‘Gaat het bij neurodiversiteit vooral over autisme en ADHD?’ … autisme en theorie

In mijn mailbox komen, behalve veel positieve reacties (hoewel sommigen dat niet geloven), ook vragen om veelvoorkomende misverstanden over autisme te bespreken in een artikel. Eén daarvan gaat over de verwarring tussen neurodiversiteit, autisme en ADHD.
Waar het misverstand vandaan komt
Het denken over neurodiversiteit is gegroeid uit autistische zelforganisatie. In de jaren negentig ontstonden er internetgemeenschappen waar autistische mensen elkaar voor het eerst op grote schaal konden vinden. De mailinglijst InLv was daar een van. Journalist Harvey Blume schreef er in 1997 en 1998 over in Amerikaanse media, en sociologe Judy Singer schreef er in 1998 een scriptie over.
Lange tijd werd de term aan Singer alleen toegeschreven. Een groep autistische onderzoekers vond het nodig dat in 2024 in een online tijdschrift Autism te corrigeren. Zij zijn ervan overtuigd dat het idee van “neurologische diversiteit” al eerder circuleerde en collectief tot stand kwam. Martijn Dekker, de beheerder van de mailinglijst hierboven, vond in zijn archief een discussie uit 1996 waarin een deelnemer al over de neurologische diversiteit van mensen schreef. Het is een van die typische discussies die de hedendaagse autismegemeenschap om een of andere vreemde reden bezighouden.
Wat er ook van zij, deze discussie kwam bij mensen terecht die bij deze woorden meteen aan autisme denken. ADHD kwam er later bij, en heeft intussen een prominente plaats gekregen in onderwijs, hulpverlening, personeelsbeleid en sociale media. En nog later werd AUDH erbij genomen, een term die voorlopig in de coulissen blijft. Toch is herkomst niet hetzelfde als inhoud.
Een eigenschap van een groep, niet van een persoon
Neurodiversiteit is geen verzamelnaam voor diagnoses, hoewel infographics op Pinterest en Instagram anders doen geloven. Het woord verwijst naar de variatie in hoe mensen denken, voelen, waarnemen, leren, communiceren en functioneren. Die variatie bestaat in elke groep mensen.
Daaruit volgt iets wat vaak fout gaat in de praktijk: één mens kan niet “neurodivers” zijn. Net zoals één persoon niet cultureel divers of biodivers is. Een klas is neurodivers, een team is neurodivers, de menselijke soort is neurodivers — omdat er verschillen tussen de leden bestaan. Ook mensen die vlot aan de gangbare verwachtingen voldoen, maken daar deel van uit. Zij zijn niet de meetlat waarnaast de rest wordt gelegd; ze zijn een van de mogelijkheden.
Neurodivergent is iets anders
De term “neurodivergent” komt van een heel andere plek, en is dus niet strictu sensu gelijk aan neurodiversiteit. Activiste Kassiane Asasumasu bedacht hem rond 2000, en wel precies omdat mensen “neurodivers” waren beginnen gebruiken alsof het “autistisch” betekende. Haar eigen omschrijving is ontzettend breed en heeft eigenlijk weinig met diagnoses te maken. Iedereen hoort erbij van autistische mensen, mensen met ADHD, mensen met leerstoornissen, mensen met epilepsie, mensen met psychische aandoeningen, mensen met MS, Parkinson, dyspraxie of hersenletsel tot mensen zonder enige diagnose. Zij benadrukte dat het geen instrument van uitsluiting is, maar van insluiting.
Neurodivergentie heeft dus geen uitstaans met diagnose en medische classificatie. Het is een maatschappelijke en politieke term. Iemand kan zich neurodivergent noemen om aan te geven dat zijn of haar manier van functioneren afwijkt van wat in de omgeving als vanzelfsprekend geldt. Niemand kan “gediagnosticeerd neurodivergent” zijn. Diagnoses bestaan wel: autisme, ADHD, dyslexie, Tourette, epilepsie. Neurodivergentie zelf staat in geen enkel handboek.
Wat neuronormativiteit betekent
De norm waarvan iemand afwijkt, is een cultuurwet. Het gaat om wat een samenleving normaal, wenselijk of professioneel vindt en op basis daarvan represaille, straf en uitsluiting bedenkt. Denk aan de verwachting dat je lang stilzit, snel mondeling reageert, oogcontact maakt, drukke ruimtes verdraagt, zelfstandig plant, een voltijdse baan aankan en sociale codes vlot leest. Doe je dat niet, dan volgen duidelijke uitsluitingen of correcties.
Uiteraard zijn die verwachtingen verschillend waar en met wie je bent, en evolueert de invulling ervan. Een fabriekshal, een open kantoortuin en een klaslokaal stellen elk andere eisen, net zoals verschillende sociale kringen, subculturen en maatschappelijke neigingen. Wie er niet aan kan of wil voldoen, botst en wordt, subtiel of minder subtiele, gesanctioneerd — en dat kost energie, kansen en soms gezondheid.
Waarom dit onderscheid praktisch uitmaakt
Dit lijkt woordenspel, maar het heeft gevolgen. Wie neurodiversiteit gelijkstelt aan autisme en ADHD, bouwt onbedoeld een nieuwe rangorde. Wie op het lijstje staat, krijgt erkenning en soms aanpassingen. Wie er niet op staat — iemand met epilepsie, met een hersenletsel, met een langdurige psychische aandoening, met een verstandelijke beperking — valt buiten de boot, en blijft deel van een pathologie, terwijl de knelpunten vaak op elkaar lijken.
Ook binnen die twee groepen vertekent het beeld. In onderzoek en beleid gaat de aandacht makkelijk naar mensen die zichzelf goed kunnen verwoorden, een diploma haalden en online actief zijn. Het neurodiversiteitsdenken heeft veel minder oog voor mensen met een hoge ondersteuningsnood, die niet of nauwelijks spreken, verdwijnen daardoor uit het gesprek. Dat is een reëel risico, geen theoretisch bezwaar.
En de scheidslijnen zijn sowieso poreus. Bij veel autistische mensen komen ADHD, leerstoornissen, epilepsie, slaapproblemen of angstklachten samen voor. De categorieën waarmee we werken, zijn eerder functioneel dan cultuurwetten. Er bestaat niet in één benadering van neurodiversiteit, maar ontzettend veel, die elkaar voortdurend tegenspreken.
Wat het niet oplost
Een ruimere term maakt niets vanzelf beter. Het gevaar bestaat dat elke nieuwe term een sfeerwoord wordt: sympathiek in een personeelsfolder, zonder dat er iets verandert aan werkdruk, wachtlijsten of prikkelbelasting. Erkenning zonder aanpassingen is goedkoop.
De keerzijde van bepaalde interpretaties van neurodiversiteit, vooral op sociale media en commerciële blogs, wordt helaas steeds meer duidelijk.
Autistisch lijden bestaat. Verschillen kunnen echt beperkend zijn, ook in een aanvaardende omgeving. Een diagnose is voor de meeste autistische mensen geen identiteitsverklaring. Zij hebben vaak niet de luxe hun autisme te zien binnen een identiteitsproject, om zichzelf te leren kennen. Voor hen is het een sleutel: toegang tot terugbetaling van dure zorgen, tot redelijke aanpassingen op school of werk, tot behandeling wanneer die nodig is. In de eerste plaats is een autismediagnose een praktisch instrument (hoewel het lang duurt vooraleer het nut ervan duidelijk wordt)
Wat we dus wél weten
Neurodiversiteit is een kenmerk van populaties, niet van personen. Neurodivergentie is een zelfbenoemende, maatschappelijke, meer activistische term die van bij het begin veel breder bedoeld was dan autisme en ADHD. En de belangrijkste vraag is niet wie bij welke term thuishoort, maar of een kader mensen daadwerkelijk meer zeggenschap, begrip en toegang tot ondersteuning oplevert — zonder ervaringen en moeilijkheden te ontkennen en zonder hun recht op een eigen leven ter discussie te stellen.
Mooi artikel over een complex onderwerp.
Maar ik heb wel mijn bedenkingen bij deze zin:
“Een diagnose is voor de meeste autistische mensen geen identiteitsverklaring.”
Ik denk dat het fout is een diagnose als identiteitsverklaring te zien. Het is een hulpmiddel om tot meer zelfkennis te komen (en uiteraard om gemakkelijker ondersteuning te vinden). Maar die zelfkennis heeft een grote impact op het zelfbeeld en dus ook op hoe men zichzelf ervaart en ziet en dat laatste is voor mij de kern van identiteit. De diagnose is dus geen identiteitsverklaring, maar heeft wel een belangrijke impact op het levenslange leerproces om mezelf beter te leren kennen, dat mijn identiteit vormt.
Gebrek aan zelfkennis is ook gebrek aan kennis van zichzelf in relatie tot de omgeving, de maatschappij. En daardoor is gebrek aan zelfkennis altijd beperkend. Maar dat geldt voor iedereen. Iedereen moet tijdens zijn leven zichzelf zo goed mogelijk leren kennen.
Maar voor wie aan de norm en aan de verwachtingen voldoet is gebrek aan zelfkennis veel minder beperkend dan voor wie er aan voldoet. En dat woord “verwachtingen” is heel belangrijk, want dat betekent dat de maatschappij, de omgeving mee bepaalt hoe beperkend ontbrekende zelfkennis is. Want sommige eigenschappen die maken dat iemand afwijkt van de norm zijn zichtbaar en dan worden verwachtingen aangepast. Andere eigenschappen zijn niet zo zichtbaar en wanneer die afwijken van de norm is men veel minder geneigd verwachtingen aan te passen (waaraan? Men ziet niets om aan aan te passen.) en meer geneigd te veroordelen. En dan is een diagnose, een classificatie, een uitleg heel nuttig om dat veroordelen tegen te gaan en te vermijden. Maar dat betekent dat je je in veel situaties gedwongen voelt om die classificatie voor te stellen als een deel van je identiteit. Het is ofwel dat ofwel veroordeling ondergaan.
Zelfacceptatie is voor mij dus ook aanvaarden dat ik autistisch ben zodat ik daarover en over de daar mee samenhangende problemen gewoon op tijd kan nadenken en praten voordat ik me door omstandigheden daartoe gedwongen voel. Het zorgt voor een verschuiving van ondergaan, gevoelens van dwang en moeten, naar zelf meer controle krijgen. Het laat me toe om te zorgen dat verwachtingen, van de omgeving en van mezelf, toch bijgestuurd worden door iets van die onzichtbare afwijkingen van de norm toch zichtbaar te maken, niet alleen voor anderen, maar ook voor mezelf. Want ook zelf stel je eisen aan jezelf op basis van wat je rond je ziet en als normaal ervaart.
De term “neurodiversiteit” wordt op veel verschillende manieren geïnterpreteerd en bekeken en inderdaad dikwijls verkeerdelijk verward met “neurodivergentie”. Maar voor mij is het belangrijkste idee achter neurodiversiteit vooral een streven naar begrip en acceptatie, beginnend met zelfacceptatie, voor diverse manieren van denken en op die manier het tegengaan van oordelen en vooroordelen zonder dat daar diagnoses moeten aan te pas komen.
Al die classificaties en ook het woord “neurodivergentie” zou dan overbodig zijn. Maar ik vrees dat ik daarmee weer erg idealistisch aan het denken ben.