Rustig leven in een megafone samenleving

quiet

Een hele tijd geleden werkte ik als verzorger in een groot herenhuis.  In een vorig leven, zou ik haast zeggen, ware het dat ik geen kat ben en maar één leven heb.

Het was een oud herenhuis, met op de gevel in sierlijke letters ‘Le Tourbillon’, de naam van het huis. Binnenin viel vooral de imposante binnentrap op. Die bracht je naar vier verdiepingen, met op het gelijkvloers een mooie open binnentuin. Voor de minder mobiele mensen was er de antieke lift met kooi, die je nog zelden ziet. Tot slot was er ook een huisbewaarder, Winston, een norse grijsharige man die mij steeds met ‘jeune homme’ aansprak. Hoewel ik al lang de twintig was gepasseerd.

In dit herenhuis, met zicht op het stadspark, werkte ik op de derde verdieping bij mijnheer en mevrouw Petit-Michel. Het echtpaar was al ver in de negentig, en had al heel wat watertjes doorzwommen. Mijnheer was onderwijsdeskundige geweest met een hoge functie in de hoofdstad. Mevrouw had haar verdienste gehad in de liberale culturele middens.

Beiden hadden al in Congo, op de Nederlandse Antillen, in Japan en in de Verenigde Staten gewoond en gewerkt. Nu waren ze oud, en konden ze mijn diensten gebruiken als thuishulp. Ik ging om boodschappen, maakte de bedden op, deed de was, zette mijnheer op het toilet (en er terug af ook, vanzelfsprekend), assisteerde mevrouw bij boodschappen en hielp haar bij poetsen en koken.

Intussen las en herlas mijnheer de boeken waar hij van hield. Zoals werken van Anton Roothaert, John Steinbeck en Ernest Hemingway. Vooral van de Vlimmen-trilogie was de zachtmoedige heer heel enthousiast. ‘Moet je echt eens lezen, jongeman’ , zei hij meermaals, op zijn typisch plechtstatige toon.

Wat ik me echter vooral herinner van het herenhuis, was het merkwaardig heerschap dat op de hoogste etage woonde. Bij het minste geluid in de traphal of de binnentuin zwaaide daar de deur open, en krijste iemand heel luid: ‘Silence!!’, in het Frans.

Stilte, dus, meteen en onafgebroken.  Zelfs al leek er voor mij niets te horen, behalve dan dat irritante stemgeluid van boven. Zo ging dat een tiental keren per dag, en kon het zelfs ’s nachts gebeuren. Er waren al pogingen geweest om met mijnheer Montfort, de tachtigjarige alleenstaande man die daar woonde, tot een gesprek te komen, maar hij deed alleen open als het echt nodig was.

Montfort was in de loop der tijd met allerlei namen en labels bedacht, van ‘neuroot’ of ‘seniel’ over ‘karaktergestoord’ tot ‘bolsjewiek’. Ze hadden hem het liefst willen ‘binnensteken’ in een of ander ‘gesticht’, ook al omdat hij ‘invalide’ was, maar omdat hij eigenaar was en behoorlijk wat geld had, lieten ze hem maar doen.

Op een keer mocht ik een blik werpen achter die eiken deur, in het bijzonder mooi ingericht appartement van mijnheer Montfort. Etienne, zoals hij zich liet noemen, wilde absoluut iets van de apotheek, en belde naar het derde verdiep of hij ‘hun boy’ eens mocht lenen.  Die ‘boy’ deed dat dan maar, niet helemaal naar mijn zin, omdat het tegen de afspraken en regels in ging.

Eenmaal aan de praat, bij thee en gebak, bleek Etienne bijzonder aardig, maar vooral maniakaal bezig met de creatie van een eigen universum. Elk teken van daarbuiten irriteerde hem. De grenzen met de buitenwereld waren hermetisch afgesloten, en vervangen door wat controleerbaar was.  Licht, geluid, temperatuur, tast … bijna alles leek regelbaar in zijn woning.

Dat hij nogal tuk was op A Rebours van Joris-Karl Huysmans verwonderde me niet, maar ik zei hem dat er ook grenzen zijn.  Ik vond het zelf een beetje griezelig en hoe langer ik er bleef, hoe meer ik heimwee kreeg naar chaos, lawaai, vuiligheid en wanorde. Het bezoek duurde dus niet zo heel lang. Tegen de zin van Etienne, had ik de indruk, die mij in de deuropening nog zei dat hij me graag had willen aanwerven als assistent.

Af en toe denk ik nog terug aan die tijd, vooral aan de stilte die daar binnen heerste, anders dan de Parklaan die bij momenten vrij druk kon zijn. Soms lijkt het of de wereld hardhorig is, en maniakaal met geluid bezig, of geluid dat gerust lawaai genoemd mag worden. Je kan gerust een boek vullen met voorbeelden van geluidsvervuiling. Daarbij vergeleken vallen alle andere vervuiling in het niets, zelfs de waardevervuiling kan er net niet aan tippen.

Van mensen die er niet aan kunnen doen, zoals dementerenden of mensen met een ticstoornis, kan ik her nog aannemen. Maar de anderen weten toch beter, soms lijkt het of ze het erom doen, om op te vallen of te tonen dat ze eten, drinken, of een nieuw vervoermiddel hebben. Of ze hangen de macho uit, gebruiken hun sirene waar dat niet echt nodig is.

De megafonie noem ik het, want ook de stemmen van mensen lijken steeds luider te worden. Sommige deskundigen verklaren dat dit de eerste generaties zijn die massaal zijn blootgesteld aan gebrul, gegil en geschreeuw van rockconcerten, disco en dancing, groezelige cafes, boenkie boenkie door de autoradio met subwoofer en natuurlijk earphones van slechte kwaliteir met loeiharde klankenpuree.

De megafonie uit zich om ons heen in alles, van brulboeien die zich meten in de politiek tot mensen die steeds maar ‘spreek eens luider, ik versta je niet’ zeggen. Hoezo, je verstond me al die jaren, we zijn eveveel verouderd, toegegeven bij jou zie je het wat meer, maar je bent potdoof geworden.

Gelukkig heeft de industrie erop ingespeeld. Door mijn noise reduction koptelefoon kan ik weer ongestoord muziek beluisteren, zoals ‘silence on a winters morning’ (7:09) of ‘ochtendgloren in de Russische toendra’.  Ik hoef geen ‘Silence!’ te roepen, hoewel ik af en toe zin heb het te doen. Het zou echter weinig uithalen, of ik zou blikken van ongeloof moeten verdragen.

Stilte wordt in onze streken immers vaak geassocieerd met moeten zwijgen, met isolement, soms met (overdreven) ernst, of zelfs honger. Waar geen achtergrondgeluid is. Bij ons heb je dat niet meer. Stilte wordt hier geassocieerd met gewijdheid, met honger, met moeten zwijgen, met isolement. Niet veel pluis dus.

2 Comments »

  1. Lang leve de noise cancelling…Ook ik ben dolgelukkig met deze uitvinding, vooral tijdens mijn dagelijkse huis-werk-traject op de trein :-).
    Gelukkig zijn er in mijn omgeving nog een paar mensen die evengoed van de stilte kunnen genieten, die het niet nodig vinden om de stilte te vullen met betekenisloos gebabbel, die weten dat ik de stilte nodog heb….
    Zij die dat niet kunnen, vinden me maar een raar geval ;-)…

    Like

  2. Ik zou niet weten hoe ik mijn relatie met geluid moet omschrijven.. Ik hoor ALLES en sommige geluiden halen het bloed onder de nagels vandaan.. Sommige geluiden zorgen voor onrust.. Sommige geluiden voor hinder en andere voor afleiding. De ene keer wil ik ze blokkeren en de andere keer ‘ondergaan’ (om men zegt je moet er aan wennen, tja dat is best een kunst). Vooral muziek in al zijn vormen..en de trillingen die het geeft grote onrust..Ik heb oordoppen in verschillende maten en vormen maar die werken niet altijd.. soms doe ik juist muziek op de oren om rest even niet te horen..Maar dat mag niet te lang want dan wordt de reactie op geluid nog erger!

    Like