Van Rain Man tot Mozart … en terug?

Onlangs was er in Leuven de 2de editie van On the Move, het DisABILITY Filmfestival. Je kon er gaan kijken naar vijf films waarin mensen met een handicap een prominente rol spelen. GRIP programmeerde op de slotdag Hasta La Vista. Maar de grootste verrassing op de affiche was wellicht Mary and Max, een animatieprent met als thema autisme.

Tussen ergernis en erkenning

Films spelen een belangrijke rol in onze beeldvorming. Ook in ons beeld over (personen met een) handicap. Zo kennen veel mensen de handicap van een ander vaak alleen uit een of andere (Amerikaanse) film.

Of ze herkennen zichzelf in personages met een handicap in een of andere film – of net niet. Of ze spreken erover met elkaar. Met een gevoel van ergernis of irritatie … of net een gevoel van erkenning.

Soms komen mensen ook tot een (vermoeden van) diagnose op basis van een film, herkennen ze symptomen en gaan ze op zoek.

Op de laatste rij van de lokale bioscoop

De eerste film die ik zag over autisme was de roadmovie  Rain Man. Twee jaar na datum, op de laatste rij van de lokale bioscoop. Met een vriendinnetje van de middelbare school.

Zij ging wellicht vooral voor de mooie ogen van Tom Cruise. Ik ging voor de film. Waar ik helemaal ondersteboven van was, en veel herkende. En stiekem wenste zelf ook razendsnel kaarten en tandenstokers te kunnen tellen. Het is er helaas (nog) niet van gekomen.

Drie à vier films over autisme per jaar sinds ’88

In de afgelopen tien jaar zijn er heel wat films met autisme als thema gemaakt. Of dat lijkt toch zo. Sommige mensen met autisme beweren immers dat er nog geen één film echt over autisme gaat of er een realistisch beeld over geeft.

In 1988 kwam Rain Man uit. Sindsdien worden er elk jaar ongeveer drie à vier films gemaakt over autisme. Later zag ik bijvoorbeeld Mercury Rising (1998), Mozart and the Whale (2006), Snowcake (2006), Ben X (2007), Adam (2009), Mary & Max (2009) en Temple Grandin (2010). Intussen heb ik ook een vaste relatie.

Een gesprek met een film – en televisiewetenschapper (met autisme)

Hoe een handicap in een film wordt voorgesteld, zegt volgens mij veel over hoe de samenleving naar die handicap kijkt. En veel mensen leren over wat ze niet kennen hoofdzakelijk uit culturele uitingen zoals films. Eerder dan door persoonlijke ontmoetingen of wetenschappelijke studies. Maar hoe die beeldvorming wetenschappelijk bestudeerd wordt, interesseert mij mateloos.

Vandaar was ik ook verheugd toen GRIP mij uitnodigde om een gesprek te voeren met Nederlandse film – en televisiewetenschapper Anne van de Beek. Anne heeft een Master gevolgd aan de Universiteit van Utrecht.

Ze maakte haar scriptie over De representatie en stereotypering van autisme in films van 1988 tot 2010   aan de hand van een analyse van vier films van de afgelopen twintig jaar. Op een zonnige dinsdag treinde ik dus naar het verre Utrecht voor een gesprek.

Welke invloed autisme had op de opleiding

Al van kindsbeen af wilde Anne graag iets met televisie en film doen. En in haar vrije tijd keek ze graag televisie en film. Regisseur of producent worden zag ze niet echt zitten. Daarvoor vond ze zich veel te verlegen. Toen ging ze op zoek naar een meer theoretische opleiding.

Maar een wetenschappelijke, theoretische opleiding leek haar wel wat. In een tijdschrift zag ze een interview met iemand die film – en televisiewetenschap deed. Na wat opzoekwerk over wat dat inhield, was de keuze gemaakt.

Uiteindelijk liep dat ook niet helemaal van een leien dakje. “In de studie waren er ook praktijk vakken. Ik moest in drie maand twee filmpjes maken. Dat ging niet zo goed bij mij omdat er veel moest samengewerkt worden. Een film maak je immers niet alleen maar met z’n allen. Dat ging minder goed.”

Anne heeft intussen zelf een diagnose autisme. Bij de keuze van haar opleiding heeft autisme alvast geen rol gespeeld volgens haar. Wel bij het schrijven van de scriptie.

“Ik ben volhardend en koos voor dit thema. Ondanks dat mijn begeleider mij liever een andere kant op had zien gaan.” Ook bij de uitwerking van het thema had ze oog waar anderen aan voorbij gingen. “Ik dacht na over dingen zoals woordkeus (‘mensen met autisme’ in plaats van ‘autisten’, wat eerder een scheldwoord is) en de verschillende diagnoses en welke rol die wel (of niet) spelen binnen het spectrum.”

Cultural en disability studies als vertrekpunt

In haar scriptie werkt Anne Van de Beek vanuit de ‘cultural studies‘ en ‘disability studies’.

Binnen deze twee domeinen wordt handicap vooral gezien als een probleem van de maatschappij eerder dan van het individu. Een persoon met autisme zou geen problemen hebben als hij/zij niet in contact zou komen met anderen. De handicap als gevolg van autisme wordt gezien als een ‘sociaal-maatschappelijk’ construct. Schaduwzijde van deze visie is dat de eigenheid van iemand met autisme maar beperkt erkend wordt. Dit idee staat in boeken beschreven onder de titel ‘sociale denkmodellen over handicap’.

Daartegenover staat de idee dat het ‘defect’ autisme vooral in de persoon met autisme zelf ligt, én dat er een evolutie naar ‘normaal gedrag’ moet zijn. In het extreme zelfs genezing of ontstoring. Wie zich niet kan aanpassen, is een buitenstaander. Deze ‘individuele denkmodellen’ vormen de dominante maatschappelijke visie tegenover mensen met autisme. Ook in films overheerst dit idee. Het is bovenal een natuurlijke reactie, in functie van overleven.

Autisme voorgesteld als een vorm van anders-zijn

Binnen de scriptie doet Van de Beek aan discoursanalyse. Ze onderzoekt hoe we film als taal gebruiken om gedachten en gevoelens over te brengen. Daarin zijn de voorstelling van ‘anders zijn’ en ‘verschil’ belangrijke elementen.

In de media is autisme vaak voorgesteld als een vorm van anders-zijn. Mensen met autisme lijken buiten de wereld te leven. Of in hun eigen wereld. Afgescheiden van de omgeving, of de normale wereld.

De voorstelling van dat ‘anders-zijn’ is onvermijdelijk maar het stuurt ook negatieve gevoelens naar mensen met autisme. En het is een beeld van een meerderheid over een minderheid.

De manier hoe autisme in films wordt voorgesteld

In films wordt autisme op verschillende gerepresenteerd. Door veralgemening bijvoorbeeld: de veronderstelling dat bepaalde kenmerken vanzelfsprekend bij autisme horen.

Door onderscheidende eigenschappen ook: personages met autisme hebben kenmerken die ver afstaan van een typische situatie. En autisme wordt gebruikt om het verhaal te drijven: zonder het aspect autisme zou er van sommige films nog weinig overblijven.

Mensen met autisme als overwegend negatief gestereotypeerde groep

Als de voorstelling van ‘wij’ (normale mensen) en ‘zij’ (mensen met een andere denkstijl of gedrag) verstarren, niet veranderen, is dat stereotypering.

Het is een vereenvoudiging tot één of twee kenmerken van autisme (‘in zichzelf gekeerd’, ‘sociaal onaangepast’, ‘niet voor zichzelf kunnen zorgen’, ‘slecht praten’). Alle mensen met autisme zouden die kenmerken dan moeten hebben. Of ze behoren niet echt tot die groep. In films zijn autistische personages dan ook zelden volledige mensen. Geen individu meer maar een deel van een abstracte groep.

De bedoeling van zo’n stereotype is duidelijk grenzen te stellen tussen wie autistisch is en wie niet, wat aanvaardbaar is en wat niet. Om aan te geven wie de insiders (‘gewone mensen’) en de buitenstaanders (‘mensen die anders zijn’) zijn. Om te overleven en orde te houden in het samen leven.

Mensen met autisme zijn één van die groepen die negatief gestereotypeerd worden en weinig mogelijkheden hebben om dat tegen te spreken. In geen enkele film over autisme, hoe vooruitstrevend ook, is er bijvoorbeeld een regisseur of acteur of cameraman of licht – of klankman of zelfs maar make-up-artiest met autisme. Het zijn steeds ‘neurotypicals’ die het voorbeeld geven hoe mensen met autisme behandeld zouden moeten worden. In zeldzame gevallen zijn mensen met autisme adviserend, en dan veelal nog vertegenwoordigd door ‘expertisecentra’ of ouderverenigingen.

Stereotypes in verband met autisme: supercrip, overcoming, savant

Anne focust in haar scriptie vooral op stereotypes in vier films die de afgelopen twintig jaar zijn verschenen maar elk op zich een belangrijke plaats innemen.

Films zijn een afbeelding van onze samenleving. De stereotypes die erin voorkomen, komen dus ook vaak voor in de samenleving. Ze komen behalve in de film dus ook regelmatig voor in andere media en zijn een weergave van wat mensen denken. Een stereotype dat vaak voorkomt is gelinkt aan intelligentie, en dan vooral als savantisme.

Anne verwoordt het zo: “Intelligentie is een stereotype dat in de media vaak gelinkt wordt aan autisme. Iemand met autisme is bovennatuurlijk slim of zwakbegaafd. Iets ertussenin lijkt er niet te zijn. Verder lijkt er ook een tendens te zijn dat, vooral in films, iemand zijn handicap moet overwinnen. Dat kan in het echte leven tot teleurstellingen leiden.”

Het stereotype dat het meest voorkomt in films is volgens haar de ‘supercrip’. Die wordt steeds normaler en overwint aan het einde de beperkingen. De supercrip is de ‘genezen autist’ of de savant. Daarnaast komt ook de term ‘overcoming’ vaak voor in de scriptie. Overcoming wil zeggen dat het personage met autisme zijn beperkingen ‘overwint’ en steeds meer ‘normaal’ wordt.

Vier films die iets kunnen zeggen over de beeldvorming van autisme

Anne koos vier films die volgens haar iets kunnen zeggen over de beeldvorming van autisme.

Ze koos daarvoor Rain Man (1988) met Tom Cruise en Dustin Hoffman, What’s Eating Gilbert Grape (1993) met Leonardo DiCaprio en Johnny Depp, Mercury Rising (1998) met Bruce Willis en Mozart and the Whale (2005) met eerder onbekende acteurs.

Deze films zijn ongeveer een gelijk aantal jaar na elkaar gemaakt. Dat maakte het mogelijk iets te zeggen over de verandering over een periode van tien jaar.

Rain Man: mijlpaal en beginpunt


De meeste lijstjes met films over autisme beginnen met Rain Man. Een mijlpaal en het beginpunt van hoe autisme in films wordt voorgesteld.

“Kijkers hadden met deze film de indruk dat ze voor het eerst inzicht kregen in de stoornis. Voor Rain Man bestond kennis over autisme vooral onder medische en onderwijskundige specialisten”, schrijft Anne van de Beek in haar scriptie.

In de film komt Charlie (Tom Cruise) erachter dat hij een autistische broer Raymond (Dustin Hoffman) heeft die in een instelling verblijft. Als blijkt dat deze broer veel geld erft van hun vader, ontvoert Charlie hem om het geld voor zichzelf te krijgen. Ze maken een ‘road trip’ naar Las Vegas. Uiteindelijk gaat Raymond terug naar zijn gesloten verblijf.

Raymond als typische autist maar eigenlijk savant

Hoe Raymond is, praat, zich beweegt, eet – … het zijn in de loop der jaren ‘typische eigenschappen’ geworden voor ‘de autist’. Rain Man heeft dus impact gehad. De meeste mensen vinden het zelfs geen ‘echt’ autisme als het er niet op lijkt. De Rain Man-autist is een standaard geworden om te onderscheiden van ‘normale’ mensen.

Autisme wordt in Rain Man gekoppeld aan het hebben van een bepaald intelligentieprofiel. Raymond is een savant. Dat wil zeggen dat hij op bepaalde gebieden zeer intelligent is, maar op andere zwakbegaafd. In de film lijkt het of alle autisten hetzelfde zijn als Raymond. En dus ook savant zijn. Niet toevallig hebben de meeste boeken geschreven door mensen met autisme veel savanteske kenmerken of zijn ze geschreven door mensen met een savant syndroom, zoals Daniël Tammet en Temple Grandin.

Savantisme en kledij als stereotypes

Savantisme is een van de stereotypes die door de film Rain Man geïntroduceerd zijn en blijven meegaan, vermeldt de scriptie.

Het stereotype wordt in de film Rain Man nog eens extra in de verf gezet door er een deskundige bij te halen. “Door een expert (dokter) te laten spreken, ontstaat het idee dat savantisme vanzelfsprekend bij autisme hoort” staat te lezen in de scriptie.

Daarnaast wordt Raymond gestereotypeerd volgens uiterlijke kenmerken. Hij heeft steeds bepaalde voorwerpen bij zich. En hij draagt een te korte broek. Dat komt ook in films voor waar een verstandelijke handicap in beeld moet worden gebracht. Denk bijvoorbeeld ook aan Forrest Gump. De manier van praten en de kledij (een te korte broek) is trouwens vaak de enige manier om aan te duiden: hier gaat het om iemand met verstandelijke beperkingen. Die zijn moeilijk op een andere manier duidelijk in beeld te brengen.

Charlie als normale broer, een voorbeeld van ‘othering’

Naast Raymond, de persoon met autisme, wordt een schijnbaar normaal personage geplaatst, Charlie, de jongere broer. De eigenschappen van Charlie worden in onze maatschappij beter gewaardeerd dan die van Raymond (een goede sociale vaardigheid bijvoorbeeld). Dat is een voorbeeld van ‘othering’.

In haar scriptie gebruikt Anne Van de Beek ook vaak de term ‘otherness’. Een moeilijke term om uit te leggen. ‘Zichtbaar maken van het anders-zijn’ komt er misschien nog het dichtste bij.

Anne legt de noodzaak uit van ‘otherness’ in een film waarin autisme als thema voorkomt: “Wij zien autisme in termen van de vermeende verschillen tussen iemand met autisme en een zogenaamd doorsnee mens. In een film wordt dit benadrukt. Het verschil tussen een autistisch en niet-autistisch personage moet zichtbaar zijn. Kijkers zouden niet weten dat er een autistische figuur in de film zat als er geen zichtbaar verschil werd gemaakt tussen ‘normaal’ en autistisch.”

Een spiegel van wat op dat moment opvatting was over autisme

Autisme wordt in Rain Man voorgesteld als een biologisch verschil en een probleem dat opgelost moet worden. Toch wordt het autisme in de instelling zelf gezien als een vaststaand feit en een sociaal construct. De betekenis van de stoornis hangt dus af van de context.

De stereotypes in Rain Man zijn een spiegel van wat op dat moment de opvatting was over autisme. Aan de andere kant schept de film ook een eigen wereld, die weer doorgezet kan worden in de films die in de jaren daarna worden gemaakt.

What’s Eating Gilbert Grape: een buitenbeentje


What’s eating Gilbert Grape lijkt een buitenbeentje vergeleken met Rain Man, Mercury Rising en Mozart and the Whale. Voor wie de film bekijkt is het zelfs niet duidelijk of Arnie, het personage met autisme, wel autistisch is. In de film wordt het alvast niet zo vermeld. Nadien heeft de film wel deze stempel gekregen. Ook de filmstijl wijkt wat af van de andere films.

In What’s Eating Gilbert Grape zorgt Gilbert (Johnny Depp) voor zijn Arnie (Leonardo DiCaprio), zijn broertje met een handicap. Zijn moeder is morbide obees na jaren van depressie door de zelfmoord van haar man. Als Gilbert verliefd wordt, lijkt zijn familie hem in de weg te staan en gaat er van alles mis. De zorg van Gilbert voor Arnie blijft noodzakelijk. Ook al staat het de ontwikkeling en liefdesrelatie van Gilbert af en toe flink in de weg.

De autist als zwakbegaafde met echolalie

Ook in What’s Eating Gilbert Grape wordt autisme verbonden met zwakbegaafdheid en echolalie (vormen van napraten). Ook hier is er een normaal personage (Gilbert) dat tegenover een emotieloos personage met autisme (Arnie) wordt gezet. Het personage van Arnie is hier haast een metafoor voor de situatie van Gilbert en maakt geen ontwikkeling door.

Ook allerlei uiterlijke kenmerken maken duidelijk dat Arnie anders is. De vieze mond van Arnie is bijvoorbeeld te vergelijken met de te korte broek van Raymond. Beide kenmerken willen duidelijk maken dat mensen met autisme niet goed voor zichzelf kunnen zorgen.

Het onschuldige gehandicapte kind

Ondanks een schijnbaar ernstige handicap, blijkt Arnie geen voortdurende medische zorg nodig te hebben. Het lijkt dus of hij volwaardig deel uitmaakt van de samenleving. Arnie hoeft van zijn omgeving ook niet te veranderen richting ‘normaal gedrag’. Voor zijn familie is hij goed zoals hij is. Dit is volgens Anne een verschil met Raymond in Rain Man die wel zijn handicap moet overwinnen. Er is hier dus geen ‘overcomingscenario’, een scenario waarbij het personage van zijn autisme moet genezen.

Anderzijds wordt duidelijk gemaakt dat Arnie nooit voor zichzelf zal kunnen zorgen. Zijn handicap is ook te abnormaal om ooit in de normale maatschappij te kunnen functioneren. Die handicap wordt ook beschouwd als een obstakel die zijn broer Gilbert tegenhoudt in zijn ontwikkeling, en om gelukkig te worden in een liefdesrelatie. Arnie houdt Gilbert dus tegen, hij kan niet zomaar doen wat hij wil.

De grootste ontwikkeling in What’s Eating Gilbert Grape tegenover Rain Man is volgens Anne van de Beek dat Arnie niet hoeft te verbeteren. Maar Arnie vervult wel het stereotype van het onschuldige gehandicapte kind (‘pitiable poster child’) dat medelijden wekt bij het publiek. Een stereotype dat ook elders vaak voorkomt.

Mercury Rising: terug naar Rain Man?


In de derde film, Mercury Rising, kraakt een autistisch jongentje (Simon) een belangrijke overheidscode. Hierdoor brengt hij zichzelf en zijn omgeving in gevaar.

De ouders van Simon worden immers vermoord en op Simon wordt gejaagd. Undercover Agent Art (Bruce Willis) neemt Simon onder zijn hoede. Hij behoedt hem voor de moordenaars maar leert ook met zijn autisme om te gaan. Een zware taak voor ‘Die Hard’ Bruce.

Autisme als het extreme anders-zijn: aliën, robot en computer

Ook in Mercury Rising lijkt het of mensen met autisme alleen zwakbegaafd of savant kunnen zijn. Simon is niet alleen savant. Hij wordt ook neergezet als alien, in de film een manier om het ‘extreme anders-zijn’ aan te tonen.

Simon praat ook als een robot en denkt als een computer. Dat blijkt niet enkel uit de computergeluiden op de achtergrond. Simon spreekt ook monotoon en echolalisch. En hij maakt berekeningen als een computer.

Overcoming: het overwinnen of verbergen van je handicap

In Mercury Rising wordt gesuggereerd dat de handicap en het autisme een uitdaging is waar je overheen moet komen of dat je uitzonderlijke eigenschappen moet hebben om je handicap te kunnen verbergen. Het medische individuele denkmodel rond handicap speelt hier volop.

Mercury Rising zet de traditie voort die Rain Man introduceerde. Een aantal vastgeraakte patronen keren terug. Zoals de rol van de beschermer (het personage Art), de intelligentie van Simon en de manier van praten van Simon. Op het einde van de film stijgt Simon boven zijn handicap uit (en knuffelt zijn beschermer).

Simon als Supercrip

Maar in de eerste plaats is Simon een ‘supercrip’ omdat hij zijn intelligentie kan inzetten om zichzelf te redden. Hij is net als Arnie ook een onschuldig gehandicapt kind van op de posters en wordt ingezet om sympathie te winnen bij de kijker.

Mozart and the Whale: zoals ze zich echt voelen


Een vierde en laatste film die Anne koos, was Mozart and the Whale. Daarin krijgen twee volwassenen met autisme een relatie met elkaar. Ze leren elkaar kennen in een kleine zelfhulpgroep die Donald, het ene hoofdpersonage, modereert. Isabelle, de vrouw met autisme, wordt naar de groep verwezen door haar therapeut.

Met Halloween besluiten ze met elkaar te daten. Ze gaan samen naar een feestje, verkleed zoals ze zich echt voelen: Donald als een Walvis en Isabelle als Mozart. Daar klikt het. Ze lijken perfect bij elkaar te passen maar hebben veel moeite om elkaar te begrijpen.

Na een tijdje gaan ze samenwonen. Dan loopt het mis. Als Donalds werkgever op bezoek komt, doet Isabelle heel raar omdat ze zichzelf wil blijven. Daarop verbreekt ze de relatie.

Na een tijd zoeken ze elkaar weer op. Isabelle wil vriendschap, maar Donald begrijpt het niet en vraagt haar ten huwelijk. Daarop probeert Isabelle zelfmoord te plegen. Op het einde van de film blijken ze toch getrouwd.

De film die het meest ingaat tegen het stereotypisch beeld

Van de vier films heeft Mozart and the Whale volgens Anne relatief weinig stereotypes. Anders dan critici beweren, schrijft Anne dat de film ingaat tegen het stereotypisch beeld van mensen met autisme.

“In Mozart and the Whale is er geen personage dat tegenover de autistische personages staat om de ‘normale’ situatie aan te geven. Zoals dat in andere films wel is. De personages kunnen ook een relatief normaal gesprek voeren. Donald en Isabelle komen meer in de buurt van autistische mensen die ik in mijn omgeving tegenkom. Meer dan personages als Raymond uit Rain Man en Simon uit Mercury Rising,” zegt ze met overtuiging.

Verder vind ze een goed argument in de plaats die toebedeeld wordt aan de liefdesrelatie tussen Donald en Isabelle. In andere films met thema autisme is het haast ondenkbaar dat mensen met autisme liefde, laat staan een liefdesrelatie kunnen ervaren. In deze film kunnen ze voor zichzelf en zelfs een beetje voor elkaar zorgen, hoe moeilijk dat ook gaat.

De autistische personages in Mozart and the Whale maken daarnaast ook een ontwikkeling mee. Ze staan niet stil of zijn geen metafoor. En ze zijn ook niet de enige autisten in de film.

Toch blijven Donald en Isabelle uiteindelijk toch ‘others’, buiten de wereld staan. Dat blijkt omdat hun vrienden uit een lotgenotengroep komen en hun familie niet getoond wordt. Ze leven dus niet in de ‘gewone wereld’. En Donald heeft wel werk, maar wordt ontslagen. Ook de niet-wederkerige gespreksvoering tussen hen valt op.

Cijferobsessie, kleding en hysterie

In Mozart and the Whale wordt ook gebruik gemaakt van beeld en geluid om autisme visueel te maken.

Donald ziet bijvoorbeeld een wegenkaart voor zich of hij ziet getallen in zijn hoofd, die hij gebruikt om rustig te worden. Het autisme valt verder op in de kleding die de personages dragen. Donald draagt kledij waaruit blijkt dat hij niet goed voor zichzelf kan zorgen (jeans, shirt, bodywarmer – … de hele film hetzelfde) en dat in combinatie met zijn rommelige huishouden. Isabelle draagt dan weer extreem opvallende en felle kleding.

In Mozart and the Whale is het verschil in de voorstelling van mannelijke en vrouwelijke mensen met autisme goed te zien. Donald wordt neergezet als een sociaal onhandige en seksueel passieve man terwijl Isabelle wordt voorgesteld als een hysterische vrouw. Ze lacht heel hard en verstorend, heeft een uitgesproken kledij en snel wisselende stemmingen. Net als andere vrouwen met een handicap wordt ze niet afgebeeld als moeder of echtgenote maar zonder vrienden of familie. Anders dan in andere films krijgt Isabelle hier wel een relatie. Ook in Temple Grandin en Snowcake worden vrouwen zo voorgesteld.



Meer genuanceerder beeld van Europese films: Ben X als voorbeeld

Anne koos uitdrukkelijk voor Amerikaanse films. Niet zozeer uit voorliefde. Wel omdat ze daarmee duidelijker haar stelling kon aantonen. Het zou kunnen dat Europese films een genuanceerder en ander beeld geven.

Daarbij denkt ze bijvoorbeeld aan de Vlaamse film Ben X. “In Ben X zag ik een hele andere benadering van autisme. Een veel subtielere weergave. Dat is te verklaren door het kleiner budget en minder focus op entertainment en actie”. Maar het aantal Europese films vindt ze te beperkt om dit goed uit te werken in een scriptie.

Ontwikkeling in de films met autisme over de afgelopen tien jaar

Anne van de Beek tracht in haar scriptie ook een ontwikkeling te zien in de films met autisme over de afgelopen tien jaar. Die is er volgens haar zeker geweest.

In de negentiende eeuw werd ‘de autist’ neergezet als een idioot. Tegen de tijd dat Rain Man uitkwam, was dat al veranderd naar personages met meer mogelijkheden, de savant. Grotendeels lijkt het daarbij gebleven te zijn. En dit leidt af van waar het echt om draait: autisme.

Tegelijk zijn er vaste patronen ontstaan in films die ook effect hebben gehad op het dagelijks leven met mensen met autisme.

“Er lijkt veel meer mogelijk te worden. In Mozart and the Whale hebben de personages een relatie. Al gaat het helemaal niet goed. Ook hebben ze een baan. Al gaat dat ook niet goed. Ze wonen alleen of samen. Maar het wordt een rommeltje. Maar in de drie films daarvoor, was het niet denkbaar dat de personages die dingen zouden kunnen bereiken in hun leven,” zegt ze in het interview.

Betere bekendheid autisme maar nog steeds eenzaam en uitgesloten

Door de films waarin autisme voorkwam, zijn mensen meer bekend geraakt met autisme.

Aan de andere kant ontstonden er stereotypes, zoals de supercrip of held, de savant en het overcomingscenario. Het lijkt alsof mensen die over hun handicap heen kunnen komen meer gewaardeerd worden. Het stereotype van de savant zorgt er bijvoorbeeld voor dat het lijkt alsof alleen mensen met autisme met uitzonderlijke gebieden van intelligentie waardering verdienen.

In de films over autisme (en ook andere handicaps) overheerst het medisch individuele model. Zo kunnen de autistische personages in de vier besproken films teruggebracht worden tot een eenzaam persoon die het best van het samenleven uitgesloten kan worden.

Autisme, een stoornis van fascinatie

In haar scriptie beschrijft Anne op een gegeven moment dat autisme volgens sommigen een stoornis van fascinatie is geworden. Dat gaat zowel op voor film als voor televisie. In veel televisieseries duiken tegenwoordig personages op met autisme. In sommige series, zoals Bones en House, worden personages wel gelabeld door het publiek, maar wordt het autisme in de serie zelf niet uitdrukkelijk vermeld. Kijkers zoeken naar rolmodellen en voorbeelden om naar op te kijken.

Toch is er volgens haar wel een verschil met film. “In films gaat het vaak om hele films met autisme. Het personage met autisme is de hoofdrolspeler. In televisieseries gaat het om een bijrol. Iemand die even in de serie voorkomt en dan weer weggaat. Zoals de dokter met het Syndroom van Asperger in de serie Grey’s Anatomy. Televisie lijkt de interesse dus minder lang vast te kunnen houden.”

Kijken naar een ‘correcte’ weergave van autisme in films

In haar scriptie probeert de filmwetenschapper vanuit haar ervaringsdeskundigheid genuanceerd te kijken naar de ‘correcte’ weergave van autisme in de films die ze bespreekt.

Stereotypes, schrijft ze in haar scriptie, zullen altijd wel terugkomen in films, ook rond autisme. Ze zijn een natuurlijke manier om de wereld om ons heen weer te geven. Om die eenvoudiger te maken.

Bovendien moet het publiek weten dat het over autisme gaat. Door de stereotypes krijgt de kijker een idee van wat het is om autistisch te zijn. Fictiefilms zijn ook niet lang genoeg om een karakter genuanceerd uit te werken. Filmmakers kiezen dan ook voor een personage waarbij het autisme zich heel duidelijk/visueel uit.

Maar het liefst had ze het woord ‘correct’ weggelaten. “Een correcte beeldvorming van autisme bestaat niet volgens mij”, voegt ze er aan toe.

“Autisme bestaat uit een spectrum. Er bestaat dus niet één autist. Ergens in mijn scriptie staat dan ook de uitspraak: “Als je één autist kent, ken je één autist”. Zo is dat natuurlijk ook met films. Elke film is een weergave van een autist. Alleen hebben films de neiging om alle stereotypes van alle autisten in één film te willen proppen. Verschillende personages tonen is geen oplossing. Een correcte weergave is er wat mij betreft als de handicap respectvol en subtiel in beeld wordt gebracht. Maar in beeldvorming een evenwicht vinden tussen subtiel en duidelijk is niet eenvoudig.”

Hoe kunnen toekomstige filmmakers autisme goed weergeven?

Haar advies aan toekomstige filmmakers zou zijn om autisme weer te geven als een stoornis die aanwezig mag zijn in de samenleving. Zonder daarbij de ernst van de stoornis te ondermijnen.

“Kwaliteiten en beperkingen zouden daarbij even duidelijk in de verf gezet mogen worden. En de kwaliteiten hoeven niet ingezet te worden om het personage ondanks zijn beperkingen toch nog aardig te maken,” voegt ze eraan toe.

Een voorbeeld van goede beeldvorming: Mary and Max

Maar welke film zou de Nederlandse filmacademica dan het liefst aanraden om hun goede beeldvorming? Een enigszins onverwacht antwoord volgt. Volgens Anne van de Beek zijn Mary and Max, Ben X en … Rain Man voorbeelden van goede beeldvorming.


“Het lijkt vreemd, maar dan wil ik de enige animatiefilm uit mijn lijst aanraden: Mary and Max. Voor hun eenzaamheid bijvoorbeeld. Deze heb ik niet behandeld in mijn scriptie. Het zou vreemd zijn om één animatiefilm te bestuderen. Deze film heeft eigenlijk alles wat een film over autisme in zich zou moeten hebben. Daarnaast wil ik Ben X aanraden. Een realistische weergave volgens mij. Hoewel het einde voor sommige autistische kijkers niet zo geschikt kan zijn. Verder denk ik ook aan Rain Man. Voor wat er in die tijd al bekend was over autisme.”

Tot slot: aan mediawatchers … blijf schrijven!

Als afsluiter heeft ze nog één goede raad voor de mediawatchers onder ons: “Interpretaties leiden nooit tot een slotmoment van waarheid. Schrijven leidt steeds tot meer schrijven”. Laat jullie dus niet tegenhouden. Schrijf!

Voor wie vragen of opmerkingen heeft rond dit thema of contact wenst op te nemen met Anne van de Beek kan contact opnemen met Sam (Sam@tistje.eu) of via Ben Vanelslander, stafmedewerker communicatie bij GRIP vzw (ben@gripvzw.be)

2 Comments »

  1. Gelezen en heel interessant bevonden.
    Ik heb de url doorgestuurd naar enkele GON-collega’s waarvan ik denk dat ze de inhoud met interesse zullen lezen.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s