Op de koopjesmarkt …

Koopjesmarkt

Als de straat is afgezet, we rustig kunnen slenteren over de hele breedte ervan, toch ruim twintig grote passen, is de zomer bijna voorbij. Dan verkopen de handelaars hun restjes, aan hoge korting. Dat was gisteren, is vandaag, en morgen is het ook nog. Het moment om hiervandaan te vertrekken, naar een ander, tijdelijk verblijf. Toch minstens overdag, om de kakofonie mijn kop niet overhoop te laten halen, tot ’s avonds laat de mengeling van massa en deuntjes is gedaan.  Op zoek naar minder prikkels.

Natuurlijk weet ik dat zo’n koopjesmarkt broodnodig is voor de plaatselijke zelfstandigen. Al sluiten er ook heel wat in deze periode. Natuurlijk weet iedereen dat hun restjes al lang geen restjes meer zijn, dat die kortingen allang geen kortingen meer zijn. Want de prijzen worden de dagen voordien zonder veel gedoe wat verhoogd en nadien, met veel tegenzin, verlaagd. En de restjes, die zijn vaak gloednieuw. Zo gaat het iedere keer. Net zoals er altijd meer kijkers zijn dan kopers, en politici handig gebruik maken om exposure te winnen.

Op de eerste dag van de koopjesmarkt komen vooral leerlingen van de scholen in de buurt. Dat is een traditie die leerkrachten graag in eer houden. Of het vak nu lichamelijke opvoeding heet, aardrijkskunde of economie … het laatste uur van de eerste schooldag wordt vrijgemaakt om een bezoek te brengen aan de plaatselijke koopjesmarkt.

Alleen de leraar geschiedenis houdt traditioneel zijn been stijf. ‘Overtuig mij maar eens, in de stijl van grote redenaars, wat dat commercieel gedoe met mijn prachtig vak geschiedenis te maken heeft’. ‘Maar mijnheer, heeft u dan geen greintje gevoel? Bent u zo kil om ons hier binnen te houden? Al de andere scholen zullen er zijn. Weet u wel hoeveel schade dat aanbrengt aan ons imago, pardon, het imago van onze school?’

Gewoontegetrouw is er ook een rommelmarkt. In alle vroegte is het er vechten voor een plaatsje. Sommigen komen hier van vier uur in de ochtend. Vanochtend, tijdens mijn nachtplasje, hoorde ik hen hun houten constructies opzetten. Anderen komen pas om zes uur. En ik, ik ben een slaper, en sta pas om acht uur op. Veel te laat om ooit een mooi plaatsje te bemachtigen, dus doe ik er niet aan mee. Ik hou het bij een vroege wandeling langs de kraampjes, vooraleer te vertrekken als het volk tegen de middag komt.

Je hebt er die van alle markten thuis zijn, en er een lucratieve bezigheid van maken. En je hebt er die alleen deze rommelmarkt kiezen. Nog een ander heeft dringend geld nodig, dat hij of zij elders niet meer kan of wil verdienen. En zijn er nog de autochtonen die hier staan omdat ze denken dat ze beter zelf ‘hun’ trottoir kunnen bezetten. Dan verdienen ze tenminste nog iets aan dat voorrecht.

Anderen moeten hun standplaats betalen. Die strook stenen, die paar passen van de huisgevel tot aan de goot. Enige jaren geleden ging ik langs om die huur op te halen. Voor een goed doel uiteraard, ik zou geen geld willen van mensen die in weer en wind spullen of familiestukken aanprijzen alsof ze een stuk vlees van hun eigen lijf verkochten. Niet iedereen staat hier voor de lol, bij sommigen is het van moeten. Ja, het zijn harde tijden in deze verpauperende buurt.

Dit jaar hou ik het bij kijken en misschien wat kopen. Er is altijd wel een café dat goedkope glazen verkoopt. Of een kleindochter die van de familie van een overleden intellectueel de opdracht kreeg toch nog iets te krijgen voor die ‘onleesbare boeken’.

Verder kan ik wel genieten van het sociale theater dat zich in die paar dagen afspeelt. Het is wel meer dan ‘staan’. Het bonte volkje zit, ligt, wandelt, knielt, hurkt, buigt.  Het volk babbelt, overtuigt, vraagt, lacht vriendelijk, cynisch, haalt boos uit, is grimmig, staat met de handen in de heupen, werpt de armen in de lucht, kijkt bezorgd naar de lucht, veegt het zweet af en vloekt zich te pletter. Tussenin wordt er vooral gegeten – vette worst, alle kleuren sausen, patat en friet, saté en broodjes boem-boem – en veel gedronken. Want dit is natuurlijk ook het feest van de hangbuikmannen en de sherman-tankvrouwen.

Soms spreken ze mij aan. “Kan ik u iets aanprijzen?. Ja, dit is ongebruikt, van de beste kwaliteit, en het kan voor alles dienen. Het vraagt gewoon om gekocht te worden. U zal ’t beklagen als u deze kans van uw leven niet grijpt. En mensen, mensen, het zijn de allerlaatste. Ja, mijnheer, op is op. U kent er iets van, dat zie ik zo aan u. Mijnheer, proef eens van mijn worst. Neem gewoon een hapje. Ja, neemt u het mee? Prima, mijnheer, u bent een fijnproever, dat zag ik meteen. Nog een goedendag!”

Als de avond valt, tegen een uur of negen, na een etmaal staan, na alweer een collectieve geeuw, besluiten ze een voor een dat het welletjes is geweest.  Ze pakken hun boeltje. Ze trekken een streep onder de rekening. Ze sluiten de boeken. Tot volgende week op een andere rommelmarkt. Dag straat, dag hangbierbuikman en shermantankvrouw, dag politie op de hoek van de straat die het verkeer tegenhoudt, dag Tistje. Tot straks. Tot volgend jaar hier. Ter plekke. En dan is het weer stil in de straat.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s