Waarom ik (bijna) nooit meega op café … autisme en sociale omgang

Een gezellige bar met gasten die aan het praten zijn terwijl ze drankjes bestellen. Op de achtergrond zijn bieren en een bartender te zien.
Photo by Victor Clime on Unsplash

“Waarom ga jij nu nooit eens mee op café?” Af en toe (maar steeds minder) krijg ik die vraag. Nu eens vriendelijk, dan weer met een licht klagende toon. Achter die vraag zit vaak een tweede vraag die niemand hardop stelt: vind je ons eigenlijk wel goed genoeg als gezelschap?

Ik begrijp ergens wel waar die tweede vraag vandaan komt. In sommige kringen is de kroeg vaak een plaats om vriendschap te vieren, na te praten, te ventileren wat elders taboe is, om afspraken te maken die in vergaderingen vreemd gedrag kunnen verklaren of om informeel af te spreken. Vroeger, heb ik van horen zeggen, was het zelfs nog belangrijker mee te gaan op café. Toen werd daar het loon gegeven, of suggesties van oplossingen van examenvragen. Ik heb die voor alle duidelijkheid nooit gehad.

Nu komt de uitnodiging om te blijven hangen wel eens na een activiteit, met een groep volwassenen, of na een vergadering. Als ik er niet zit, mis ik meer dan een stuk van de avond. Ik mis een stuk van wat onbesproken blijft tijdens formele momenten. Alles wat echt belangrijk is eigenlijk. Ik geef soms een alternatief, zoals een gemoedelijke wandeling samen, of in een rustiger omgeving iets niet-alcoholisch nuttigen, maar dat wordt meestal weggewuifd.

Wat een café precies met me doet

Een café, of andere informele pleisterplaats, verenigt bijna alles op wat mij uitput. De muziek staat luid genoeg om er overheen te roepen, maar niet luid genoeg om het gesprek onmogelijk te maken. Er zijn tien tot vijftien stemmen tegelijk hoorbaar, waarvan er één de mijne is, vier van mijn tafel en de rest van andere tafels. Er is licht dat wisselt, er zijn mensen die achter me langs lopen, er is een deur die opengaat, er is een glas dat (net niet) valt.

Mijn hersenen krijgen dat allemaal niet weggefilterd, laat staan verwerkt. Bij veel mensen zakt achtergrondgeluid naar de achtergrond; bij mij blijft het op de voorgrond staan, met dezelfde scherpte als de stem van de vriend tegenover me. Ik moet dus voortdurend actief kiezen waar ik naar luister, en dat kiezen kost energie die anderen niet hoeven uit te geven. Na een uur begin ik woorden te missen. Na twee uur hoor ik nog wel klanken, maar bouw ik er geen zinnen meer mee.

Daar komt het gesprek zelf nog bovenop. Small talk in een groep verloopt snel, springt van onderwerp naar onderwerp en heeft geen aangekondigde structuur. Je moet inschatten wanneer je mag invoegen, hoelang je aan het woord mag blijven, wanneer een grap een grap is en wanneer iemand het meent.

Als het nog ergens over gaat, kan ik dat redelijk goed. Soms doe ik het zelfs behoorlijk. Ik doe het weliswaar bewust, met een deel van mijn aandacht die permanent meekijkt en bijstuurt, terwijl dat andere deel zich bekommert om al het geluid, het licht, het geroezemoes.

Dat lukt vrij goed, zolang de alcohol niet werkt. Maar zodra de alcohol werkt, en het nergens meer over gaat, raak ik de draad kwijt. Ik heb al vaak gehoord dat ik niet goed ben in zwammen, zwetsen, ouwehoeren of lullen. Onzin, vind ik, ik ben niet afgestudeerd in studies waarin ‘lullen’ centraal staat. Wat ik veel moeilijker vind is weten wanneer en of het ergens over gaat of net niet, en hoe dit wisselt.. Daarom zeg ik af. Niet omdat ik anderen niet graag heb. Ik zeg af omdat ik jullie graag genoeg zie om er niet mijn hele weekend aan te willen verliezen.

De rekening komt altijd later

Wat de meeste mensen niet zien, is dat de kost niet in het café zelf zit. De figuurlijke rekening, bedoel ik. In het café houd ik me meestal prima recht, en vind ik het soms zelfs leuk. De rekening komt de dag erna, en soms de dag daarna nog eens: een hoofd dat niet meer wil lezen, prikkelbaarheid tegenover de mensen die daar niets mee te maken hebben, uren die ik nodig heb om weer op gang te komen. Een avond van vier uur kost mij makkelijk anderhalve dag.

Dat is de afweging die ik maak, en ze valt vaak negatief uit. Niet omdat ik het gezelschap niet wil. Wel omdat ik voor dezelfde energie een gesprek kan hebben waar ik werkelijk iets aan overhoud, in plaats van een avond waarvan ik achteraf voornamelijk onthoud dat ik hard mijn best heb gedaan.

Dat klinkt kil als ik het zo op papier zet. Het voelt ook niet fijn om je sociale leven te moeten becijferen alsof het een budget is. Maar wie een beperkt energiebudget heeft, rekent nu eenmaal. Mensen met een chronische ziekte kennen die logica, mensen met jonge kinderen ook. Bij mij is ze alleen minder zichtbaar, want aan mij zie je niets. Daardoor lijkt een “nee” een keuze, terwijl het meestal een gevolg is.

Waarom afzeggen geen afwijzing is

Het lastige is dat mijn “nee” precies dezelfde vorm heeft als de “nee” van iemand die geen zin heeft in jou. Er is geen verschil hoorbaar aan de telefoon. En na de derde of vierde keer trekken mensen hun eigen conclusie, wat ik hen niet kwalijk kan nemen.

Daarom probeer ik nooit gewoon af te zeggen. Ik zeg af met een alternatief erbij. Ik heb wel zin om mee te gaan, ook al is dat soms tegen beter weten in. Een bibliotheekcafé kan, maar nog liever een wandeling, waarbij we naast elkaar lopen niet en niet tegenover zitten. Of een gesprek bij iemand thuis, waar ik weet hoe het klinkt en waar ik kan vertrekken, zonder dat het een scène wordt. Het liefst heb ik een afspraak met een begin – en eindduur,  zodat ik weet waar ik aan toe ben. Liever een luncherie dan een café, liever ’s morgens of ’s middags dan ’s avonds. Meegaan naar het café, maar dan minder dan een uur.

Mijn voorstel is geen troostprijs. Ik heb het meer voor plaatsen waar vriendschap echt gebeurt, zonder hoofdpijn. Of minstens, plaatsen waar je iets hebt aan mij, als gezelschap en gesprekspartner.

Wat het van de andere kant vraagt

Als je me ooit vraag om mee te gaan op café, zie dan dat alternatief niet als een tweede keuze. Meestal klinkt het wel zo. In de gangbare code van vriendschap betekent “Ik kan niet, maar wat denk je van dit alternatief?” een afwijzing. Bij de meeste mensen die ik ken, werkt dat niet, tenzij ze begrijpen waarom. Niet uit medelijden, wel omdat ze merken dat ze er iets voor terugkrijgen: een gesprek waar meer in zit dan wat er in een luidruchtige zaak in zou passen.

Als het niet werkt, zijn het meestal vriendschappen die stil zijn gevallen omdat ik te vaak op de verkeerde plaats niet kwam opdagen. Er zijn groepen waar ik nu buiten sta, niet door één beslissing, maar door twintig kleine. Dat is de prijs, en ik doe niet alsof die er niet is. Ik heb hem afgewogen tegen de andere prijs, die van jaren mezelf forceren op plaatsen waar ik niet functioneer, en ik heb gekozen.

Dus als ik weer eens afzeg: het is geen oordeel over jou, en het is geen gebrek aan interesse. Het is de tweede zin van dat bericht die telt. Die met het alternatief voor het café in.

3 Comments »

  1. Die balans is inderdaad aan ieder individueel, maar voor mij weegt zo’n café avond zelden op tegen de dagenlange sensorische uitputting nadien. Echte vriendschap en verfrissing zoek ik daarom liever in een rustige wandeling of een gesprek aan tafel.

  2. Het is denk ik ieders afweging om in een kroeg te blijven hangen en inderdaad het kan gevolgen voor de volgende morgen meebrengen, maar dat weegt niet altijd op tegen de vriendschappen die je er hebt of aan overhoudt. Soms werkt een uitje ook wel eens verfrissend.

Geef een reactie