Alleen met mijn wereld

Wat er in het midden gebeurt, stelt Wessel Broekhuis in zijn ‘Alleen met mijn wereld’, is net zo belangrijk als het begin of het einde. Daarom is het begin van zijn boek ook niet te spectaculair. Wat er verder ook van gezegd van moge worden, het hele boek heb ik van begin tot einde zonder veel irritatie uitgelezen. Misschien omdat Wessel precies zo eerlijk schrijft over zichzelf, zonder te zeuren dus.

Het begin is voor Wessel dan ook een statement. Met enige tegenzin vertelt hij over zichzelf. Veel liever schrijft hij over zijn leven, zijn obsessies, zijn ervaringen met mensen om hem heen en over zijn autisme. Over zichzelf lijkt er niet veel te zeggen. De 16-jarige Wessel uit Amsterdam houdt van Metal, kijkt Disneyfilms, heeft niet de energie en de behoefte om elke zaterdagavond uit te gaan en heeft autisme. En that’s it.

Een eerlijk beeld op de kindertijd

Geen concrete herinneringen aan zijn kindertijd hier. Ook al omdat Wessel eerlijk genoeg is om te zeggen dat hij ze niet heeft. En dat confronteert hem.

“Is er zo weinig overgebleven ? Of zijn sommige beelden en flarden van gedachten te pijnlijk ? Misschien ben je wel nergens als je niet ergens vandaan komt. Hoe was ik eigenlijk toen ?”

Hij lost dit creatief op door citaten uit het dagboek van zijn moeder of uit de verslagen van psychologen in te lassen en op basis daarvan te mijmeren. Handig als je een moeder hebt die een dagboek bijhoudt in je kindertijd. Iets minder leuk dat psychologen al van jongs af aan verslagen over je schrijven.

Bij de kleine Wessel komen angst, gedrag en motoriek als belangrijke moeilijke punten naar voor. Zo is hij als vijfjarige vooral angstig, bang voor het onverwachte. Zijn contact is vooral eenrichtingsverkeer, en de hele dag door struikelt hij. Bovendien is hij een ‘irritant wijsneusje’ van kinds af aan. Zelf voelt hij zich al van kindsbeen af een buitenstaander.

Een vlotgeschreven boek

In de daaropvolgende dertien korte hoofdstukken schrijft Broekhuis over zijn wereld. Over het verdwaald zijn, de obsessie en dwang, de kwellingen van het schoolleven, meisjes, liefde en seks, muziek en natuurlijk geluk.

Het wordt al snel duidelijk dat Wessel liever vertelt hoe gelukkig hij wel is. Hoe zijn leven behoorlijk dicht in de buurt van perfectie komt en hoe trots hij daarop is. Een gedurfde uitspraak.

Dat heeft wellicht ook te maken dat hij alle ruimte krijgt om op te gaan in zijn liefde voor het schrijven. En toegegeven, hij kan aardig schrijven. Dit boek is dan ook een aanrader. Zeker als je ’t vergelijkt met andere boeken van mensen met autisme.

Wessel schrijft niet zozeer om overtollige informatie uit zijn hoofd te krijgen. Hij noteert wat hij meemaakte om ervaringen te herbeleven, om zijn fantasie erop los te laten, om nieuwe personen te creëren aan de hand van deze informatie, die daarna door zijn hoofd bewegen.

Zowel schrijven van songteksten voor zijn metalband, schrijven van recensies van optredens als schrijven van zijn boek. Songteksten die soms meer vertellen over emoties, en in dit boek ook verwerkt zijn. Weliswaar in het Engels. Maar dat is wellicht eigen aan het genre ‘metal’.

Er moet telkens natuurlijk een reden zijn om te schrijven, benadrukt hij. Iets wat hem beïnvloedt. Iets waarover hij ervaringen heeft die hij kan delen om anderen gelukkiger te maken. Voor Wessel is dat iets wat hem al vanaf zijn geboorte onderscheidt van anderen – zijn autisme.

Spoedcursus autisme

Over hoe hij zijn autisme ziet, daar draait Wessel geen doekjes om. Vooreerst is hij natuurlijk niet de enige en echte autist. Ongeveer 35 miljoen mensen in de wereld is autistisch, dat is ongeveer 1%.

Wessel ziet ook tal van herkenningspunten in films & boeken over autisme. Zo herkent hij ondanks zijn Asperger (‘een soort autisme light’) veel trekjes van Raymond uit Rainman bij zichzelf.

“We zijn allebei regelmaatbehoevend, allebei snel verstoord en in paniek. En we kunnen beiden dwalen in ons eigen universum en deze dimensie vergeten: dwalen in de wereld, hulpeloos verloren raken. Allebei zouden we niet kunnen bestaan zonder hulp.”

Nog beter vergelijkingsmateriaal vind hij in Mark Haddon’s Het wonderlijke voorval met de hond in de nacht. Wessel vindt Christopher, de hoofdpersoon in dat boek, de perfecte autist, maar zal je dus niet gauw in het echt tegenkomen volgens hem.

Zo probeert hij zo goed en zo kwaad als het kan een spoedcursus ‘autisme voor dummies’ te geven.

Dat doet hij ook in de media, zoals in mijn geliefde talkshow De Wereld Draait door op het derde Nederlandse kanaal.

“Autisme, daar heb je verschillende soorten van. Het is een hele complexe gedragsstoornis. Ik omschrijf het als een halfvorm tussen een neurotypisch normaal mens en een Asperger. In het normale leven wordt ik gedwarsboomd door autistische kenmerken. Elke indruk is teveel. De wereld verplettert en verzwelgt me dagelijks. Prikkels komen heel erg hard binnen. Ik wordt snel moe, angstig, zenuwachtig, interpreteer informatie anders waardoor ik emoties moeilijk herken. Het heeft lang geduurd vooraleer ik een gesprek kon voeren, vrienden kon hebben, een vriendinnetje kon hebben.”

Wessel vindt het alvast een belediging dat autisme doorgeschoten mannelijkheid zou zijn. Ook dat autisten zouden denken als dieren of zelfs dierlijker zouden zijn dan andere mensen lijkt volgens hem niet echt te kloppen. Autisme is voor hem vooral extreem bestaan met een verhoogd bewustzijn. Afgestompt worden, overstuur raken door details, momenten van wanhoop ervaren.

“Alles komt ongelofelijk hard binnen. De wereld verzwelgt en verplettert, maakt enorme indruk. Een medemens die tegen me praat, die ik niet begrijp en onjuist interpreteer, die me verbaasd geëmotioneerd achterlaat. Een neonreclame met felle kleuren, die mijn netvlies tatoeëert met een blijvende vlek. Een onverwacht of hard geluid dat nog urenlang nagalmt en me aan alle kanten verdooft. De kou vloert over mijn hele lichaam en berooft me van alle levenslust.”

In een intermezzo beschrijft Wessel ook heel concrete situaties met herkenbare gevoelens. Zoals de eerste week school na een lange vakantie. Het ‘kennismakingsuitje’. “Mijn innerlijk voelde als een alleen gelaten, verdrinkende baby die niet om hulp kon schreeuwen of een einde kon maken aan zijn situatie”. Maar er zijn gelukkig ook nog klasgenotes die hem een voorzet geven om te vragen of hij eerder weg mag.

De invloed van de diagnose

In dit boek wordt al snel duidelijk hoe groot de invloed van alles is op het zijn.

Om te beginnen is er de invloed van de diagnose. Die diagnose kreeg hij op zijn vierde. Een belangrijke stap vooruit volgens hem. In de kindertijd vooral voor zijn ouders, maar later ook voor hemzelf.

Voor die diagnose kregen Wessels ouders immers allerlei dingen toegeworpen. Buitenstaanders, betweters en bemoeials hadden vaak het gevoel dat ze mee moesten opvoeden. Hun kind was voor de diagnose een nieuwetijdskind, een ontaarde, een oude geest, een candida-verslaafde, een gereïncarneerd oorlogsslachtoffer of gewoon een aansteller. Na de diagnose is dat gelukkig niet langer het geval, volgens Wessel. Op dat moment wordt hij vooral ‘een autist’, niet meer of min dan dat.

Autisme is een handicap

Het is voor Wessel ook duidelijk dat hij gehandicapt is. Zij het minder zichtbaar. Hoe hij dat ziet, beschrijft hij verbazend goed en positief.

Weinig boeken of teksten van mensen met autisme durven dit taboe van de handicap aan te gaan zonder dat ze ook de gaven & talenten durven bespreken. Wessel mag dan ook tevreden zijn hoe hij met zijn autisme omgaat. Hij verzwijgt zijn handicap niet. Ook niet in de pers.

“Trots haast. Waarom verzwijgen wat je bent. Als ik dat zou doen zou ik me dus altijd anders voor moeten doen dan ik ben. Je kan goed afkijken hoe mensen doen. Dan ben je aan het imiteren en kost dat veel meer energie en moeite dan jezelf te erkennen voor wat je bent. Als je jezelf erkent zoals je bent, kun je doen wat bij je past en jezelf zijn.

Zijn brein zit nu eenmaal in een rolstoel. En veel wegen in deze wereld zijn voor mensen met autisme even ontoegankelijk als rolstoelgebruikers. Alleen met dat verschil dat mensen met autisme kruipend omhoog moeten. En dat autisme meer is dan een verloren lichaamsfunctie maar het integraal deel uitmaakt van het bestaan.

Behalve dat autisme een aangeboren ernstige handicap is, en een normaal leven niet mogelijk is, kan het ook een gave zijn. “Theorieën over de aard van autisme interesseren me niet. Wat mij boeit is het leven met autisme,” schrijft hij. En dat is niet zo eenvoudig.

Meer dan andere autisten beseft hij dat het zonder ondersteuning niet kan, maar dat er tegelijk meer is in het leven dan die ondersteuning en ouders. Het is telkens de hand uitsteken, proberen, angsten verslaan en toch voelen : “het liefst blijf ik alleen met mijn wereld.”

School

Niet helemaal ontoevallig neemt de school een belangrijk deel in van het boek van Wessel Broekhuis. Wellicht heeft dat ook te maken met zijn leeftijd. Nochtans trapt Wessel niet in de val van oudere autisten die vooral schrijven rond werk om essentiële beperkingen op andere levensgebieden te camoufleren. Een enorme eerlijkheid siert hem wanneer hij over zijn schoolervaringen schrijft.

Zo gaat hij eerst naar het buitengewoon (‘speciaal’) onderwijs. Hij ziet ’t als een trap hoger om na een aantal jaar terug naar het gewone onderwijs te kunnen. Hoewel de zoektocht van mijn moeder naar een school die hem toelaat een ware calvarietocht lijkt. De pesterijen blijven natuurlijk niet achterwege, en leidt tot geschreeuw van woede, verdriet en onmacht.

Hij beschrijft hoe hij zijn autisme brengt voor de klas, in het lager onderwijs met een film (‘De zus van Einstein’) en op de middelbare school met een lezing over wat zijn klasgenoten over autisme moeten weten.

Wessel vertelt zijn klasgenoten dat hij het meest moeilijk heeft met contact leggen, met veranderingen, tussenuren en verrassingen en versterkte zintuigen. Hij vertelt dat autisten meestal een onderwerp hebben waar ze zich voor interesseren, waar ze eindeloos over verder kunnen praten.

Situaties waar hij op vastloopt zijn sport en foute details in schoolboeken die hij niet mag verbeteren. Over de gymles, wiskunde (bloed, zweet en tranen), en pesten schrijft hij uitgebreid en interessant.

Waar Wessel volgens zichzelf moeilijker over kan praten, zijn de vulkaanuitbarstingen die hij heeft, een uitbarsting met vernielzucht. Muziek helpt hem daarmee om te gaan. “Ik luister naar een hoop hondsbrutale bands. Ook die helpen me om de shit van alledag te verwerken en te vergeten.” Een andere manier om zich te bevrijden uit ellendige momenten blijft nog steeds zichzelf, iets of iemand pijn willen doen.

Het is een van de donkere kanten in dit boek. Nochtans probeert Wessel er zo goed mogelijk om te gaan. Verder probeert hij zichzelf te upgraden, sterker en beter te maken. Dat moet ook wel. “In dit gevang, dat ook eigenhandig tot paradijs om te vormen is, zal ik nog heel moeten vertoeven.”

Geen enkele verliefdheid is zo heftig als een belangstelling

De obsessieve belangstelling voor een bepaald onderwerp vind Wessel zeer eigen aan autisme. Hij beschrijft het autistisch brein dan ook als een enorme bibliotheek over één onderwerp, eindeloos gerangschikt, met een zaal en een podium waar over het onderwerp wordt opgetreden.

In Wessels geval is dat bij het schrijven van dit boek overduidelijk ‘Metal’, hij is er tot in de details door bezeten. Hij weet zelfs niet hoe het gekomen is. Het is een houvast, ondanks dat hij last heeft van ‘herrie’ buiten Metal.

Metal is iets lichtgevend, hij wordt er heel blij van en gaat er van gloeien, iets waar hij zich in kan verliezen. En wat is er voor Wessel beter om ’s ochtends uit de sloomheid te geraken dan Heavy Metal Thunder is my wake-up call ? Benieuwd of er ten huize Broekhuis oordopjes gebruikt worden.

Het is volgens hem ook het moeilijkste om over te schrijven, namelijk om het begrijpbaar en leesbaar te houden. Dat is te merken in zijn hoofdstuk over zijn obsessies. Maar hij beschrijft ook dat obsessies een poging zijn om met veranderingen om te gaan, om minstens toch een vast punt te hebben waar het chaotische bestaan om draait.

In elke levensperiode had Wessel een obsessie. In de peutertijd waren het ballen en ronde voorwerpen. Op de basisschool zijn het achtereenvolgens dieren, dinosauriërs en pokémon. In de vroege puberteit is hij bijzonder gek op fantasy, mythologie en geschiedenis. En in de middelbare school slaat de klok Metal.

Geen enkele verliefdheid is ooit zo heftig geweest als een belangstelling, voegt hij eraan toe. En ‘ik kan er niet tegen dat mensen commentaar leveren op mijn obsessie’. Volgens zijn moeder raakt hij bij een ‘gesprek’ over zijn obsessie – voor zover dat mogelijk is – in trance, intens, afgezonderd. Het verlangen brandt dan om erover te blijven praten, om kennis uit te storten, zonder dat er iemand tussen mag komen. Helaas zijn er weinig gewillige luisteraars, besluit hij.

Mettertijd heeft Wessel leren omgaan met obsessies. Eerst en vooral door zijn obsessie voor Metal niet de manier hoe hij eruit ziet te laten bepalen. Voorts door te beseffen dat hij niet alle muziek die hij wil kan betalen, dus dat downloaden ook kan, hoewel het tegen zijn principes is. En hij weet zich, moeilijk maar net, te troosten dat hij niet naar elk concert kan. Overigens weet hij dat elke obsessie overgaat in een andere, zonder dat hij die kiest, zoals een verliefdheid aangewaaid.

Leven is een op en af van fobieën

Net als obsessie neemt dwang een belangrijk deel in van het leven met autisme. Meer nog: dwang en angst horen bij het leven zoals ademen. Ooit hoopt Wessel er met zijn doorzettingsvermogen en zelfverzekerdheid een einde aan te kunnen maken.

Voorlopig bepaalt ’t in sterke mate zijn leven. Steeds maar controleren en vrees dat er iets zit waar het niet thuishoort. Het systeem, het verlangen naar orde en indeling en de angst die door onregelmatigheid veroorzaakt wordt. Wessel noemt zichzelf “slaaf van de dwang”.

Zoals obsessies komt en gaat dwang zonder dat men ervoor kiest. Zo schrijft Wessel dat hij moment van schrijven een vervelende dwangmatige fobie voor water heeft. In dit geval is er een dwang om grondig alles af te drogen, zodat er geen druppel overblijft. Vermits er overal elektriciteit is, kan elke druppel immers de dood betekenen. En dan is er nog zijn dwang om alles herhaaldelijk te vragen. Of om veel te vaak sorry te zeggen. Om nog maar te zwijgen over de idee dat kleding zijn gedachten beknelt. Of de gehechtheid aan zijn lange haar en de verzorging ervan.

Rationeel geraakt hij niet over die fobie heen. Maar om het half jaar gaat elke fobie over in een andere fobie. Zo vertelt hij in De Wereld Draait door over een nieuwe fobie, geen geld kunnen uitgeven, of wordt hij geblokkeerd, gaat hij trillen bij het overwegen van een uitgave.

De stroom van gezelschap

Zoals de meeste autisten, valt het Wessel op dat er gewoonweg te veel mensen zijn om ze te negeren, hoewel hij zich best ook prima alleen kan vermaken. In een massa voelt hij zich alvast niet goed en stelt zich ook best interessante vragen.

“Ben ik nou de enige die om zich heen kijkt ? De rest loopt door, met een georganiseerde willekeur. Ze gunnen elkaar geen enkele blik. Ze lopen door, ieder met een eigen plan, ieder met een eigen uiterlijk, een eigen leven, een eigen wereld. Maar toch vormen ze een geheel. Ze lopen door.”

Als mensen meerdere gezichten van zichzelf laten zien krijgt Wessel het moeilijk. Zoals wanneer zijn moeder emotioneel of boos wordt. Of een leraar eerst onaardig en dan vriendelijk probeert te doen. Ze zijn ondoorgrondelijk, de mensen, ook ouders. “Mijn liefde voor mijn ouders is niet te bevatten. Ik kan duizend woorden zeggen, ze zullen allemaal dezelfde betekenis meedragen, maar geen ervan zal goed genoeg zijn.”

Ouders, vrienden en anonieme autisten

Behalve ouders zijn er ook vrienden in het leven van Wessel. Tenminste, dat schrijft hij toch. Hij kan ook niet altijd meedoen. Soms is hij eenvoudigweg te moe en moet alleen zijn. Vrienden zijn mensen die dezelfde dingen leuk vinden. Vrienden houden, dat is moeilijk. Dat heeft volgens Wessel deels te maken aan moeilijk kunnen aanvoelen van iemands stemming, ook van die vrienden. Het heeft ook lang geduurd vooraleer hij besefte dat de meeste mensen meerdere vrienden hebben. Terwijl hij lange tijd niet meer dan één vriend hoefde.

Die vriend trok lang met hem op, tot de middelbare school veranderingen teweeg bracht en de vriendschap verwaterde. “Met de uiterlijke veranderingen leek ook iets in zijn innerlijk geroerd te hebben. Ik had gehoopt dat verschillen niet zouden uitmaken in de wereld die wij deelden, maar helaas deden ze dat wel. Een vriend hoort niet te zeggen “Dat begrijp jij toch niet, want je bent een loser.”

Maar Wessel vond uiteindelijk nieuwe vrienden. Zoals zijn band, mensen die zijn interesses delen. De teksten lijken persoonlijk over hem te gaan. Hoewel hij niet kan tegen massa’s, kan hij wel tegen een massa van Metalfans.

Een derde groep mensen die Wessel ontmoet zijn de Anonieme Autisten. Een praat – en doegroepje met een psychologe als moderator. Daar maakt hij van alles mee en leert mensen kennen die een andere obsessie hebben, zoals schrijven van teksten die niet waar zijn. Niettemin ervoer hij al snel gebrek aan structuur én dat deskundigheid van psychologen ook fel overdreven kan worden.

Meisjes, liefde en seks

Natuurlijk zijn ik en andere autisten niet anders dan normale pubers. Meisjes zijn ook voor ons heel belangrijk. Ze zijn de godinnen van de tienerwereld. Het is een geloof. Op deze leeftijd draait ons hele bestaan om het andere geslacht.

In zijn hoofdstuk over hoe hij liefde beleeft, begint Wessel met verliefdheid, omgaan met schoonheid van meisjes, het aanmaken en zijn eerste en enige relatie tot nog toe die hij in geuren en kleuren beschrijft. Verliefdheid roept duidelijk heel heftige emoties los, en beangstigt vaak ook. Zozeer dat Wessel blij was dat hij er een punt achter zette.

Steeds blijft er immers het autisme : “Ze wilde me het liefst elke dag zien. Ik kon dat niet. Met wie ik ook ben, wat voor soort relatie ik ook met die persoon heb, ik zal altijd ook vaak alleen willen zijn. Dat moet gewoon, anders red ik het niet in deze wereld. (…) Het was heel vreemd om opeens zo intiem met iemand anders om te gaan, mijn dagelijks bestaan zo met iemand anders te delen. Elke keer weer stond mijn wereld, mijn hoofd op zijn kop.”

Wessel schrijft steeds met de nodige schroom over deze en andere elementen van liefde. En dat is te waarderen. Zeker als hij schrijft over ‘het uitwisselen van lichaamssappen’ is dat bijzonder. Een seksscène van jezelf beschrijven … ik zie ’t mezelf nog niet meteen doen.

Spelen in een band

Het zou een mooie opdracht kunnen zijn in een workshop sociale vaardigheden: leer in een metalband spelen. Het vergt heel wat. Samenwerken. Samen creëren. Met andere mensen bezig zijn. Omgaan met de toekomst van een project. Optreden voor een publiek. Dat zorgt voor de nodige stress maar toch levert ’t ook plezier op, van nieuwe waardering, succes en het gedaan hebben. Wessel beschrijft ’t zeer beeldend. Maar liefst twee hoofdstukken schrijft hij over Crush, zijn band, en het parcours dat ze hebben afgelegd de afgelopen jaren.

Gouden dagen

Er zijn mensen met autisme voor wie elke dag een hel is en ze zeggen dat ook.

In dit boek komt dat zelden voor, hoewel Wessel ook toegeeft dat autisme vaak ‘cut’ is. Niettemin is hij ervan overtuigd dat hij goed bezig is. “Ik kom steeds dichter bij mijn echte ik, bij wat ik echt wil zijn, zou moeten zijn. Vaak voel ik me alsof de Apocalyps is aangebroken. Keer op keer overwin ik die momenten. Ik word sterker, niet zwakker. De tijd van onzekerheid is over.”

Zo nu en dan komt er voor Wessel een dag langs die helemaal perfect is. Een dag waarop hij zo gelukkig is dat hij begint te huilen. Tenminste, vroeger meer dan nu. Hij heeft ingezien dat wat hij wil bewaren voor altijd voort leeft in hem. En het herleeft wanneer hij maar wil.

Tot slot : Dromen mag. Altijd.

Zoals veel andere autisten heeft Wessel natuurlijk kritiek op onze samenleving.

“Meer, meer. Mensen willen altijd meer. De vloek van ons bestaan. Nooit zijn we tevreden, we willen steeds meer – iets nieuws bovenop wat we al bezitten. En hebben we dat, dan zijn we nog niet tevreden. Bevrediging is de dood van verlangen. Echt niet ! Dat gelukkige gevoel duurt maar even. Dan wil je weer er. En nieuws: nieuwe smaken, nieuwe uitdagingen. Ik heb een besluit genomen. Steeds als ik deze drang voel, denk ik terug aan wat ik al heb en daar word ik blij van.

Verder staat hij erg nuchter tegenover de toekomst. Zijn hoofddoel is onder meer de school goed doorkomen en verder schrijven. En af en toe wat dromen, van gaan studeren (Psychologie of Journalistiek). En nog eens een leuk meisje ontmoeten. Dromen mag. Altijd.

Wessel Broekhuis, Alleen met mijn wereld. Uitgeverij Nieuwezijds (2010), 157 p.


5 Comments »

  1. Tsja, weer zo iemand die allerlei uitspraken doet over autisme die wellicht voor hem opgaan, maar zeker niet voor iedereen…

    Zoals bijvoorbeeld “Natuurlijk zijn ik en andere autisten niet anders dan normale pubers. Meisjes zijn ook voor ons heel belangrijk. Ze zijn de godinnen van de tienerwereld. Het is een geloof. Op deze leeftijd draait ons hele bestaan om het andere geslacht.” Ik heb dat nooit zo ervaren. Die hele manier waarop pubers (en mensen in het algemeen) zich met elkaar bezighouden en daar kennelijk veel waarde aan hechten is voor mij bijzonder verbazingwekkend.

    Of “Ook dat autisten zouden denken als dieren of zelfs dierlijker zouden zijn dan andere mensen lijkt volgens hem niet echt te kloppen.” Dit is iets dat ‘Aspergers’ vaak tegenspreken (afkomstig uit ‘Animals in translation’ door Temple Grandin), maar voor mij beslist op gaat. Het gaat dan vooral over hoe bepaalde details (die anderen niet eens zíen) een zodanig onverwachte en dus beangstigende weergave van de leefwereld kunnen geven dat vluchten de eerste reactie is die opkomt. Daar valt uieindelijk mee te leven, door constant het beeld van ‘hoe het hoort te zijn’ voor ogen te houden, maar dat is dodelijk vermoeiend.

    Like

    • Het is niet voor niets een autobiografie natuurlijk, geen academische verhandeling rond autisme. Evenmin als deze blog dat is. Maar dat is wellicht iets typisch autistisch, dat ik ook wel bij mezelf herken, niets minder dan voor waarheid gaan.

      Zelf heb ik op zestien en zelfs op dertig jaar ook niet ervaren dat meisjes zo centraal stonden. Pas een paar jaar terug waren ze er plots (als vrouw dan), en dan ging het ook wel heel snel.
      De schrijver heeft ook nog geen liefje, dus ik vermoed dat ’t wel typisch is dat hij er in die termen over schrijft, meisjes zijn ‘godinnen’ in de zin van ‘ik ben er gefascineerd door maar ze staan ver van mij’.
      Ik zat in een meisjesklas (26 meisjes tegenover 2 jongens) dus het was nogal moeilijk me niet ermee bezig te houden :).

      Wat Temple Grandin schrijft, is ook wat gissen vind ik. Ik heb haar boek gelezen maar vind het sterk om zo te theoretiseren over wat dieren zouden denken. Ik heb al moeite dat dieren überhaupt ‘denken’. Wellicht bedoelt Wessel Broekhuis hier vooral dat hij niet wil vergeleken worden met een koe of een rund : ) Maar wat Grandin zegt in haar boek over details en angst kan ik natuurlijk wel heel goed volgen, alleen voel ik me vooral een mens.

      Like

  2. Bedankt voor de recensie. Lijkt mij een boek dat ik in één adem uit kan lezen. Ik ben meteen naar de website van de bieb gegaan om het boek te reserveren, maar ze hebben hem nog niet…. Toen heb ik het boek maar getipt om aan te schaffen. Hopelijk duurt dat niet te lang…

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s