betekent niet dat ik conflicten uit de weg ga, integendeel. Ik ben helemaal niet voor de lieve vrede, en ik heb al helemaal geen mantel der liefde. Maar ik ben ook geen brokkenmakers. Ik wil mijn lans niet breken. Ik wil haar heel houden, en niet in de strijd gooien.

Ook andere dingen breek ik liever niet, en mensen al helemaal niet.Nochtans verbreek ik jaarlijks mijn record als het gaat om servies breken. Dat komt eerder door mijn onhandigheid dan door mijn agressie. Voor ik het weet, ligt er een kopje op de grond, of een bord, een bokaal, een soepterrine, een ovenschotel … je kan het zo gek niet bedenken of het ligt in scherven verspreid op de grond. Onze kat snuffelt er dan nog eens aan, bij wijze van laatste afscheidsgroet.

Iets anders dat ik veel, te veel, breek is mijn hoofd. Over zowat van alles breek ik mijn hoofd elke dag. Gelukkig heb ik een hard hoofd, dat blijkt ook uit röntgenfoto’s. Ik heb een ruime voorraad hoofdbrekens. Alledaagse en praktische dilemma’s, grote levenskeuzes en relationele kwesties, financiën en administratie, wetenschap, filosofie en diverse raadsels. Waar ik mijn hoofd echter absoluut niet over breek, is de actualiteit, wie waar op de parking van ons gebouw moet staan of een vraag die iemand mij daarnet stelde: “Zou je liever de rest van je leven elke dag verplicht friet moeten eten, óf de rest van je leven nooit meer friet mogen eten?”

Wat er ook van zij, ik hou mijn lans dus liever heel. Dat neemt niet weg dat ik voor veel opkom, maar dan zonder extra brokken te maken. Ik kom op voor mensen die telkens opnieuw moeten aantonen dat ze meetellen, en voor wie het tempo van de rest niet kan bijhouden. Voor een gesprek dat nog niet verzuurd is en voor vertrouwen dat nog aan het groeien is. Voor rust, voor aandacht, voor liefde en voor hoop. Daarvoor trek ik niet, als ridder in blik en ijzer, ten oorlog, maar zoek ik naar stevige verbinding.

Misschien ligt daar het onderscheid tussen strijden en streven. Strijd vraagt wat je bereid bent te breken. Streven vraagt wat je bereid bent heel te houden en te laten ontwikkelen. Wie dat wil, mag gerust een lans breken voor zijn streven. Ik houd de mijne liever heel.

Geef een reactie