‘Eigenlijk lijkt me dat wel fijn’

Dokter Visser bladert energie door haar papieren. ‘Vorige keer hebben we het al even gehad over het gebrek aan vooruitgang in je behandeling’. Argwanend besef ik dat ik haar nog nooit zo vrolijk heb gezien.

‘Omdat je ondanks de antidepressiva weer afwisselt met periodes waarin je je gevoel uitschakelt, hebben we binnen het behandelteam het plan opgevat om een psychologisch onderzoek op te starten om te kijken of er niet sprake is van …”

Fijn dat ze me uitlegt hoe slecht het met me gaat, maar dat had ik zelf ook al door. En waarom zit er vandaag ineens iemand van de verpleging bij ons gesprek?

“… en dus willen we testen of er niet sprake is van …’ betekenisvolle blik in mijn richting, ‘… een stoornis in het autistisch spectrum. We denken aan hoog functionerend autisme.’

Professionele stilte, bedoeld om de woorden bij de cliënt te laten bezinken.

‘Wat gaat er door je heen als ik tegen je zeg?’ Wat gaat er door mij heen? Ineens besef ik dat ze Martine meegenomen heeft omdat zo’n diagnose keihard aan zou kunnen komen. Omdat het alles wegvaagt wat je ooit over jezelf hebt gedacht. Voor de geestelijk gezonde mens moet zo’n vonnis in het rijtje van de ergste nachtmerries staan: ‘U hebt kanker. U gaat dood. U bent gek’.

‘Eigenlijk lijkt me dat wel fijn,’ zeg ik dan. Dokter Visser en Martine kijken me alsof ik gestoord ben.

Ik haal mijn schouders op. ‘Voor mij verandert dat toch niets? Misschien dat ik met zo’n etiketje eindelijk kan gaan snappen waarom ik mezelf niet snap’.

Dokter Visser zoekt zorgvuldig een nieuwe zin bij elkaar. ‘Je begrijpt hoop ik toch dat een ongeneeslijke stoornis een ernstige zaak is? Een diagnose als autisme zou betekenen dat de hulpverlening dan niet meer gericht is op beter worden, maar slechts op ermee leren leven.’

‘Maar dan leef ik er toch al zesentwintig jaar mee?’ zeg ik opgewekt. ‘Als het een ongeneselijke afwijking is, dan betekent dit dat ik eindelijk niet meer hoef te doen alsof ik een normaal mens, met normale emoties en normale gedachten’ Opeens voel ik meer jong en roekeloos. Halleluja, ik ben vrij.

Terwijl ik alle emotionele ballast van mijn rug gooi en een vreugdevuur aansteek, legt dokter Visser nogmaals doordringend uit dat autisme een ernstige zaak is. Je bent geestelijk gehandicapt, weet je geen raad met je eigen gevoelens en vindt nooit echt aansluiting bij een ander, wat voor een sociaal dier als de mens funest is.

Ik schud mijn hoofd. ‘Maar dat is toch niet anders dan hoe ik me altijd gevoel heb? Ik snap niets van mijn eigen emoties en al helemaal niet van die van andere mensen, dus dan wil ik best autistisch zijn?’

‘Maar met mij heb je je anders toch regelmatig gesprekken over hoe je je voelt’ protesteert dokter visser.

Myrthe van der Meer in PAAZ: Psychiatrische Roman (The House of Books, 2012)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s