Het Plato-principe … autisme en communicatie

Net zoals veel andere mensen met (en vaak ook zonder) autisme heb ik graag duidelijkheid over wat er allemaal op mij af komt. Als het onduidelijk is wat verwacht wordt, en het overzicht zoekraakt, haak ik af. Als ik dan verbeelding, motivatie of te weinig inspanningen wordt verweten, mag je er zeker van zijn dat deze jongen blokkeert, fulmineert of saboteert.

Op zo’n moment is het verloren moeite om een beloning te zoeken die mijn motivatie zou stimuleren. Integendeel. Als het onduidelijk is wat verwacht wordt, als je mij iets vraagt wat ik niet versta, en dan mij ook nog eens voor de neus houdt dat ik graag heb, zie ik dat eerder als een pesterij. Dat is allesbehalve een goede basis om te komen tot een goede verstandhouding. Zeker als je daarop oplossingen aanreikt die mij nog bozer maken, of door mij te verwijten dat ik onvoldoende verbeelding en zelfinzicht heb.

De wereld om me heen is ontzettend onduidelijk, en die van andere autistische mensen kan ook, in meer of mindere mate, zo overkomen. Sommige mensen denken dat de oplossing voor die overprikkelende wereld eruit bestaat om persoonsgebonden hulpmiddelen te gebruiken. Dat kan een van de oplossingen zijn, maar zeker niet de enige, en lang niet iedereen is er mee gebaat. Als autistisch mens zie ik individuele oplossingen, een autismevriendelijke omgeving en een samenleving die meer openstaat voor neurodivergente personen als een betere oplossing.

Het Plato-Principe van Sterkmakers

Een galant geformuleerde uitleg om een omgeving wat duidelijker en autismevriendelijker te maken, is het Plato-principe, dat Kobe Vanroy in het recentste nummer van Sterk! in Autisme beschreef. Plato is in het artikel, anders dan een oud Griekse filosoof, een letterwoord, waarvan de vijf letters staan voor de essentie van autismevriendelijkheid en elementen waarin je duidelijkheid kan brengen. Het letterwoord is een knipoog naar andere pogingen om duidelijkheid te brengen, zoals Geef me de Vijf of de 4W’s en de H waarin sommigen een ‘blote billenbank’ zien.

Voor elke soort activiteit hebben de vijf letters (Personen, Locatie, Activiteiten, Tijds(duur) en Organisatie) uiteraard andere klemtonen, maar het Plato-principe blijft telkens hetzelfde uitgangspunt.

In dit artikel geef ik het voorbeeld van de voorbereiding en het verloop van een voordracht, gastles of getuigenis die ik geef. Het kon natuurlijk evengoed een verjaardagsfeestje, een familiebezoek, een reis, een uitstap naar een natuurpark, een kine-afspraak of een bezoek aan het universitair ziekenhuis zijn. Het artikel in Sterk In Autisme gaat veel verder dan wat u hieronder kan lezen, en ik raad het dan ook aan voor wie graag stapsgewijs een activiteit zo goed mogelijk wil organiseren.

Personen, de bepalende factor

Voor mij zijn mensen meestal de bepalende factor hoe succesvol, hoe stresserend en hoe stimulerend het resultaat is na een voordracht. Soms vallen die mensen onverwacht mee, en soms onverwacht tegen. Soms lijkt het of ze zoveel voeling hebben met mijn autistisch denken en mijn autismebeleving dat ik ze ervan verdenk ofwel mijn computer gehackt te hebben ofwel zelf autistisch te zijn. Een andere keer zijn ze zo ontzettend autismevreemd dat ik het ergste vrees over het verloop van de activiteit, en zelf alle voorbereiding op mij moet nemen.

In elk geval heb ik vooraf graag een overzicht met wie ik kan contacteren ingeval ik vertraging heb, wie aanwezig is van de organisatie op het moment dat ik aanwezig ben, wie mijn toehoorders zijn (met hoeveel ze zijn en welke achtergrond ze hebben) en bij wie ik terecht kan voor feedback nadien.

In elk geval weet ik vooraf graag over wie ik zal ontmoeten, met wie ik samenwerk, wie mijn contactpersoon is en wie ik kan aanspreken als ik aankom of vertraging heb, wie aanwezig zal zijn bij de deelnemers, wie modereert of superviseert, wie mij eventueel inleidt, wie mij de weg toont binnen het gebouw of op het terrein, wie mijn toehoorders zullen zijn (met hoeveel ze zullen zijn, welke achtergrond ze hebben) en wie mij de weg naar buiten kan wijzen (als ik klaar ben).

Locaties … hoe geraak ik ter plaatse en hoe vermoeiend is de zaal?

Ik heb ook graag overzicht over de plaats(en) waar de activiteiten doorgaan, en eventueel materialen die ik nodig heb of kan gebruiken. Waar kan ik wat vinden? Waar kan ik met vragen daarover terecht? Hoe zal de plaats waar ik zal spreken eruit zien? Hoe zal de zintuigelijke omgeving zijn, zowel aan de binnen – als de buitenkant?

Dat begint vaak al met de locatie vinden waar mijn voordracht of lezing doorgaat. Soms wordt een plannetje meegestuurd, maar vaak ook niet. Soms stellen organisaties voor om mij te komen ophalen aan een station of bushalte. Dat wijs ik meestal af, want ik heb gemerkt dat dit bijna altijd fout loopt, om allerlei redenen die vaak komen door onverwachte omstandigheden. Ik ben al heel blij als er iemand mij opwacht aan het onthaal, of ik duidelijkheid heb waar en bij wie ik me mag aanmelden. Het beste vind ik een gsm-nummer (dat ik na de activiteit uiteraard wis) om een berichtje naar te sturen dat ik aangekomen ben en wacht op een afgesproken plek.

Locaties zoals toiletten, eetruimtes, onthaal, zalen en aula’s autismevriendelijk maken is waarschijnlijk onbegonnen werk. Soms is er maar weinig aan het veranderen. Toch heb ik graag dat ik niet hoef te wachten in een drukke ruimte, even kan bekomen in een stiller lokaal, of de tijd krijg om al te wennen aan de zaal waar ik mijn voordracht zal geven. Mijn ervaringen op dit vlak zijn positief, er wordt meestal rekening mee gehouden.

De activiteit zelf … wat zijn de verwachtingen?

Ook als het gaat om wat ik precies ga doen, de activiteit, maken duidelijkheid en voorspelbaarheid het voor een stuk aangenamer voor mij. Dan gaat het over wat er zal gebeuren, welke aanpak of methode er gebruikt wordt,, niet zozeer op vlak van inhoud maar welke methodiek men verwacht, binnen welke krijtlijnen ik mijn ding mag doen.

Zo weet ik graag concreet wat er van mij wordt verwacht, binnen welk inhoudelijk kader mijn voordracht staat, wat mijn publiek vooraf en nadien zal doen, of er ook andere sprekers voor of na mij komen, … Ik weet ook graag of een organisatie of school verwacht dat ik een filmpje maak, of een presentatie, een voorbereidende tekst die mijn publiek vooraf kan lezen, en of ik moet rekening houden met bepaalde vragen of thema’s.

Tijd en tijdsduur … hoe laat en hoe lang?

Elke voordracht of gastles vindt uiteraard op een bepaald moment plaats. Ik weet graag wanneer een organisatie mij verwacht, op welke datum en welk uur, wanneer het begint, hoe lang het duurt, en hoe de tijdsduur is ingedeeld, met of zonder pauze en met of zonder vragenronde of evaluatiemoment.

Soms is dat op het moment van de uitnodiging (nog) niet mogelijk. Veel voordrachten worden zes tot twaalf maand vooraf ingepland. Toch probeer ik het zo helder mogelijk te krijgen. Soms heeft zo’n moment een bepaalde symboliek, zoals op een herinnering van de stichter van een organisatie, of de jaarlijkse studiedag, of een congres of studiedag rond een bepaald thema. Ik heb ook graag dat mensen zich houden aan feitelijke afspraken, zoals wanneer iets begint en eindigt. Zelf kan ik me erg moeilijk aan de tijd houden, dus vind ik het ook rustgevend als iemand anders de tijd in het oog houdt en me erop attent maakt wanneer ik mag beginnen afronden.

Organisatie … wat zijn de verwachtingen over hoe ik het breng

Tot slot vind ik het ook belangrijk dat er oog is voor de organisatie, over de verwachting over hoe ik mijn voordracht of gastles breng. Welke informatie is er vooraf bekend, wat wordt er verwacht door wie, hoe wordt er feedback gegeven, en hoe wordt het geheel georganiseerd?

Gaat het bijvoorbeeld om een workshop, een lezing, een uitwisseling van vraag en antwoord, of een stuk inhoudelijk gevolgd door een ervarings – en kennisuitwisseling met toehoorders? Voor mij is het vooral belangrijk welke vorm van interactie er zou moeten zijn, en of er vragen vooraf, tijdens of na de activiteit gesteld worden.

Tot slot … waarom het ondanks een goede voorbereiding soms toch niet goed verloopt

Dit Plato-principe is uiteraard slechts een uitgangspunt om een dialoog op te zetten tussen de organisatie en mezelf om de gastles, vorming, getuigenis of voordracht zo vlot mogelijk te laten verlopen. Dat zal voor iemand anders met autisme vermoedelijk op een iets andere of zelfs heel andere manier verlopen.

Ik heb in de voorbije vijftien jaar gemerkt dat duidelijkheid geen garantie is op een goed verloop, en al zeker niet op een goede verstandhouding. Het gebeurt wel eens dat ik merk dat de motivatie bij de organisatie stilaan maar zeker wegebt naarmate ik vragen stel, of dat ook mijn motivatie wegebt naarmate ik geen antwoorden krijg, en een slecht voorgevoel krijg door de communicatie vooraf. Het ergste, in mijn ervaring, is dat ik steeds antwoorden krijg als ‘je vind het wel’, ‘alles staat op onze website’, ‘het is heel gemakkelijk te vinden’, ‘we staan goed aangeduid op Google Maps’ of ‘we hebben hier al andere autisten gehad, we weten wel wat je nodig hebt’.

Als ik het gevoel krijg dat het niet goed zal lopen, schrik ik er niet voor terug te laten weten dat ik onvoldoende informatie heb om de voordacht of gastles te geven. Meestal is dat omdat ik het gevoel heb dat er geen vertrouwen, of zelfs wantrouwen is, omdat de contactpersoon steeds weer wisselt, omdat die ‘niet gelooft in autisme’ of andere spreekwoordelijke rode lampjes die beginnen te flikkeren. Natuurlijk probeer ik dat tot elke prijs te vermijden, maar ik communiceer steeds wel duidelijk dat ook dit deel uitmaakt van een autistische spreker uitnodigen, niet slechts het moment van de voordracht zelf.

3 Comments »

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.